Hoofdstuk 1
1. Leg uit: 3 modellen van filosofiebeoefening uit de Griekse Oudheid bepalen
de geschiedenis van de Westerse filosofie.
Aristoteles: Filosofie als wetenschap/synthese van alle kennis.Vertrekt van ervaring
en empirie, en ordent kennis in een geïntegreerd systeem waarin rede centraal staat.
Plato: Filosofie als spirituele wijsheidsleer. Rede leidt tot absolute kennis en
spirituele verheffing (opklimmen naar een goddelijke verlichting); het doel is
zelftransformatie.
Socrates: Filosofie als praktische levenswijsheid. Centrale vraag is het goede leven;
rede helpt bij het onderscheiden van goed en kwaad en leidt tot een waarachtig leven.
2. Wat zijn volgens Ernest Gellner de 3 functies die in elke cultuur bepalend
zijn voor de menselijke bestaansconditie?
Productie (ploeg) – levensonderhoud/economie
Coercion (zwaard) – sociale ordening/politiek en recht
Cognition (boek) – kennis en zingeving
3. Volgens Gellner was voor de cultuur van de Moderniteit de kennis nog niet
gedifferentieerd en multi-focaal. Leg uit.
In premoderne samenlevingen waren verschillende soorten kennis (kennis van de natuur,
technische, spirituele, praktische) nog vervlochten. De kennis was religieus-mythisch, multi-
focaal en niet onafhankelijk. Pas in de moderniteit vond differentiatie plaats tussen
disciplines. We zijn gegaan van Jagers-verzamelaars, naar agrarische samenlevig, naar
indutriële samenleving.
4. Welke invloed had het ontstaan van de agrarische samenleving op de
codificatie van de kennis volgens Gellner?
Door voedseloverschotten en uitgestelde consumptie (veeteelt) ontstonden sociale klassen
met macht en kennis (ploeg werd gescheiden van zwaard en boek) -> macht en kennis
kwamen in handen van een priesterkaste. Schrift en abstracte concepten maakten
systematische codificatie van kennis mogelijk. Kennis werd coherent, overdraagbaar, en
onderdeel van een doctrine.
,5. Hoe moet men de Platoonse codificatie van de rede in de Griekse Oudheid
begrijpen volgens Gellner?
Plato’s filosofie verenigde spirituele, praktische en wetenschappelijke kennis tot één doctrine
gebaseerd op rede. Het was een blauwdruk voor een agrarische, geletterde samenleving met
geordende macht en kennis.
6. Waarom vindt Hume de ‘kalme zonneschijn van de geest’ een goede
metafoor om de eigenheid van de filosofische activiteit te karakteriseren?
Filosofie biedt rust, inzicht en bescherming tegen bijgeloof. Het is een vorm van standvastige
deugd, een kalme reflectie op de wereld en het bestaan. In de filosofie ontsnapt de geest aan
angst en illusie. Het kan men dus helpen om te ontsnappen aan de werkelijkheid.
7. Wat verstaat men onder ‘Moderniteit’ of ‘moderne cultuur’ in de filosofie?
Onder ‘Moderniteit’ of ‘moderne cultuur’ verstaat men in de filosofie het geheel
van ideeën, denkbeelden en waarden die vanaf de 17de eeuw de Westerse wereld
zijn gaan bepalen. Deze radicale breuk met premoderne cultuur wordt ook wel de
“grote omwenteling” of “big divide” genoemd.
Het wordt gekenmerkt door:
Wetenschappelijke rationaliteit: De natuur wordt verklaard via universele wetten die met
de rede en empirische observatie begrepen kunnen worden (denk aan Newton, Galileo).
Wetenschap wordt dé norm voor ‘ware’ kennis. Het vertrekt van ‘a view from nowhere’.
Secularisering: Religie verliest haar centrale plaats in kennis, moraal en politiek. God is
niet langer het ultieme referentiepunt.
Zelfbepaling van de mens: De mens wordt gezien als een autonoom subject dat zelf
betekenis geeft aan zijn bestaan, los van hogere machten of tradities.
Differentiëring van levenssferen (Max Weber): Politiek, economie, religie, kunst en
wetenschap worden gescheiden domeinen met hun eigen logica. Er is niet langer één
overkoepelend zingevingskader zoals in de middeleeuwen.
, Vooruitgangsgeloof en maakbaarheid: Het idee ontstaat dat de mens de wereld kan
verbeteren via techniek, wetenschap en politiek.
8. ‘De filosofie is sinds de 17de eeuw een zoektocht geworden naar de
legitimering van het mens- en wereldbeeld van de Moderniteit.’ Leg uit.
Na de breuk met de premoderne (christelijke) wereld zocht de moderne filosofie naar
rationele gronden voor het nieuwe wereldbeeld: gebaseerd op wetenschap, autonomie,
seculariteit. Filosofen probeerden een nieuwe fundering te geven aan kennis, moraal en
politiek.
9. Wat betekent het dat we vandaag in een postmoderne cultuur leven? Hoe
weerspiegelt zich dat in de filosofie?
Er is geen consensus meer over fundering van kennis of moraal. Grote verhalen zijn
vervangen door pluraliteit. Filosofie is gefragmenteerd in stijlen en thema’s. Geen universeel
fundament, maar veelheid aan perspectieven -> We leven in de tijd van vloeibare waarden en
ideëen, geen vaste identiteit meer.
10. Michael Oakeshott ziet de filosofie als een onderdeel van de ‘conversation
of mankind’. Hoe moet je dit begrijpen?
Volgens Oakeshott is filosofie geen vaste leer of waarheid, maar een voortdurend
gesprek tussen mensen over de grote levensvragen (zoals: Wie zijn we? Wat is goed? Wat is
waar?). Filosofie is dus een cultureel bepaalde dialoog die zich doorheen de geschiedenis
ontwikkelt.
Elke filosoof draagt bij aan dit gesprek vanuit zijn eigen tijd en context. Het is geen zoektocht
naar één eindantwoord, maar een open en kritische uitwisseling van ideeën – een gesprek
dat nooit stopt.
Hoofdstuk 2
1. Wat is het belang van de axiale periode voor de geschiedenis van de Mensheid?
De axiale periode (ca. 800-200 v.C.) was een kantelpunt waarin grote spirituele en
filosofische tradities ontstonden in verschillende beschavingen. In deze periode begon de
1. Leg uit: 3 modellen van filosofiebeoefening uit de Griekse Oudheid bepalen
de geschiedenis van de Westerse filosofie.
Aristoteles: Filosofie als wetenschap/synthese van alle kennis.Vertrekt van ervaring
en empirie, en ordent kennis in een geïntegreerd systeem waarin rede centraal staat.
Plato: Filosofie als spirituele wijsheidsleer. Rede leidt tot absolute kennis en
spirituele verheffing (opklimmen naar een goddelijke verlichting); het doel is
zelftransformatie.
Socrates: Filosofie als praktische levenswijsheid. Centrale vraag is het goede leven;
rede helpt bij het onderscheiden van goed en kwaad en leidt tot een waarachtig leven.
2. Wat zijn volgens Ernest Gellner de 3 functies die in elke cultuur bepalend
zijn voor de menselijke bestaansconditie?
Productie (ploeg) – levensonderhoud/economie
Coercion (zwaard) – sociale ordening/politiek en recht
Cognition (boek) – kennis en zingeving
3. Volgens Gellner was voor de cultuur van de Moderniteit de kennis nog niet
gedifferentieerd en multi-focaal. Leg uit.
In premoderne samenlevingen waren verschillende soorten kennis (kennis van de natuur,
technische, spirituele, praktische) nog vervlochten. De kennis was religieus-mythisch, multi-
focaal en niet onafhankelijk. Pas in de moderniteit vond differentiatie plaats tussen
disciplines. We zijn gegaan van Jagers-verzamelaars, naar agrarische samenlevig, naar
indutriële samenleving.
4. Welke invloed had het ontstaan van de agrarische samenleving op de
codificatie van de kennis volgens Gellner?
Door voedseloverschotten en uitgestelde consumptie (veeteelt) ontstonden sociale klassen
met macht en kennis (ploeg werd gescheiden van zwaard en boek) -> macht en kennis
kwamen in handen van een priesterkaste. Schrift en abstracte concepten maakten
systematische codificatie van kennis mogelijk. Kennis werd coherent, overdraagbaar, en
onderdeel van een doctrine.
,5. Hoe moet men de Platoonse codificatie van de rede in de Griekse Oudheid
begrijpen volgens Gellner?
Plato’s filosofie verenigde spirituele, praktische en wetenschappelijke kennis tot één doctrine
gebaseerd op rede. Het was een blauwdruk voor een agrarische, geletterde samenleving met
geordende macht en kennis.
6. Waarom vindt Hume de ‘kalme zonneschijn van de geest’ een goede
metafoor om de eigenheid van de filosofische activiteit te karakteriseren?
Filosofie biedt rust, inzicht en bescherming tegen bijgeloof. Het is een vorm van standvastige
deugd, een kalme reflectie op de wereld en het bestaan. In de filosofie ontsnapt de geest aan
angst en illusie. Het kan men dus helpen om te ontsnappen aan de werkelijkheid.
7. Wat verstaat men onder ‘Moderniteit’ of ‘moderne cultuur’ in de filosofie?
Onder ‘Moderniteit’ of ‘moderne cultuur’ verstaat men in de filosofie het geheel
van ideeën, denkbeelden en waarden die vanaf de 17de eeuw de Westerse wereld
zijn gaan bepalen. Deze radicale breuk met premoderne cultuur wordt ook wel de
“grote omwenteling” of “big divide” genoemd.
Het wordt gekenmerkt door:
Wetenschappelijke rationaliteit: De natuur wordt verklaard via universele wetten die met
de rede en empirische observatie begrepen kunnen worden (denk aan Newton, Galileo).
Wetenschap wordt dé norm voor ‘ware’ kennis. Het vertrekt van ‘a view from nowhere’.
Secularisering: Religie verliest haar centrale plaats in kennis, moraal en politiek. God is
niet langer het ultieme referentiepunt.
Zelfbepaling van de mens: De mens wordt gezien als een autonoom subject dat zelf
betekenis geeft aan zijn bestaan, los van hogere machten of tradities.
Differentiëring van levenssferen (Max Weber): Politiek, economie, religie, kunst en
wetenschap worden gescheiden domeinen met hun eigen logica. Er is niet langer één
overkoepelend zingevingskader zoals in de middeleeuwen.
, Vooruitgangsgeloof en maakbaarheid: Het idee ontstaat dat de mens de wereld kan
verbeteren via techniek, wetenschap en politiek.
8. ‘De filosofie is sinds de 17de eeuw een zoektocht geworden naar de
legitimering van het mens- en wereldbeeld van de Moderniteit.’ Leg uit.
Na de breuk met de premoderne (christelijke) wereld zocht de moderne filosofie naar
rationele gronden voor het nieuwe wereldbeeld: gebaseerd op wetenschap, autonomie,
seculariteit. Filosofen probeerden een nieuwe fundering te geven aan kennis, moraal en
politiek.
9. Wat betekent het dat we vandaag in een postmoderne cultuur leven? Hoe
weerspiegelt zich dat in de filosofie?
Er is geen consensus meer over fundering van kennis of moraal. Grote verhalen zijn
vervangen door pluraliteit. Filosofie is gefragmenteerd in stijlen en thema’s. Geen universeel
fundament, maar veelheid aan perspectieven -> We leven in de tijd van vloeibare waarden en
ideëen, geen vaste identiteit meer.
10. Michael Oakeshott ziet de filosofie als een onderdeel van de ‘conversation
of mankind’. Hoe moet je dit begrijpen?
Volgens Oakeshott is filosofie geen vaste leer of waarheid, maar een voortdurend
gesprek tussen mensen over de grote levensvragen (zoals: Wie zijn we? Wat is goed? Wat is
waar?). Filosofie is dus een cultureel bepaalde dialoog die zich doorheen de geschiedenis
ontwikkelt.
Elke filosoof draagt bij aan dit gesprek vanuit zijn eigen tijd en context. Het is geen zoektocht
naar één eindantwoord, maar een open en kritische uitwisseling van ideeën – een gesprek
dat nooit stopt.
Hoofdstuk 2
1. Wat is het belang van de axiale periode voor de geschiedenis van de Mensheid?
De axiale periode (ca. 800-200 v.C.) was een kantelpunt waarin grote spirituele en
filosofische tradities ontstonden in verschillende beschavingen. In deze periode begon de