Parasitologie
0. Algemene inleiding
Parasitologie: omvat alle organismen gaande van ééncelligen tot vertebraten die op één
of andere manier ziekte kunnen veroorzaken
Parasiet = iets / iemand dat mee profiteert van een ander organisme
! Meeste levende wezens zijn parasieten (60-70% van fauna)
Infectie zelden zeer ernstige ziektetekens / mortaliteit
Snel afdoden gastheer is negatief voor infectieus agens
Parasieten: resultaat van honderdduizenden jaren samenleving organismen
aangepast aan elkaar
3 parameters voor mate van ziekte
Aantal parasieten: geen vermeerdering in gastheer dus
initiële aantal belangrijk
Immuniteitsstatus gastheer: jonge dieren gevoeliger
dan oudere dieren
Niet-specifieke resistentiefactoren: niks te maken met
immuunsysteem
1
,Ontwikkeling aarde eerste ééncelligen: archaea ééncellige prokaryoten
ééncellige eukaryoten meercellige eukaryoten primitieve meercellige diersoorten
arthropoden dinosauriërs zoogdieren (planten, fungi en animalia)
Eerste bewijs parasitaire infecties: dinosauriërs
Parasieten ontwikkelt uit archaea zoogdieren zijn geëvolueerd in aanwezigheid
parasieten
Belangrijke stap bij overgang prokaryoten – eukaryoten: ontstaan celkern en
mitochondriën
o Mitochondriën belangrijk voor Krebs-cyclus: productie ATP en
bijproducten uit nutriënten
o Mitochondriën en chloroplasten (planten) gevolg van symbiose tussen
eukaryote en prokaryote cel
💡De meeste parasieten zijn aan te treffen in bloed of maag-darmtractus.
Voordeel parasiet zijn
Bescherming tegen uitdroging
Constante beschikbaarheid van nutriënten
Afwezigheid van predatoren
Protista = ééncellige eukaryoten
Protophyta
o Autotroof
o Ééncellig en meercellig
o Energie (uit fotosynthese) + CO2 + H2O suikers + O2
Protozoa
o Heterotroof
o Ééncellig
o Suikers / vetten / eiwitten + O2 ATP + CO2
1. Protozoa
1.1. Inleiding
Reeds 66 000 soorten beschreven
1.2. Morfologie
Protozoa
Ééncellige organismen
2
, Microscopisch klein, constante vorm
Zelfstandig: verricht alle fundamentele levensfuncties
Eukaryotisch: celkern
Voortbeweging
o Passief: glijmechanisme, meevoeren, …
o Bewegingsorganellen: flagellen en ciliën (blijvend), pseudopodia (=
tijdelijke uitstulpipngen van celmembraan ‘voortkruipen’
Productie resistente cysten of sporen overleven in ongunstige omstandigheden +
verspreiding
Cyste = overlevingsfase parasiet om van ene naar andere gastheer over te gaan
en tijdelijk te overleven in buitenwereld
1.3. Voortplanting
2 soorten
Ongeslachtelijke voortplanting
Geslachtelijke voortplanting
Ongeslachtelijke voortplanting: eenvoudige celdeling
Tweedeling = celdeling volgens lengte-as (= overlangse deling), 2 dochtercellen
o Ciliaten: dwarsdeling
Merogonie = multipele deling: x aantal dochtercellen
o Endodyogenie = 2 dochtercellen ontstaan door eerst knopvorming van
celkern en dan splitsing cytoplasma
o Endopolygenie = >2 dochtercellen ontstaan door knopvorming (één voor
één afsplitsen)
o Schizogonie = celdeling voorafgegaan door inwendige kernvermeerdering
Moedercel = schizont
Dochtercellen = merozoïeten
Voordeel: elke parasiet is genetisch verschillend
Nadeel: trager en complexer proces
Geslachtelijke voortplanting
Syngamie = bevruchting: het versmelten van twee cellen met vorming van zygote
o Uitwisseling van gelijke hoeveelheid genetisch materiaal van beide cellen
Conjugatie = gedeeltelijke uitwisseling kernmateriaal bij paren
o Komt voor bij ciliaten
Voordeel: snel delingsproces belangrijk voor vestiging en overleving
Nadeel: geen variatie makkelijker uitsterven
3
, 💡Veel protozoa kennen enkel geslachtelijke voortplanting of een combinatie van beide.
1.4. Classificatie van de Protozoa
Domein rijk phylum klasse orde familie genus species / soort
1.5. Phylum Sarcomastigophora
Morfologie
Flagellen: Mastigophora (= flagellaten)
Pseudopodia: Sarcodina
Aseksuele voortplanting: tweedeling
1.5.1. Klasse Mastigophora – Flagellaten
1.5.1.1. Orde Kinetoplastida
Algemene kenmerken
Kinetoplast = speciaal type van mitochondrium
o Bevat DNA
o Dichtbij basaal lichaam gelegen
Flagel als ‘rugvin’ aanwezig op cel
Verschillende morfologische vormen tijdens levenscyclus
Amastigote vorm: zonder flagel, afgerond cellichaam
Promastigote vorm: flagel ingeplant aan voorzijde cel (niet de celkern-zijde)
Epimastigote vorm: flagel ingeplant halverwege de cel, maar voor de kern
Trypomastigote vorm: flagel ingeplant aan achterzijde cel (kant van de celkern)
o Veelvoorkomend in bloed
Genus Trypanosoma
= bloed- of weefselparasieten van vertebraten (mens, zoogdieren, vogels en
reptielen)
Kunnen alle 4 de morfologische vormen aannemen
4
0. Algemene inleiding
Parasitologie: omvat alle organismen gaande van ééncelligen tot vertebraten die op één
of andere manier ziekte kunnen veroorzaken
Parasiet = iets / iemand dat mee profiteert van een ander organisme
! Meeste levende wezens zijn parasieten (60-70% van fauna)
Infectie zelden zeer ernstige ziektetekens / mortaliteit
Snel afdoden gastheer is negatief voor infectieus agens
Parasieten: resultaat van honderdduizenden jaren samenleving organismen
aangepast aan elkaar
3 parameters voor mate van ziekte
Aantal parasieten: geen vermeerdering in gastheer dus
initiële aantal belangrijk
Immuniteitsstatus gastheer: jonge dieren gevoeliger
dan oudere dieren
Niet-specifieke resistentiefactoren: niks te maken met
immuunsysteem
1
,Ontwikkeling aarde eerste ééncelligen: archaea ééncellige prokaryoten
ééncellige eukaryoten meercellige eukaryoten primitieve meercellige diersoorten
arthropoden dinosauriërs zoogdieren (planten, fungi en animalia)
Eerste bewijs parasitaire infecties: dinosauriërs
Parasieten ontwikkelt uit archaea zoogdieren zijn geëvolueerd in aanwezigheid
parasieten
Belangrijke stap bij overgang prokaryoten – eukaryoten: ontstaan celkern en
mitochondriën
o Mitochondriën belangrijk voor Krebs-cyclus: productie ATP en
bijproducten uit nutriënten
o Mitochondriën en chloroplasten (planten) gevolg van symbiose tussen
eukaryote en prokaryote cel
💡De meeste parasieten zijn aan te treffen in bloed of maag-darmtractus.
Voordeel parasiet zijn
Bescherming tegen uitdroging
Constante beschikbaarheid van nutriënten
Afwezigheid van predatoren
Protista = ééncellige eukaryoten
Protophyta
o Autotroof
o Ééncellig en meercellig
o Energie (uit fotosynthese) + CO2 + H2O suikers + O2
Protozoa
o Heterotroof
o Ééncellig
o Suikers / vetten / eiwitten + O2 ATP + CO2
1. Protozoa
1.1. Inleiding
Reeds 66 000 soorten beschreven
1.2. Morfologie
Protozoa
Ééncellige organismen
2
, Microscopisch klein, constante vorm
Zelfstandig: verricht alle fundamentele levensfuncties
Eukaryotisch: celkern
Voortbeweging
o Passief: glijmechanisme, meevoeren, …
o Bewegingsorganellen: flagellen en ciliën (blijvend), pseudopodia (=
tijdelijke uitstulpipngen van celmembraan ‘voortkruipen’
Productie resistente cysten of sporen overleven in ongunstige omstandigheden +
verspreiding
Cyste = overlevingsfase parasiet om van ene naar andere gastheer over te gaan
en tijdelijk te overleven in buitenwereld
1.3. Voortplanting
2 soorten
Ongeslachtelijke voortplanting
Geslachtelijke voortplanting
Ongeslachtelijke voortplanting: eenvoudige celdeling
Tweedeling = celdeling volgens lengte-as (= overlangse deling), 2 dochtercellen
o Ciliaten: dwarsdeling
Merogonie = multipele deling: x aantal dochtercellen
o Endodyogenie = 2 dochtercellen ontstaan door eerst knopvorming van
celkern en dan splitsing cytoplasma
o Endopolygenie = >2 dochtercellen ontstaan door knopvorming (één voor
één afsplitsen)
o Schizogonie = celdeling voorafgegaan door inwendige kernvermeerdering
Moedercel = schizont
Dochtercellen = merozoïeten
Voordeel: elke parasiet is genetisch verschillend
Nadeel: trager en complexer proces
Geslachtelijke voortplanting
Syngamie = bevruchting: het versmelten van twee cellen met vorming van zygote
o Uitwisseling van gelijke hoeveelheid genetisch materiaal van beide cellen
Conjugatie = gedeeltelijke uitwisseling kernmateriaal bij paren
o Komt voor bij ciliaten
Voordeel: snel delingsproces belangrijk voor vestiging en overleving
Nadeel: geen variatie makkelijker uitsterven
3
, 💡Veel protozoa kennen enkel geslachtelijke voortplanting of een combinatie van beide.
1.4. Classificatie van de Protozoa
Domein rijk phylum klasse orde familie genus species / soort
1.5. Phylum Sarcomastigophora
Morfologie
Flagellen: Mastigophora (= flagellaten)
Pseudopodia: Sarcodina
Aseksuele voortplanting: tweedeling
1.5.1. Klasse Mastigophora – Flagellaten
1.5.1.1. Orde Kinetoplastida
Algemene kenmerken
Kinetoplast = speciaal type van mitochondrium
o Bevat DNA
o Dichtbij basaal lichaam gelegen
Flagel als ‘rugvin’ aanwezig op cel
Verschillende morfologische vormen tijdens levenscyclus
Amastigote vorm: zonder flagel, afgerond cellichaam
Promastigote vorm: flagel ingeplant aan voorzijde cel (niet de celkern-zijde)
Epimastigote vorm: flagel ingeplant halverwege de cel, maar voor de kern
Trypomastigote vorm: flagel ingeplant aan achterzijde cel (kant van de celkern)
o Veelvoorkomend in bloed
Genus Trypanosoma
= bloed- of weefselparasieten van vertebraten (mens, zoogdieren, vogels en
reptielen)
Kunnen alle 4 de morfologische vormen aannemen
4