Embryologie en teratologie
1. Inleidende begrippen
1.1. Begrippen
Ontogenie = beschrijft de volledige ontwikkeling van een individu
Fylogenie = beschrijft het ontstaan en de ontwikkeling van een volledige diersoort
(evolutieleer)
Embryologie = studie van de ontwikkeling van mens of dier, vanaf het moment van
ontstaan tot het stadium dat dit individu een onafhankelijk leven kan beginnen leiden en
een algemene morfologie verworven heeft die lijkt op deze van volwassen soortgenoten.
Prenatale ontwikkeling: vanaf fertilisatie tot geboorte (natio)
Coïtus = dekking
Fertilisatie = bevruchting
Niet waarneembaar inschatten a.d.h.v. dekking, ovulatie, LH-piek
Conceptus = vrucht
Conceptie = verwekking / ontvangtenis
! We spreken nooit van bevallen bij dieren, maar we spreken van jongen, werpen,
veulenen, kalveren, ….
Oestrus = periode waarin het mannelijke dier toegelaten wordt door het vrouwelijke dier
(komt niet voor bij mens)
Maandstonden = niet-vruchtbare periode
Mens: 2 weken voor ovulatie
Dieren: geen maandstonden ovulatie opvolgen / inschatten
Dracht = gestatie = vanaf moment van bevruchting
Graviditeit / zwangerschap = gehele periode van dracht met bijhorende veranderingen
Zware belasting lichaam moederdier
1
, 1.2. Prenatale ontwikkeling zoogdieren
Embryonale fase = Geen diersoort-specifieke kenmerken
Omvat de pre-embryonale fase, de organogenese en histogenese
o Organogenese = aanleg van verschillende organen
o Histogenese = aanleg van verschillende weefsels
Pre-embryonale fase
o Implantatie in baarmoeder
o Cellen organiseren zich in 3 kiemlagen (= gastrulatie)
o Vastleggen lichaamsassen bilateraal symmetrisch organisme
o Initiële aanleg placenta
Einde embryonale fase: verschillende ‘definities’
o Sluiten gehemelte
Enkel bij zoogdieren
Zeer complex, altijd goed controleren
Indien niet gesloten: dier kan geen melk zuigen (klinisch: melk loopt
uit neus bij drinken)
o Afwerken organogese
o Diersoort herkenbaar
Wet van Von Baer: “Algemene kenmerken die een grote groep dieren
gemeenschappelijk hebben, verschijnen eerder tijdens de embryonale
ontwikkeling dan de specifieke kenmerken die slechts gedeeld worden door een
beperkt aantal diersoorten.”
o Meeste vroege embryo’s lijken zeer sterk op elkaar, pas later in de
ontwikkeling zijn ze herkenbaar
Overgang embryonale – foetale fase
Voor alle dieren verschillend Allemaal te kennen!
Belangrijke scheiding: vanaf foetale fase is de kans op abortus / problemen veel
kleiner
Foetale fase = er zijn al diersoort-specifieke kenmerken aanwezig, de foetus is te
herkennen
Geen vorming nieuwe structuren, enkel groei en maturatie
Natio = geboorte
Partus = bevalling
Puerperium = kraambed: aanpassing moederdier na partus
Nageboorte (= secundinae)
Involutie baarmoeder
2
, Vochtafvloei = lochiën-vloei
Perinatale periode =
periode waarin verschijnselen plaatsvinden die rechtstreeks verband houden met de
voorbereiding op de geboorte of het onmiddelijke gevolg ervan
Neonatale periode = periode na de geboorte
Neonatus = pasgeboren jong
Postnatale periode = leven na de geboorte, waarbij het jong zich verder ontwikkelt
1.3. Prenatale ontwikkeling eierleggende amnioten
Eierleggende amnioten = vogels en eierleggende reptielen
! We spreken niet van een foetus (deze term is enkel voor zoogdieren) !
We spreken de hele periode van een embryo
Telling: vanaf bevruchting
! De bevruchting is geen ijkpunt aangezien de embryonale processen pas van start
gaan bij het broeden (van zodra de kip actief broedt)
Broeden = het op temperatuur houden van het letsel
Uitkippen = hatching
3
, Ovipositie = eileg
1.4. Drachttijd
Figuur 1: Drachttijden diersoorten. Alle vetgedrukte dieren moet je kennen!
Nota’s bij tabel
Hond en kat: tijd uitgedrukt in weken (NIET dagen / maanden): 9 weken
Varken + everzwijn: 3 maand 3 weken en 3 dagen
Cavia = nestvlieder langere drachttijd
Muis: naakt, blind geboren, geen temperatuurregeling kortere drachttijd
4
1. Inleidende begrippen
1.1. Begrippen
Ontogenie = beschrijft de volledige ontwikkeling van een individu
Fylogenie = beschrijft het ontstaan en de ontwikkeling van een volledige diersoort
(evolutieleer)
Embryologie = studie van de ontwikkeling van mens of dier, vanaf het moment van
ontstaan tot het stadium dat dit individu een onafhankelijk leven kan beginnen leiden en
een algemene morfologie verworven heeft die lijkt op deze van volwassen soortgenoten.
Prenatale ontwikkeling: vanaf fertilisatie tot geboorte (natio)
Coïtus = dekking
Fertilisatie = bevruchting
Niet waarneembaar inschatten a.d.h.v. dekking, ovulatie, LH-piek
Conceptus = vrucht
Conceptie = verwekking / ontvangtenis
! We spreken nooit van bevallen bij dieren, maar we spreken van jongen, werpen,
veulenen, kalveren, ….
Oestrus = periode waarin het mannelijke dier toegelaten wordt door het vrouwelijke dier
(komt niet voor bij mens)
Maandstonden = niet-vruchtbare periode
Mens: 2 weken voor ovulatie
Dieren: geen maandstonden ovulatie opvolgen / inschatten
Dracht = gestatie = vanaf moment van bevruchting
Graviditeit / zwangerschap = gehele periode van dracht met bijhorende veranderingen
Zware belasting lichaam moederdier
1
, 1.2. Prenatale ontwikkeling zoogdieren
Embryonale fase = Geen diersoort-specifieke kenmerken
Omvat de pre-embryonale fase, de organogenese en histogenese
o Organogenese = aanleg van verschillende organen
o Histogenese = aanleg van verschillende weefsels
Pre-embryonale fase
o Implantatie in baarmoeder
o Cellen organiseren zich in 3 kiemlagen (= gastrulatie)
o Vastleggen lichaamsassen bilateraal symmetrisch organisme
o Initiële aanleg placenta
Einde embryonale fase: verschillende ‘definities’
o Sluiten gehemelte
Enkel bij zoogdieren
Zeer complex, altijd goed controleren
Indien niet gesloten: dier kan geen melk zuigen (klinisch: melk loopt
uit neus bij drinken)
o Afwerken organogese
o Diersoort herkenbaar
Wet van Von Baer: “Algemene kenmerken die een grote groep dieren
gemeenschappelijk hebben, verschijnen eerder tijdens de embryonale
ontwikkeling dan de specifieke kenmerken die slechts gedeeld worden door een
beperkt aantal diersoorten.”
o Meeste vroege embryo’s lijken zeer sterk op elkaar, pas later in de
ontwikkeling zijn ze herkenbaar
Overgang embryonale – foetale fase
Voor alle dieren verschillend Allemaal te kennen!
Belangrijke scheiding: vanaf foetale fase is de kans op abortus / problemen veel
kleiner
Foetale fase = er zijn al diersoort-specifieke kenmerken aanwezig, de foetus is te
herkennen
Geen vorming nieuwe structuren, enkel groei en maturatie
Natio = geboorte
Partus = bevalling
Puerperium = kraambed: aanpassing moederdier na partus
Nageboorte (= secundinae)
Involutie baarmoeder
2
, Vochtafvloei = lochiën-vloei
Perinatale periode =
periode waarin verschijnselen plaatsvinden die rechtstreeks verband houden met de
voorbereiding op de geboorte of het onmiddelijke gevolg ervan
Neonatale periode = periode na de geboorte
Neonatus = pasgeboren jong
Postnatale periode = leven na de geboorte, waarbij het jong zich verder ontwikkelt
1.3. Prenatale ontwikkeling eierleggende amnioten
Eierleggende amnioten = vogels en eierleggende reptielen
! We spreken niet van een foetus (deze term is enkel voor zoogdieren) !
We spreken de hele periode van een embryo
Telling: vanaf bevruchting
! De bevruchting is geen ijkpunt aangezien de embryonale processen pas van start
gaan bij het broeden (van zodra de kip actief broedt)
Broeden = het op temperatuur houden van het letsel
Uitkippen = hatching
3
, Ovipositie = eileg
1.4. Drachttijd
Figuur 1: Drachttijden diersoorten. Alle vetgedrukte dieren moet je kennen!
Nota’s bij tabel
Hond en kat: tijd uitgedrukt in weken (NIET dagen / maanden): 9 weken
Varken + everzwijn: 3 maand 3 weken en 3 dagen
Cavia = nestvlieder langere drachttijd
Muis: naakt, blind geboren, geen temperatuurregeling kortere drachttijd
4