De gereedschapskist van de sociaal werker (6e
druk)
Methodieken
Inhoudsopgave
Situationeel redeneren........................................................................................... 2
Non-directieve basismethode................................................................................. 3
Survivalmethoden.................................................................................................. 4
1. Lichaamsmethode........................................................................................... 4
2. Praktisch-materiële methode..........................................................................6
3. Traumaopvang methode.................................................................................. 7
Affectiegerichte methoden..................................................................................... 9
1. Ontladingsmethode......................................................................................... 9
2. Expressiemethode......................................................................................... 11
3. Ritueelmethode............................................................................................. 12
Zelfbepalingsmethoden........................................................................................ 14
1. Cognitieve methode...................................................................................... 14
2. Narratieve methode...................................................................................... 16
3. Gedragsmethode........................................................................................... 18
Systemische methoden........................................................................................ 20
1. Sociaal netwerkmethode............................................................................... 20
2. Relatiemethode............................................................................................. 21
3. Gezins- en familie methode...........................................................................23
4. Groepsmethode............................................................................................. 25
5. Casemanagement methode..........................................................................26
6. Mediation methode....................................................................................... 27
Macromethoden.................................................................................................... 28
1. Signaleringsmethode..................................................................................... 28
2. Preventiemethode......................................................................................... 29
3. Collectieve-belangenbehartigingsmethode...................................................30
4. Praktijkgerichte onderzoeksmethode............................................................31
, Situationeel redeneren
Situationeel redeneren is een methodische
manier van werken in het sociaal werk, waarbij
de sociaal werker samen met de cliënt
stressvolle situaties begrijpt, benoemt en
aanpakt. Het is een vraaggerichte en flexibele
werkwijze die niet uitgaat van vaste methoden,
maar van de behoeften en mogelijkheden van de
cliënt. Het doel is om de draaglast te erkennen,
de draagkracht te versterken en het draagvlak
(steunnetwerk en voorzieningen) te vergroten.
De werkwijze bestaat uit drie stappen: PAK, PSA
en PSI.
Stap 1: Psychosociale Archiefkast (PAK) – Het totaalbeeld
De eerste stap is het opbouwen van contact en het samen in kaart brengen van
de situatie. De sociaal werker gebruikt hierbij de non-directieve basismethode,
waardoor de cliënt zich veilig voelt om zijn verhaal te doen.
De situatie van de cliënt wordt geordend in de psychosociale archiefkast (PAK),
een visueel hulpmiddel waarin per levensdomein wordt aangegeven wat de
krachtbronnen (plussen) en de spanningsbronnen (minnen) zijn. Dit overzicht laat
zien:
Draagkracht: hoe iemand omgaat met moeilijke gebeurtenissen.
Draaglast: de gebeurtenissen zelf (life-events en hun gevolgen).
Draagvlak: steun vanuit het netwerk of instanties.
De cliënt is hierbij expert van zijn eigen situatie. De PAK brengt rust, overzicht en
versterkt het gevoel van regie en empowerment.
Stap 2: Psychosociale Stressassessment (PSA) – Werkhypothesen
Op basis van de PAK stelt de sociaal werker samen met de cliënt werkhypothesen
op. Dit zijn voorlopige verklaringen die helpen begrijpen waarom iemand
vastloopt en hoe verbetering mogelijk is.
Doelen van deze stap:
Bepalen welke stressvormen aanwezig zijn.
Verkennen hoe pluspunten kunnen worden ingezet om de minpunten te
verminderen.
Voorlopig kiezen van passende methoden (methodische indicatiestelling).
De sociaal werker gebruikt hierbij o.a.:
Reality testing: wat is feitelijk aan de hand?
Gevoelsbeleving: wat voelt goed of niet goed (feeling yes/no)?
Stressniveau: waar zit de spanning?
Deze stap vormt de brug tussen begrijpen en handelen: het is geen diagnose,
maar een richtinggevend denkkader.
Stap 3: Psychosociale Stressinterventie (PSI) – In actie komen
,De laatste stap is het daadwerkelijk handelen: samen met de cliënt acties
uitvoeren om stress te verminderen en krachtbronnen te versterken. Er wordt
steeds geëvalueerd of deze interventies bijdragen aan de kwaliteit van leven.
Kenmerken van deze fase:
De cliënt geeft informed consent voor elke stap.
Er worden samen haalbare doelen gesteld (zoals emotionele rust, sociale
steun, praktische stabiliteit).
Interventies worden gekozen op basis van wat bij de werkhypothese én de
cliënt past.
Er zijn drie soorten interventiemethoden:
1. Non-directieve basismethode: gericht op bewustwording en
verwerking.
2. Individuele methoden: versterken van de draagkracht van de cliënt.
3. Systemische en macromethoden: versterken van het draagvlak via
netwerk en maatschappelijke structuren.
Non-directieve basismethode
De non-directieve basismethode (NDB-methode) vormt de kern van het sociaal
werk en draait om het opbouwen en onderhouden van een positieve werkrelatie
tussen de sociaal werker en de cliënt. Deze methode stelt de cliënt centraal en
sluit voortdurend aan bij diens beleving en behoeften. Het uitgangspunt is dat de
sociaal werker de cliënt volgt tijdens het hele proces: vanaf het eerste contact tot
aan de afronding van de hulpverlening. De houding van de sociaal werker wordt
gekenmerkt door:
Congruentie (echtheid)
Empathie (inlevingsvermogen)
Onvoorwaardelijke positieve aandacht.
Deze grondhouding maakt het mogelijk om een veilige, respectvolle relatie op te
bouwen waarin de cliënt zich gehoord en begrepen voelt.
De NDB-methode stimuleert de cliënt om zelf onderzoek te doen naar zijn
situatie, knelpunten te benoemen, zijn eigen kracht te herkennen en zelf regie te
nemen. De sociaal werker helpt daarbij met verschillende technieken, zoals de
psychosociale archiefkast (PAK) en de SLOP-technieken, die structuur en inzicht
bieden. De methode is bewust niet sturend, zodat de cliënt eigenaar blijft van zijn
eigen proces. Tegelijkertijd biedt deze aanpak een tegenwicht tegen
bureaucratische modellen waarin regels en protocollen centraal staan. In de non-
directieve methode staat altijd de mens voorop, met al zijn vragen, worstelingen
en mogelijkheden.
Doelen:
• De cliënt herkent de bronnen van onrust en spanning.
• De cliënt ervaart minder negatieve spanning.
Wanneer kan je deze methode gebruiken:
• Is altijd geschikt
• Onvoldoende geestelijke rust
• Geen overzicht
• Geen duidelijke hulpvraag
• Client heeft geen zin in hulpverlening
, • Client kan zich onvoldoende uiten
Wanneer niet gebruiken:
• Mensen met LVB
• Ernstige verwardheid
• Onder invloed
• Concrete informatieve vraag
• Toegeschreven hulpvraag
• Onvoldoende continuïteitsgarantie
• Individuele knelpunten vragen om een directieve aanpak
• Systemische indicaties
• Macro-indicaties
Resultaat:
• De cliënt herkent de bronnen van negatieve spanning
• De cliënt ervaart minder spanning
Valkuilen NDB-methode:
- Het missen van directieve indicaties, er zou meer actieve sturing moeten
zijn.
- Steeds maar doorgaan zonder progressie (vooruitgang boeken).
Survivalmethoden
1. Lichaamsmethode
Bij verlies, trauma of dreiging (zoals ziekte, ontslag of overlijden) treedt het
survivalbrein in werking. Dit deel van ons brein reageert reflexmatig en instinctief
met een "gevaar!"-signaal, vaak via de amygdala.
Er zijn twee routes waarop angstsignalen verwerkt worden:
Snelle route: direct van de thalamus naar de amygdala voor een
onmiddellijke reactie.
Langzame route: via de visuele cortex voor een bewustere verwerking.
Vanuit overlevingsbehoefte reageert het brein met een fight, flight of freeze
reactie.
- Fysieke stress ontstaat wanneer spanning zich in het lichaam ophoopt en
niet ontladen wordt. Dit beïnvloedt de levenskwaliteit en kan leiden tot
klachten als vermoeidheid en pijn.
Lichaamssignalen bij fysieke stress
- Gestreste werknemer (hoofdpijn)
- Mishandelde client (pijnlijke lichaamsdelen)
- Benauwd en pijn op de borst bij ontlading
- De verkrachte client (schrikkerig)
- Client met verlatingsangst (gericht op seksualiteit)
- Trauma (automutilatie, slapeloosheid)
- Overbelasting (rugproblemen)
Twee soorten klachten bij de lichaamsmethode:
1. Psychosomatische klachten:
Gevolg van psychosociale onvrede die zich lichamelijk uit, zonder
druk)
Methodieken
Inhoudsopgave
Situationeel redeneren........................................................................................... 2
Non-directieve basismethode................................................................................. 3
Survivalmethoden.................................................................................................. 4
1. Lichaamsmethode........................................................................................... 4
2. Praktisch-materiële methode..........................................................................6
3. Traumaopvang methode.................................................................................. 7
Affectiegerichte methoden..................................................................................... 9
1. Ontladingsmethode......................................................................................... 9
2. Expressiemethode......................................................................................... 11
3. Ritueelmethode............................................................................................. 12
Zelfbepalingsmethoden........................................................................................ 14
1. Cognitieve methode...................................................................................... 14
2. Narratieve methode...................................................................................... 16
3. Gedragsmethode........................................................................................... 18
Systemische methoden........................................................................................ 20
1. Sociaal netwerkmethode............................................................................... 20
2. Relatiemethode............................................................................................. 21
3. Gezins- en familie methode...........................................................................23
4. Groepsmethode............................................................................................. 25
5. Casemanagement methode..........................................................................26
6. Mediation methode....................................................................................... 27
Macromethoden.................................................................................................... 28
1. Signaleringsmethode..................................................................................... 28
2. Preventiemethode......................................................................................... 29
3. Collectieve-belangenbehartigingsmethode...................................................30
4. Praktijkgerichte onderzoeksmethode............................................................31
, Situationeel redeneren
Situationeel redeneren is een methodische
manier van werken in het sociaal werk, waarbij
de sociaal werker samen met de cliënt
stressvolle situaties begrijpt, benoemt en
aanpakt. Het is een vraaggerichte en flexibele
werkwijze die niet uitgaat van vaste methoden,
maar van de behoeften en mogelijkheden van de
cliënt. Het doel is om de draaglast te erkennen,
de draagkracht te versterken en het draagvlak
(steunnetwerk en voorzieningen) te vergroten.
De werkwijze bestaat uit drie stappen: PAK, PSA
en PSI.
Stap 1: Psychosociale Archiefkast (PAK) – Het totaalbeeld
De eerste stap is het opbouwen van contact en het samen in kaart brengen van
de situatie. De sociaal werker gebruikt hierbij de non-directieve basismethode,
waardoor de cliënt zich veilig voelt om zijn verhaal te doen.
De situatie van de cliënt wordt geordend in de psychosociale archiefkast (PAK),
een visueel hulpmiddel waarin per levensdomein wordt aangegeven wat de
krachtbronnen (plussen) en de spanningsbronnen (minnen) zijn. Dit overzicht laat
zien:
Draagkracht: hoe iemand omgaat met moeilijke gebeurtenissen.
Draaglast: de gebeurtenissen zelf (life-events en hun gevolgen).
Draagvlak: steun vanuit het netwerk of instanties.
De cliënt is hierbij expert van zijn eigen situatie. De PAK brengt rust, overzicht en
versterkt het gevoel van regie en empowerment.
Stap 2: Psychosociale Stressassessment (PSA) – Werkhypothesen
Op basis van de PAK stelt de sociaal werker samen met de cliënt werkhypothesen
op. Dit zijn voorlopige verklaringen die helpen begrijpen waarom iemand
vastloopt en hoe verbetering mogelijk is.
Doelen van deze stap:
Bepalen welke stressvormen aanwezig zijn.
Verkennen hoe pluspunten kunnen worden ingezet om de minpunten te
verminderen.
Voorlopig kiezen van passende methoden (methodische indicatiestelling).
De sociaal werker gebruikt hierbij o.a.:
Reality testing: wat is feitelijk aan de hand?
Gevoelsbeleving: wat voelt goed of niet goed (feeling yes/no)?
Stressniveau: waar zit de spanning?
Deze stap vormt de brug tussen begrijpen en handelen: het is geen diagnose,
maar een richtinggevend denkkader.
Stap 3: Psychosociale Stressinterventie (PSI) – In actie komen
,De laatste stap is het daadwerkelijk handelen: samen met de cliënt acties
uitvoeren om stress te verminderen en krachtbronnen te versterken. Er wordt
steeds geëvalueerd of deze interventies bijdragen aan de kwaliteit van leven.
Kenmerken van deze fase:
De cliënt geeft informed consent voor elke stap.
Er worden samen haalbare doelen gesteld (zoals emotionele rust, sociale
steun, praktische stabiliteit).
Interventies worden gekozen op basis van wat bij de werkhypothese én de
cliënt past.
Er zijn drie soorten interventiemethoden:
1. Non-directieve basismethode: gericht op bewustwording en
verwerking.
2. Individuele methoden: versterken van de draagkracht van de cliënt.
3. Systemische en macromethoden: versterken van het draagvlak via
netwerk en maatschappelijke structuren.
Non-directieve basismethode
De non-directieve basismethode (NDB-methode) vormt de kern van het sociaal
werk en draait om het opbouwen en onderhouden van een positieve werkrelatie
tussen de sociaal werker en de cliënt. Deze methode stelt de cliënt centraal en
sluit voortdurend aan bij diens beleving en behoeften. Het uitgangspunt is dat de
sociaal werker de cliënt volgt tijdens het hele proces: vanaf het eerste contact tot
aan de afronding van de hulpverlening. De houding van de sociaal werker wordt
gekenmerkt door:
Congruentie (echtheid)
Empathie (inlevingsvermogen)
Onvoorwaardelijke positieve aandacht.
Deze grondhouding maakt het mogelijk om een veilige, respectvolle relatie op te
bouwen waarin de cliënt zich gehoord en begrepen voelt.
De NDB-methode stimuleert de cliënt om zelf onderzoek te doen naar zijn
situatie, knelpunten te benoemen, zijn eigen kracht te herkennen en zelf regie te
nemen. De sociaal werker helpt daarbij met verschillende technieken, zoals de
psychosociale archiefkast (PAK) en de SLOP-technieken, die structuur en inzicht
bieden. De methode is bewust niet sturend, zodat de cliënt eigenaar blijft van zijn
eigen proces. Tegelijkertijd biedt deze aanpak een tegenwicht tegen
bureaucratische modellen waarin regels en protocollen centraal staan. In de non-
directieve methode staat altijd de mens voorop, met al zijn vragen, worstelingen
en mogelijkheden.
Doelen:
• De cliënt herkent de bronnen van onrust en spanning.
• De cliënt ervaart minder negatieve spanning.
Wanneer kan je deze methode gebruiken:
• Is altijd geschikt
• Onvoldoende geestelijke rust
• Geen overzicht
• Geen duidelijke hulpvraag
• Client heeft geen zin in hulpverlening
, • Client kan zich onvoldoende uiten
Wanneer niet gebruiken:
• Mensen met LVB
• Ernstige verwardheid
• Onder invloed
• Concrete informatieve vraag
• Toegeschreven hulpvraag
• Onvoldoende continuïteitsgarantie
• Individuele knelpunten vragen om een directieve aanpak
• Systemische indicaties
• Macro-indicaties
Resultaat:
• De cliënt herkent de bronnen van negatieve spanning
• De cliënt ervaart minder spanning
Valkuilen NDB-methode:
- Het missen van directieve indicaties, er zou meer actieve sturing moeten
zijn.
- Steeds maar doorgaan zonder progressie (vooruitgang boeken).
Survivalmethoden
1. Lichaamsmethode
Bij verlies, trauma of dreiging (zoals ziekte, ontslag of overlijden) treedt het
survivalbrein in werking. Dit deel van ons brein reageert reflexmatig en instinctief
met een "gevaar!"-signaal, vaak via de amygdala.
Er zijn twee routes waarop angstsignalen verwerkt worden:
Snelle route: direct van de thalamus naar de amygdala voor een
onmiddellijke reactie.
Langzame route: via de visuele cortex voor een bewustere verwerking.
Vanuit overlevingsbehoefte reageert het brein met een fight, flight of freeze
reactie.
- Fysieke stress ontstaat wanneer spanning zich in het lichaam ophoopt en
niet ontladen wordt. Dit beïnvloedt de levenskwaliteit en kan leiden tot
klachten als vermoeidheid en pijn.
Lichaamssignalen bij fysieke stress
- Gestreste werknemer (hoofdpijn)
- Mishandelde client (pijnlijke lichaamsdelen)
- Benauwd en pijn op de borst bij ontlading
- De verkrachte client (schrikkerig)
- Client met verlatingsangst (gericht op seksualiteit)
- Trauma (automutilatie, slapeloosheid)
- Overbelasting (rugproblemen)
Twee soorten klachten bij de lichaamsmethode:
1. Psychosomatische klachten:
Gevolg van psychosociale onvrede die zich lichamelijk uit, zonder