Globale economie
Besproken hoofstukken:
Hoofdstuk 16: macro-economische analyse: wat en waarom?
Hoofdstuk 17: De nationale rekeningen
Hoofdstuk 18: Het bbp als maatstaf van de economische activiteit
Hoofdstuk 19: geld
Hoofdstuk 21: de arbeidsmarkt
Hoofdstuk 22: de overheid
Hoofdstuk 23: wisselkoers
Hoofstuk 24: vraagzijde en de reële sfeer
Hoofdstuk 25: IS-LM-model
Hoofdstuk 26: AA-AV-model
Hoofdstuk 27: philipscurve
Hoofdstuk 16: macro-economische analyse: wat
en waarom?
Inflatie: macro
Totale inflatie <-> onderliggende inflatie
Welke maatstaf wordt er precies gebruikt?
Als econoom denken in reële prijzen want vaak is het zo dat bij stijgende
prijzen een stijgend inkomen aan gebonden is sociale uitkeringen
Monetair beleid: macro
Monetair beleid is het beleid waarmee een centrale bank (zoals de Europese
Centrale Bank – ECB) de geldhoeveelheid, rentevoeten en inflatie in een
economie probeert te sturen. (Economische groei is meer dan bbp, ook uitstoot,
… zijn belangrijke factoren die de gezondheid van een land indiceren.)
Macro-economie:
= grotere gehelen of aggregaten
“De” economie krimpt of groeit
Totale consumptie in België/EU/wereld
Totale tewerkstelling/werkloosheid
, Het Prijspeil (alle prijzen)
Maar aggregaat = optelsom van de variabelen op individueel niveau
=> waarom volstaat micro-economie niet?
Hebben we wel een aparte macro-analyse nodig?
Ja, om 3 redenen
1. Band tussen markten van finale goederen en markten van
productiefactoren (terugkoppeling) economische kringloop en de Wet
van Say
2. Gebruik van geld ontregeling van geldstromen kan reële goederen- en
dienstenstroom beïnvloeden (financiële crisis)
3. Informatie- en coördinatieproblemen die impact hebben op economie
(“animal spirits")
“Wat waar is voor het micro-economisch niveau is niet noodzakelijk waar voor
het macro-economisch niveau wat geldt voor de delen geldt niet per se voor
het geheel”
Voorbeeld: spaarparadox positieve effecten voor het individu, maar op
grote schaal en lange termijn niet voor de totale economie want
Rationele handeling van het individu kan leiden tot een suboptimale uitkomst
voor het geheel
16.1 Eenvoudige kringloop
Werkloosheid kan stijgen door bijvoorbeeld automatisering:
Rollen van mensen worden overgenomen door technologische substituten, men
kan wel zeggen dat hierdoor nieuwe jobs gecreëerd worden maar de mensen
die hun job kwijt zijn kunnen vaak niet direct een job vinden in de nieuwe,
moderne sectoren.
,Factormarkt: ondernemingen hebben menselijk en fysiek kapitaal nodig
productiefactoren die gekocht worden bij de gezinnen
DE WET VAN SAY
Elk aanbod creëert zijn eigen vraag
Productie leidt vanzelf tot vraag
Er kan nooit een vraagtekort zijn
Maar deze samenhang zorgt er ook voor:
Dat macro-economisch effect NIET GELIJK is aan de optelsom van micro-
economische effecten
o Geheel > delen
o Logica: fallacy of composition(wat zich op macro-niveau afspeelt is
veel meer dan de optelsom van individueel gedrag op micro-niveau)
o Voorbeeld: prijsstijging van ALLE goederen en diensten =/= daling
vraag
Dat er coördinatie- en informatieproblemen zijn
Opdat de wet van say zou opgaan, moet de kringloop gesloten zijn, maar in
werkelijkheid zijn er zogenaamde “lekken”:
Spaarlek
Lek naar het buitenland, wij kopen ook goederen van het buitenland
…
Overheidsoptreden zijn nuttig, volgens de mensen die opgaan in de wet van Say
zijn overheidsoptreden NIET nodig
GELD EN IDENTITEIT VAN FISHER
Geld: ons algemeen ruilmiddel
Aan kringloop goederen en diensten beantwoordt geldkringloop
, Identiteit van Fisher:
P = prijsniveau (bijvoorbeeld de gemiddelde prijs van goederen en diensten)
Q = reëel nationaal product (output) (de hoeveelheid geproduceerde
goederen en diensten)
M = geldhoeveelheid (de totale hoeveelheid geld in omloop)
V = omloopsnelheid van geld (hoe vaak een eenheid geld in een bepaalde
periode wordt uitgegeven voor transacties)
Voorraadvariabelen: (voorbeeld geldhoeveelheid)
Stroomvariabelen: verandering over een tijdsperiode
16.2 Een gesloten economie met overheid en investeringen
COÖRDINATIEPROBLEMEN
Voorbeeld 1: investeringen
Motivatie voor investeringen
o Verwachting dat toekomstige vraag zal stijgen
MAAR onzekerheid => bedrijven kijken naar elkaar
o Als B grote investeringen doet, zal A hoogstwaarschijnlijk ook
investeren
o Investeringsboom met zelf voedend karakter
o Investeringen = productie = inkomen
o OOK OMGEKEERD
Animal spirits
o Informatie vaak gebrekkig
o Vlagen van pessimisme en optimisme
Besproken hoofstukken:
Hoofdstuk 16: macro-economische analyse: wat en waarom?
Hoofdstuk 17: De nationale rekeningen
Hoofdstuk 18: Het bbp als maatstaf van de economische activiteit
Hoofdstuk 19: geld
Hoofdstuk 21: de arbeidsmarkt
Hoofdstuk 22: de overheid
Hoofdstuk 23: wisselkoers
Hoofstuk 24: vraagzijde en de reële sfeer
Hoofdstuk 25: IS-LM-model
Hoofdstuk 26: AA-AV-model
Hoofdstuk 27: philipscurve
Hoofdstuk 16: macro-economische analyse: wat
en waarom?
Inflatie: macro
Totale inflatie <-> onderliggende inflatie
Welke maatstaf wordt er precies gebruikt?
Als econoom denken in reële prijzen want vaak is het zo dat bij stijgende
prijzen een stijgend inkomen aan gebonden is sociale uitkeringen
Monetair beleid: macro
Monetair beleid is het beleid waarmee een centrale bank (zoals de Europese
Centrale Bank – ECB) de geldhoeveelheid, rentevoeten en inflatie in een
economie probeert te sturen. (Economische groei is meer dan bbp, ook uitstoot,
… zijn belangrijke factoren die de gezondheid van een land indiceren.)
Macro-economie:
= grotere gehelen of aggregaten
“De” economie krimpt of groeit
Totale consumptie in België/EU/wereld
Totale tewerkstelling/werkloosheid
, Het Prijspeil (alle prijzen)
Maar aggregaat = optelsom van de variabelen op individueel niveau
=> waarom volstaat micro-economie niet?
Hebben we wel een aparte macro-analyse nodig?
Ja, om 3 redenen
1. Band tussen markten van finale goederen en markten van
productiefactoren (terugkoppeling) economische kringloop en de Wet
van Say
2. Gebruik van geld ontregeling van geldstromen kan reële goederen- en
dienstenstroom beïnvloeden (financiële crisis)
3. Informatie- en coördinatieproblemen die impact hebben op economie
(“animal spirits")
“Wat waar is voor het micro-economisch niveau is niet noodzakelijk waar voor
het macro-economisch niveau wat geldt voor de delen geldt niet per se voor
het geheel”
Voorbeeld: spaarparadox positieve effecten voor het individu, maar op
grote schaal en lange termijn niet voor de totale economie want
Rationele handeling van het individu kan leiden tot een suboptimale uitkomst
voor het geheel
16.1 Eenvoudige kringloop
Werkloosheid kan stijgen door bijvoorbeeld automatisering:
Rollen van mensen worden overgenomen door technologische substituten, men
kan wel zeggen dat hierdoor nieuwe jobs gecreëerd worden maar de mensen
die hun job kwijt zijn kunnen vaak niet direct een job vinden in de nieuwe,
moderne sectoren.
,Factormarkt: ondernemingen hebben menselijk en fysiek kapitaal nodig
productiefactoren die gekocht worden bij de gezinnen
DE WET VAN SAY
Elk aanbod creëert zijn eigen vraag
Productie leidt vanzelf tot vraag
Er kan nooit een vraagtekort zijn
Maar deze samenhang zorgt er ook voor:
Dat macro-economisch effect NIET GELIJK is aan de optelsom van micro-
economische effecten
o Geheel > delen
o Logica: fallacy of composition(wat zich op macro-niveau afspeelt is
veel meer dan de optelsom van individueel gedrag op micro-niveau)
o Voorbeeld: prijsstijging van ALLE goederen en diensten =/= daling
vraag
Dat er coördinatie- en informatieproblemen zijn
Opdat de wet van say zou opgaan, moet de kringloop gesloten zijn, maar in
werkelijkheid zijn er zogenaamde “lekken”:
Spaarlek
Lek naar het buitenland, wij kopen ook goederen van het buitenland
…
Overheidsoptreden zijn nuttig, volgens de mensen die opgaan in de wet van Say
zijn overheidsoptreden NIET nodig
GELD EN IDENTITEIT VAN FISHER
Geld: ons algemeen ruilmiddel
Aan kringloop goederen en diensten beantwoordt geldkringloop
, Identiteit van Fisher:
P = prijsniveau (bijvoorbeeld de gemiddelde prijs van goederen en diensten)
Q = reëel nationaal product (output) (de hoeveelheid geproduceerde
goederen en diensten)
M = geldhoeveelheid (de totale hoeveelheid geld in omloop)
V = omloopsnelheid van geld (hoe vaak een eenheid geld in een bepaalde
periode wordt uitgegeven voor transacties)
Voorraadvariabelen: (voorbeeld geldhoeveelheid)
Stroomvariabelen: verandering over een tijdsperiode
16.2 Een gesloten economie met overheid en investeringen
COÖRDINATIEPROBLEMEN
Voorbeeld 1: investeringen
Motivatie voor investeringen
o Verwachting dat toekomstige vraag zal stijgen
MAAR onzekerheid => bedrijven kijken naar elkaar
o Als B grote investeringen doet, zal A hoogstwaarschijnlijk ook
investeren
o Investeringsboom met zelf voedend karakter
o Investeringen = productie = inkomen
o OOK OMGEKEERD
Animal spirits
o Informatie vaak gebrekkig
o Vlagen van pessimisme en optimisme