Tentamen samenvatting
Mens en recht
Hoofdstuk 1
1.1 Waarom is er recht?
Een chirurg voert een operatie uit, maar de patiënt is hier na afloop zo
ontevreden mee dat zij psychische klachten overhoudt. Is het de schuld
van de chirurg? De overheid verplicht burgers om belasting te betalen en
verdachten te vervolgen. In deze genoemde gevallen gaat het om
rechten en plichten van individuen en overheid. Rechten en plichten
komen voort uit normen en waarden, deze gelden algemeen in de
maatschappij. Het recht krijgt vorm door normen vast te leggen in
rechtsregels, hierin wordt duidelijk hoe regels gehandhaafd kunnen
worden.
Recht zorgt voor:
Doelmatige ordening aan de samenleving: bijv. verkeersregels en
eigendomsrecht
Spelregels: voor gedragingen tussen individuen onderling en
overheidshandelen
Sturing van gedrag: van individuele burgers in samenleving
Het recht is gericht op rechtvaardigheid. Niet iedereen kent zijn/haar
rechten en plichten en soms is er ook een spanningsveld door
verschillende belangentegenstellingen.
1.2 Vindplaatsen van het recht
Wanneer regels algemeen als rechtsregels worden aanvaard is er sprake
van recht.
De samenleving en de inhoud van het recht verandert, behalve de
vindplaats van het recht of terwijl rechtsbronnen.
Rechtsbronnen bestaan uit:
1. De wet-en regelgeving
2. De jurisprudentie
3. De gewoonte
4. Verdragen
1. Wet-en regelgeving
De overheid stelt wetten vast die rechtsregels bevatten. De overheid
bestaat uit de centrale volksvertegenwoordiging, eerste en tweede kamer
(Staten-Generaal). Dit wordt ook wel de hogere overheidsorganen
genoemd. Onder de lagere overheidsorganen bevinden zich; minister,
Provinciale Staten en de gemeenteraad, zij kunnen rechtsregels
vaststellen.
De hoogste wetgever in NL is de Staten Generaal, die samen met de
regering instemt hoe de wet tot stand komt.
In een wetsartikel worden alle bepalingen genummerd. Een wetsartikel
kan bestaan uit meerdere leden. De titel wordt afgekort: BW staat voor
,Burgerlijk Wetboek. Art. 1:247 lid 1 BW, bv, is het eerste lid van artikel 247
in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Een wettenbundel is een verzameling van officiële wetten die door de
uitgever zijn geselecteerd en samen in een boek zijn opgenomen.
In NL is de hoogste wet de Grondwet. In lagere regelingen komt het
woord ‘wet’ niet voor. Een regeling die afkomstig is van de regering
(zonder Staten-Generaal) wordt een Koninklijk Besluit genoemd (KB).
Koninklijk Besluit bestaat uit de koning en de regering, die gevormd wordt
door ministers.
Een regering dat zich wel bezig houdt met regels en dit bevat, wordt een
algemene maatregel van bestuur (AMvB) genoemd.
Een regeling afkomstig van de minister wordt een ministeriële regeling
genoemd. Regelingen vanuit Provinciale Staten en of van de
gemeenteraad wordt een verordening genoemd.
Boven de Nederlands rechtsregels staat de Europese Unie. NL heeft een
deel van haar regelgevende bevoegdheden overgedragen aan de organen
van de EU. Deze organen stellen verordeningen en richtlijnen vast die
gelden in de gehele EU. Dit wordt gemeenschapsverordeningen en -
richtlijnen genoemd en staat zelfs boven de Grondwet.
2. Jurisprudentie
Jurisprudentie ontstaat doordat algemene regels in diverse wetten en in
de overige regelgeving moeten worden toegepast in individuele situaties
die vaak heel verschillend zijn.
Taak rechter:
Uit maken hoe de regels zijn bedoeld.
Rechtsregels interpreteren en de uitkomst formuleren van de
uitspraak.
Uitspraak: vonnis of arrest.
Een uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden (hoogste uitspraak)
wordt een arrest genoemd.
Stel er wordt gevraagd om een nieuwe uitspraak vanuit de rechters,
omdat er moet worden gekeken hoe goede zorg in de praktijk eruit ziet.
Word dit vanuit jurisprudentie ook wel rechtersrecht genoemd in.
3. Gewoonte
Net als jurisprudentie behoort tot het ongeschreven recht. De regels van
gewoonterecht zijn niet ergens opgetekend, maar ontstaan in de loop
van de tijd door het gebruik ervan in algemene kring. Deze regels komen
maar weinig voor. VB: de ongeschreven regel dat het kabinet het
vertrouwen moet hebben van de Tweede Kamer om te kunnen regeren.
Een gewoonte die in strijd gaat met het recht valt niet onder
gewoonterecht.
4. Verdrag
Verdragen zijn afspraken tussen 2 of meer staten die op schrift zijn gesteld
, en die gelden in de staten die partij zijn bij het verdrag. Dit moet wel
worden geratificeerd, dit wil zeggen: zich ermee akkoord hebben
verklaard.
Verdragsregels staan net als de regelgeving van de EU, boven de
rechtsregels die in NL zijn gemaakt.
1.3 Aard van de regels
Rechtsregels hebben niet allemaal dezelfde werking, zo wordt er een
onderscheid gemaakt tussen dwingend en aanvullend recht.
- Dwingend recht: regels waarvan niet mag worden afgeweken.
- Semidwingend recht: de mogelijkheid om zelf dingen nader te regelen.
- Aanvullend recht: regels die alleen gelden als specifieke afspraken
ontbreken.
Semidwingend en aanvullend recht komen vooral voor bij rechtsregels die
betrekking hebben op het sluiten van een overeenkomst.
In rechtsregels van dwingend recht staan vaak woorden als ‘moet’, ’is’,
‘verplicht’, ‘is nietig’.
Niet alle regels hebben dezelfde rechtskracht. De rechtskracht is
namelijk afhankelijk van het orgaan waarvan de regelgeving afkomstig is.
In deze regelgeving bestaat de volgende rangorde;
1. Verdragen. (EU)
2. Gemeenschapsverordeningen en richtlijnen. (EU)
3. Grondwet.
4. Overige wetten.
5. Algemene maatregelen van bestuur.
6. Ministeriële regelingen en richtlijnen.
7. Provinciale verordeningen.
8. Gemeentelijke verordeningen.
De bovenste regelingen staan boven de onderste regelingen.
Objectief recht:
Dit is het geheel van rechtsregels dat geldt binnen een bepaalde
samenleving op een bepaald moment. Je kunt het zien als het recht in
abstracte, algemene zin.
Het zijn wetten, regels en normen die door de overheid zijn
vastgesteld.
Bijvoorbeeld: het Wetboek van Strafrecht, het Burgerlijk Wetboek,
enz.
Het is algemeen en bindend voor iedereen.
Denk aan: “Wat zegt de wet?”
Subjectief recht
Dit is het recht dat een individu kan afleiden uit het objectieve recht. Het is
het persoonlijke recht van een individu om iets te doen, te eisen of te
bezitten.
Mens en recht
Hoofdstuk 1
1.1 Waarom is er recht?
Een chirurg voert een operatie uit, maar de patiënt is hier na afloop zo
ontevreden mee dat zij psychische klachten overhoudt. Is het de schuld
van de chirurg? De overheid verplicht burgers om belasting te betalen en
verdachten te vervolgen. In deze genoemde gevallen gaat het om
rechten en plichten van individuen en overheid. Rechten en plichten
komen voort uit normen en waarden, deze gelden algemeen in de
maatschappij. Het recht krijgt vorm door normen vast te leggen in
rechtsregels, hierin wordt duidelijk hoe regels gehandhaafd kunnen
worden.
Recht zorgt voor:
Doelmatige ordening aan de samenleving: bijv. verkeersregels en
eigendomsrecht
Spelregels: voor gedragingen tussen individuen onderling en
overheidshandelen
Sturing van gedrag: van individuele burgers in samenleving
Het recht is gericht op rechtvaardigheid. Niet iedereen kent zijn/haar
rechten en plichten en soms is er ook een spanningsveld door
verschillende belangentegenstellingen.
1.2 Vindplaatsen van het recht
Wanneer regels algemeen als rechtsregels worden aanvaard is er sprake
van recht.
De samenleving en de inhoud van het recht verandert, behalve de
vindplaats van het recht of terwijl rechtsbronnen.
Rechtsbronnen bestaan uit:
1. De wet-en regelgeving
2. De jurisprudentie
3. De gewoonte
4. Verdragen
1. Wet-en regelgeving
De overheid stelt wetten vast die rechtsregels bevatten. De overheid
bestaat uit de centrale volksvertegenwoordiging, eerste en tweede kamer
(Staten-Generaal). Dit wordt ook wel de hogere overheidsorganen
genoemd. Onder de lagere overheidsorganen bevinden zich; minister,
Provinciale Staten en de gemeenteraad, zij kunnen rechtsregels
vaststellen.
De hoogste wetgever in NL is de Staten Generaal, die samen met de
regering instemt hoe de wet tot stand komt.
In een wetsartikel worden alle bepalingen genummerd. Een wetsartikel
kan bestaan uit meerdere leden. De titel wordt afgekort: BW staat voor
,Burgerlijk Wetboek. Art. 1:247 lid 1 BW, bv, is het eerste lid van artikel 247
in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Een wettenbundel is een verzameling van officiële wetten die door de
uitgever zijn geselecteerd en samen in een boek zijn opgenomen.
In NL is de hoogste wet de Grondwet. In lagere regelingen komt het
woord ‘wet’ niet voor. Een regeling die afkomstig is van de regering
(zonder Staten-Generaal) wordt een Koninklijk Besluit genoemd (KB).
Koninklijk Besluit bestaat uit de koning en de regering, die gevormd wordt
door ministers.
Een regering dat zich wel bezig houdt met regels en dit bevat, wordt een
algemene maatregel van bestuur (AMvB) genoemd.
Een regeling afkomstig van de minister wordt een ministeriële regeling
genoemd. Regelingen vanuit Provinciale Staten en of van de
gemeenteraad wordt een verordening genoemd.
Boven de Nederlands rechtsregels staat de Europese Unie. NL heeft een
deel van haar regelgevende bevoegdheden overgedragen aan de organen
van de EU. Deze organen stellen verordeningen en richtlijnen vast die
gelden in de gehele EU. Dit wordt gemeenschapsverordeningen en -
richtlijnen genoemd en staat zelfs boven de Grondwet.
2. Jurisprudentie
Jurisprudentie ontstaat doordat algemene regels in diverse wetten en in
de overige regelgeving moeten worden toegepast in individuele situaties
die vaak heel verschillend zijn.
Taak rechter:
Uit maken hoe de regels zijn bedoeld.
Rechtsregels interpreteren en de uitkomst formuleren van de
uitspraak.
Uitspraak: vonnis of arrest.
Een uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden (hoogste uitspraak)
wordt een arrest genoemd.
Stel er wordt gevraagd om een nieuwe uitspraak vanuit de rechters,
omdat er moet worden gekeken hoe goede zorg in de praktijk eruit ziet.
Word dit vanuit jurisprudentie ook wel rechtersrecht genoemd in.
3. Gewoonte
Net als jurisprudentie behoort tot het ongeschreven recht. De regels van
gewoonterecht zijn niet ergens opgetekend, maar ontstaan in de loop
van de tijd door het gebruik ervan in algemene kring. Deze regels komen
maar weinig voor. VB: de ongeschreven regel dat het kabinet het
vertrouwen moet hebben van de Tweede Kamer om te kunnen regeren.
Een gewoonte die in strijd gaat met het recht valt niet onder
gewoonterecht.
4. Verdrag
Verdragen zijn afspraken tussen 2 of meer staten die op schrift zijn gesteld
, en die gelden in de staten die partij zijn bij het verdrag. Dit moet wel
worden geratificeerd, dit wil zeggen: zich ermee akkoord hebben
verklaard.
Verdragsregels staan net als de regelgeving van de EU, boven de
rechtsregels die in NL zijn gemaakt.
1.3 Aard van de regels
Rechtsregels hebben niet allemaal dezelfde werking, zo wordt er een
onderscheid gemaakt tussen dwingend en aanvullend recht.
- Dwingend recht: regels waarvan niet mag worden afgeweken.
- Semidwingend recht: de mogelijkheid om zelf dingen nader te regelen.
- Aanvullend recht: regels die alleen gelden als specifieke afspraken
ontbreken.
Semidwingend en aanvullend recht komen vooral voor bij rechtsregels die
betrekking hebben op het sluiten van een overeenkomst.
In rechtsregels van dwingend recht staan vaak woorden als ‘moet’, ’is’,
‘verplicht’, ‘is nietig’.
Niet alle regels hebben dezelfde rechtskracht. De rechtskracht is
namelijk afhankelijk van het orgaan waarvan de regelgeving afkomstig is.
In deze regelgeving bestaat de volgende rangorde;
1. Verdragen. (EU)
2. Gemeenschapsverordeningen en richtlijnen. (EU)
3. Grondwet.
4. Overige wetten.
5. Algemene maatregelen van bestuur.
6. Ministeriële regelingen en richtlijnen.
7. Provinciale verordeningen.
8. Gemeentelijke verordeningen.
De bovenste regelingen staan boven de onderste regelingen.
Objectief recht:
Dit is het geheel van rechtsregels dat geldt binnen een bepaalde
samenleving op een bepaald moment. Je kunt het zien als het recht in
abstracte, algemene zin.
Het zijn wetten, regels en normen die door de overheid zijn
vastgesteld.
Bijvoorbeeld: het Wetboek van Strafrecht, het Burgerlijk Wetboek,
enz.
Het is algemeen en bindend voor iedereen.
Denk aan: “Wat zegt de wet?”
Subjectief recht
Dit is het recht dat een individu kan afleiden uit het objectieve recht. Het is
het persoonlijke recht van een individu om iets te doen, te eisen of te
bezitten.