Neurofysiologie
Inleiding :
Biologie :
- Waarom biologie in studiegebied sociaal-agogisch werk?
Algemeen mensbeeld :
o BIO-PSYCHO-SOCIAAL model
Bio : neurologisch iets aan de hand die iets kan verklaren
Psycho : hoe zit dat in mekaar ?
Sociaal : link leggen met mensen rondom jou
Bv. Menselijk gedrag : agressie
Bio : een klap gekregen op zijn gezicht hersenbeschadiging
Psycho : door de persoonlijkheid; dat is nu net iemand die agressief is
Sociaal : vrienden hebben die ook agressief zijn (slechte vrienden)
Gedrag niet kunnen verklaren vanuit 1 v/d 3 :
MAAR : Vaak is het een samenspel v/d 3 soorten
DUS : Dit model staat niet los van mekaar :
- die beïnvloeden mekaar
- INTERACTIE aanwezig
o ICF :
= International Classificatie v/h menselijk functioneren
Gedrag vanuit 1 invalshoek bekijken
bepaalt je behandeling
- Sociaal-agogische richtingen :
Sociaal :
o aan de slag gaan met mensen
Agogisch :
o wetenschap/studie waarbij we kijken naar gedrag van mensen & die
bestuderen
Wetenschap over de oorzaken & gevolgen van menselijk gedrag
o Met als doel : Ermee aan de slag te gaan
o Vraag : Welk gedrag stelt zich precies ?
Menselijk gedrag in allerlei kanten beïnvloed
o PAS OP : Zowel erfelijke als omgevingsfactoren :
geen of dit of dat
DUS : Stuk interactie aanwezig tussen beide
DUS : Veranderingsprocessen
De mens = biologisch organisme :
,- De mens :
Orgaansystemen
Organen (specifiek)
Weefsels
Cellen (algemeen)
Moleculen
- Cel :
= kleinste onderdeel v/d mens
daarin zit ons DNA
kunnen zich bundelen tot weefsels
afgebakend iets dat mooi in omhulsel zit (= membraan)
= vlies rond die cel
o houdt alles samen
o er kan informatie-uitwisseling zijn binnen & buiten de cel
o MAAR : Poriën laten niet alles door
beslissen wat er binnen mag en wat niet
Cytoplasma :
= waterachtige vloeistof in cel waarin verschillende delen zitten
o delen v/d cel = organellen
Organellen :
1. Centriolen :
= belangrijk organel die een cruciale functie hebben bij celdeling
o Celdeling :
zorgt voor het aanmaak van nieuwe cellen
belangrijk ! (dagelijks nodig om groeien, herstellen…)
2. Mitochondriën :
o Belangrijk :
zijn energiecentrales v/d cel (zorgen voor energie)
stuk erfelijk materiaal zit daarin (andere stuk zit in de celkern)
= mitochondriale DNA
3. Ribosomen :
= de zogenaamde gsm’s v/d cel
o gaan erfelijke codes gaan omzetten naar eigenschap van DNA
code omgezet in lichaamseigenschappen
o DUS : Ze zijn de vertalers
Nucleolus :
= celkern; belangrijkste deel waar grootste stuk DNA zit
o Geen organel :
ondersteunt de functie niet v/d cel
o
Verschillende
Celmembraan cellen
: verschillende orgaansystemen :
o=allemaal
membraanverschillend, toch hetzelfde
rond de celkern
zien er verschillend uit
, hebben toch dezelfde onderdelen
DUS : Vorm volgt functie
o Soorten :
Pigmentcel: de huid
Beencel: skelet
Spiercellen: spierstelsel
Kliercel: endocrien stelsel
Bloedcellen: hart en bloedvaten stelsel
Zaadcel: voortplantingsstelsel
Zenuwcel: zenuwstelsel
o MERK OP : Stamcellen
= basiscel
= cel die nog niet gespecialiseerd is, maar kan uitgroeien tot specifieke cel
Belangrijk : bij behandelingen van bepaalde aandoening
Bv. Leukemie :
= een fout bij aanmaak van witte bloedcellen; teveel aanmaak
- witte bloedcellen zorgen voor immuniteit (ziek? aangepast)
- Behandeling met stamcellen :
=> alle zieke witte bloedcellen vernietigen
=> stamcellen toedienen & hopen dat ze groeien tot gezonde witte
bloedcellen
‘hopen’ : soms loopt het goed, maar soms ook niet
Waar haalt men die stamcellen ?
- vaak bij vrouwen (in navelstreng zitten er stamcellen)
- Weefsel :
= cellen van dezelfde soort
te bestuderen onder microscoop
specifieke rangschikking :
o om functie te kunnen uitoefenen
Soorten :
o Bv. Zenuwweefsel : impulsen, info, signalen doorgeven
- Organen :
= opgebouwd uit 2 of meer weefseltypes
, verschillende weefseltypes voeren dezelfde functie uit
verschillende organen bundelen zich tot orgaanstelsel
Orgaanstelsel :
= minstens 2 organen
o samen staan de verschillende organen in voor dezelfde functie
o zenuwbanen lopen door heel ons lichaam
signalen doorsturen
- Neurofysiologie :
Werking wordt bestudeerd
Neuro :
o neuronen => zenuwcellen => zenuwstelsel
Anatomie :
= vorm, hoe ziet het eruit?
= studie van inwendige en uitwendige structuur & fysieke relatie tussen
lichaamsdelen
o bestuderen om fysiologie te kunnen bekijken
Fysiologie :
= functie, werking v/d anatomie
= studie van levensfuncties van levende organismen
o bestuderen om anatomie te kunnen bekijken
o Bekijken bij het anders werken
als bv. hersenen ziek zijn, hoe werkt dat?
ALGEMEEN : Cel
BIJZONDER : Weefsels, organen, stelsel
TOEGEPAST : Inspanning, omgeving, leeftijd, geslacht, ziekte,…
- Zenuwstelsel :
Opdeling :
o Centraal Zenuwstelsel (CZS) :
werkt als besturingscentrum voor ZS
verwerkt info
biedt regulering op korte termijn v/d activiteiten van andere stelsels
Bv. Honger : maag begint te grommelen
o Hersenen :
verrichten complexe integratiefuncties
Bv. wat je ziet op het scherm gaat samen met wat we horen
reguleren willekeurige & onwillekeurige activiteiten
Willekeurige activiteiten :
- bestudeert door de wil (zaken die je bewust doet)
o Ruggenmerg :
Onwillekeurige activiteiten :
= verbinding tussen
- automatisch perifeer ZS en hersenen
gebeuren
geleidt info van & naar de hersenen
Inleiding :
Biologie :
- Waarom biologie in studiegebied sociaal-agogisch werk?
Algemeen mensbeeld :
o BIO-PSYCHO-SOCIAAL model
Bio : neurologisch iets aan de hand die iets kan verklaren
Psycho : hoe zit dat in mekaar ?
Sociaal : link leggen met mensen rondom jou
Bv. Menselijk gedrag : agressie
Bio : een klap gekregen op zijn gezicht hersenbeschadiging
Psycho : door de persoonlijkheid; dat is nu net iemand die agressief is
Sociaal : vrienden hebben die ook agressief zijn (slechte vrienden)
Gedrag niet kunnen verklaren vanuit 1 v/d 3 :
MAAR : Vaak is het een samenspel v/d 3 soorten
DUS : Dit model staat niet los van mekaar :
- die beïnvloeden mekaar
- INTERACTIE aanwezig
o ICF :
= International Classificatie v/h menselijk functioneren
Gedrag vanuit 1 invalshoek bekijken
bepaalt je behandeling
- Sociaal-agogische richtingen :
Sociaal :
o aan de slag gaan met mensen
Agogisch :
o wetenschap/studie waarbij we kijken naar gedrag van mensen & die
bestuderen
Wetenschap over de oorzaken & gevolgen van menselijk gedrag
o Met als doel : Ermee aan de slag te gaan
o Vraag : Welk gedrag stelt zich precies ?
Menselijk gedrag in allerlei kanten beïnvloed
o PAS OP : Zowel erfelijke als omgevingsfactoren :
geen of dit of dat
DUS : Stuk interactie aanwezig tussen beide
DUS : Veranderingsprocessen
De mens = biologisch organisme :
,- De mens :
Orgaansystemen
Organen (specifiek)
Weefsels
Cellen (algemeen)
Moleculen
- Cel :
= kleinste onderdeel v/d mens
daarin zit ons DNA
kunnen zich bundelen tot weefsels
afgebakend iets dat mooi in omhulsel zit (= membraan)
= vlies rond die cel
o houdt alles samen
o er kan informatie-uitwisseling zijn binnen & buiten de cel
o MAAR : Poriën laten niet alles door
beslissen wat er binnen mag en wat niet
Cytoplasma :
= waterachtige vloeistof in cel waarin verschillende delen zitten
o delen v/d cel = organellen
Organellen :
1. Centriolen :
= belangrijk organel die een cruciale functie hebben bij celdeling
o Celdeling :
zorgt voor het aanmaak van nieuwe cellen
belangrijk ! (dagelijks nodig om groeien, herstellen…)
2. Mitochondriën :
o Belangrijk :
zijn energiecentrales v/d cel (zorgen voor energie)
stuk erfelijk materiaal zit daarin (andere stuk zit in de celkern)
= mitochondriale DNA
3. Ribosomen :
= de zogenaamde gsm’s v/d cel
o gaan erfelijke codes gaan omzetten naar eigenschap van DNA
code omgezet in lichaamseigenschappen
o DUS : Ze zijn de vertalers
Nucleolus :
= celkern; belangrijkste deel waar grootste stuk DNA zit
o Geen organel :
ondersteunt de functie niet v/d cel
o
Verschillende
Celmembraan cellen
: verschillende orgaansystemen :
o=allemaal
membraanverschillend, toch hetzelfde
rond de celkern
zien er verschillend uit
, hebben toch dezelfde onderdelen
DUS : Vorm volgt functie
o Soorten :
Pigmentcel: de huid
Beencel: skelet
Spiercellen: spierstelsel
Kliercel: endocrien stelsel
Bloedcellen: hart en bloedvaten stelsel
Zaadcel: voortplantingsstelsel
Zenuwcel: zenuwstelsel
o MERK OP : Stamcellen
= basiscel
= cel die nog niet gespecialiseerd is, maar kan uitgroeien tot specifieke cel
Belangrijk : bij behandelingen van bepaalde aandoening
Bv. Leukemie :
= een fout bij aanmaak van witte bloedcellen; teveel aanmaak
- witte bloedcellen zorgen voor immuniteit (ziek? aangepast)
- Behandeling met stamcellen :
=> alle zieke witte bloedcellen vernietigen
=> stamcellen toedienen & hopen dat ze groeien tot gezonde witte
bloedcellen
‘hopen’ : soms loopt het goed, maar soms ook niet
Waar haalt men die stamcellen ?
- vaak bij vrouwen (in navelstreng zitten er stamcellen)
- Weefsel :
= cellen van dezelfde soort
te bestuderen onder microscoop
specifieke rangschikking :
o om functie te kunnen uitoefenen
Soorten :
o Bv. Zenuwweefsel : impulsen, info, signalen doorgeven
- Organen :
= opgebouwd uit 2 of meer weefseltypes
, verschillende weefseltypes voeren dezelfde functie uit
verschillende organen bundelen zich tot orgaanstelsel
Orgaanstelsel :
= minstens 2 organen
o samen staan de verschillende organen in voor dezelfde functie
o zenuwbanen lopen door heel ons lichaam
signalen doorsturen
- Neurofysiologie :
Werking wordt bestudeerd
Neuro :
o neuronen => zenuwcellen => zenuwstelsel
Anatomie :
= vorm, hoe ziet het eruit?
= studie van inwendige en uitwendige structuur & fysieke relatie tussen
lichaamsdelen
o bestuderen om fysiologie te kunnen bekijken
Fysiologie :
= functie, werking v/d anatomie
= studie van levensfuncties van levende organismen
o bestuderen om anatomie te kunnen bekijken
o Bekijken bij het anders werken
als bv. hersenen ziek zijn, hoe werkt dat?
ALGEMEEN : Cel
BIJZONDER : Weefsels, organen, stelsel
TOEGEPAST : Inspanning, omgeving, leeftijd, geslacht, ziekte,…
- Zenuwstelsel :
Opdeling :
o Centraal Zenuwstelsel (CZS) :
werkt als besturingscentrum voor ZS
verwerkt info
biedt regulering op korte termijn v/d activiteiten van andere stelsels
Bv. Honger : maag begint te grommelen
o Hersenen :
verrichten complexe integratiefuncties
Bv. wat je ziet op het scherm gaat samen met wat we horen
reguleren willekeurige & onwillekeurige activiteiten
Willekeurige activiteiten :
- bestudeert door de wil (zaken die je bewust doet)
o Ruggenmerg :
Onwillekeurige activiteiten :
= verbinding tussen
- automatisch perifeer ZS en hersenen
gebeuren
geleidt info van & naar de hersenen