Samenvatting Crimi en Politiek
1. Les 1
Vragen examen:
- Eerste vraag is kennis vraag: ken je een bepaald begrip en kan je dat
situeren in het ruimere veiligheidsbeleid. Voorbeeld wat is het
dominante beeld op veiligheid in de jaren 90 en plaats dit in het
ruimere veiligheidsbeleid
- Tweede vraag is meer opiniëren = je krijgt een aantal stellingen één
staat in de examennota, je moet je standpunt ten aanzien van die
stelling geven en argumenten gebruiken vanuit de cursus en dan
ook tegenargumenten geven, ongeveer anderhalve bladzijde
schrijven hierover.
1.1. Doelstelling
De studie van criminaliteit als politiek construct
- We behandelen de belangrijkste evoluties in het
criminaliteitsbeleid in België met een bijzondere focus op de
evoluties na WOII. We gaan ons daarbij focussen op specifieke
vraagstukken die dat veiligheidsbeleid mee bepalen (vb. de crisis
van de democratie, populisme, evidence based policymaking,
whole-of-government benadering, marktdenken)
- We kijken naar de manier waarop beleidskeuzes tot stand komen
en we leggen ons daarbij specifiek toe op het vraagstuk van
beleidsinnovatie.
- We kijken naar specifieke strategieën die overheden hanteren om
gedrag te sturen (“orde scheppen in de samenleving”, vb.
nudging, biopolitics en necropolitics).
1.2. Schriftelijk examen
Open vragen op basis van de slides HOC en teksten die je terugvindt op
CANVAS (examen op 20 punten)
, 1.3. Strafrechtelijk beleid >< criminele politiek
Strafrechtelijk beleid: keuzes gericht op de werking van de
strafrechtsbedeling
Criminele politiek: keuzes gericht op (het optimaliseren van) de reactie
op criminaliteit (en ander afwijkend gedrag)
- De strafrechtsbedeling is maar één instrument in de
maatschappelijke reactie op deviantie
- Die reactie kan andere doelen hebben dan louter bestraffend,
repressief of handhavend (vb. preventie)
1.4. Een eigen strafwet en handhavingsapparaat
- Van 1830 – 1850: armoede, economische crisis en snel stijgende
criminaliteitscijfers
- Reageren op criminaliteit gebeurt in hoofdzaak via wetgeving
o Focus op beheer van buitenlanders in een postrevolutionair
klimaat (zie ook oprichting staatsveiligheid)
o Focus op de ontwikkeling van eigen wetboeken
o Gerechtelijke organisatie en strafvordering laten weinig of
geen beleidsruimte toe (geen opsporingsonderzoek, geen
opportuniteitsbeginsel)
o Moeilijke zoektocht naar een evenwicht tussen de
verschillende machten.
- Discussie over bestraffing (lijfstraffen, doodstraf, gevangenisstraf
– vb. herinvoering van de doodstraf in 1835)
- Edouard Ducpétiaux: gevangenisstraf moet leiden tot de morele
verbetering van de delinquent.
o Die doelstelling vereist volgens denkbeelden van die tijd
een grondige herziening van het gevangenisregime dat als
te mild werd omschreven; morele verbetering vereist
cellulaire afzondering. Vertrekpunt was het idee van de vrije
mens die voor criminaliteit kiest en door een verblijf in de
gevangenis zal beseffen dat hij foute keuzes heeft gemaakt.
, De duur van de gevangenis moet daarom in verhouding
staan tot het misdrijf (een zwaarder misdrijf vereist meer
tijd om tot inkeer en inzicht te komen).
o De straf is in de eerste plaats een reactie op een misdrijf;
met de persoonlijkheid van de dader wordt in deze fase
geen rekening gehouden.
1867: herziening van het strafwetboek: filosofie van de klassieke school
- Minder focus op afschrikking (vb. afschaffen van lijfstraffen, maar
niet van de doodstraf).
- Introductie van de wet op de verzachtende omstandigheden
(rechter krijgt grotere discretionaire ruimte, maar echt sprake van
een straftoemetingsbeleid is er niet)
De eerste decennia na de Belgische onafhankelijkheid:
- De wetgever is de belangrijkste actor van het strafrechtelijk
beleid. België is een nachtwakerstaat, d.w.z. dat de interventie
van de overheid in het leven van burgers eerder beperkt is.
- Focus ligt op bepalen van misdrijf en straf en de uitbouw van een
handhavingsapparaat (o.m. oprichting gendarmerie en de
gemeentepolitie)
- Belgische strafrechtsbedeling naar Frans model: zeer hiërarchisch
ter handhaving van de strafrechtelijke norm.
- De Minister van Justitie was geen belangrijke actor (!)
1.5. Evolutie naar een daderbeleid
- Vanaf 1875: belangrijke socio-economische en politieke
omwentelingen. We zien een evolutie naar een meer
interventionistische overheid (!)
, - Die transformatie brengt andere denkbeelden mee o.v.v. de
aanpak van criminaliteit. Ontwikkelingen waarin ook de
ontluikende wetenschap een belangrijke rol speelt (vb. de
criminele antropologie en de Franse milieuschool)
- We evolueren naar een meer deterministisch mensbeeld, wat tot
spanningen leidt met de uitgangspunten van de klassieke school;
de schuldnotie ruimt plaats voor de notie van gevaar. De
persoonlijkheid van de delinquent komt centraal te staan.
1.6. Adolphe Prins
Sociaal verweer (Défense Sociale)
- Uitgangspunt: het klassiek strafrecht en de klassieke
strafrechtsbedeling beschikken niet over efficiënte middelen om
de massale criminaliteit en recidivisme van die tijd tegen te gaan
- Progressief-liberale visie: de staat mag krachtdadig optreden
tegen
- Er zijn individuen (categorieën van mensen) die niet meer
individueel aansprakelijk kunnen gesteld worden, en dus niet
meer kunnen worden gestraft Ontoerekeningsvatbaar
Progressief-liberale visie: de maatschappij heeft het recht zich te verweren
tegen gevaarlijke mensen (gevaarsnotie!).
- Omwille van gevaarlijkheid: onderworpen worden aan
maatregelen die niet strafrechtelijk zijn
o Bv. landlopers, daklozen, ‘administratieve voogdij voor
minderjarigen/geestesgestoorden’
o Bv. jongeren die zich crimineel gedragen moeten uit het
milieu worden gehaald en onderworpen worden aan
opvoedkundige maatregelen
- Gevaarnotie -> preventieve maatregelen/ vroegtijdig optreden!
1. Les 1
Vragen examen:
- Eerste vraag is kennis vraag: ken je een bepaald begrip en kan je dat
situeren in het ruimere veiligheidsbeleid. Voorbeeld wat is het
dominante beeld op veiligheid in de jaren 90 en plaats dit in het
ruimere veiligheidsbeleid
- Tweede vraag is meer opiniëren = je krijgt een aantal stellingen één
staat in de examennota, je moet je standpunt ten aanzien van die
stelling geven en argumenten gebruiken vanuit de cursus en dan
ook tegenargumenten geven, ongeveer anderhalve bladzijde
schrijven hierover.
1.1. Doelstelling
De studie van criminaliteit als politiek construct
- We behandelen de belangrijkste evoluties in het
criminaliteitsbeleid in België met een bijzondere focus op de
evoluties na WOII. We gaan ons daarbij focussen op specifieke
vraagstukken die dat veiligheidsbeleid mee bepalen (vb. de crisis
van de democratie, populisme, evidence based policymaking,
whole-of-government benadering, marktdenken)
- We kijken naar de manier waarop beleidskeuzes tot stand komen
en we leggen ons daarbij specifiek toe op het vraagstuk van
beleidsinnovatie.
- We kijken naar specifieke strategieën die overheden hanteren om
gedrag te sturen (“orde scheppen in de samenleving”, vb.
nudging, biopolitics en necropolitics).
1.2. Schriftelijk examen
Open vragen op basis van de slides HOC en teksten die je terugvindt op
CANVAS (examen op 20 punten)
, 1.3. Strafrechtelijk beleid >< criminele politiek
Strafrechtelijk beleid: keuzes gericht op de werking van de
strafrechtsbedeling
Criminele politiek: keuzes gericht op (het optimaliseren van) de reactie
op criminaliteit (en ander afwijkend gedrag)
- De strafrechtsbedeling is maar één instrument in de
maatschappelijke reactie op deviantie
- Die reactie kan andere doelen hebben dan louter bestraffend,
repressief of handhavend (vb. preventie)
1.4. Een eigen strafwet en handhavingsapparaat
- Van 1830 – 1850: armoede, economische crisis en snel stijgende
criminaliteitscijfers
- Reageren op criminaliteit gebeurt in hoofdzaak via wetgeving
o Focus op beheer van buitenlanders in een postrevolutionair
klimaat (zie ook oprichting staatsveiligheid)
o Focus op de ontwikkeling van eigen wetboeken
o Gerechtelijke organisatie en strafvordering laten weinig of
geen beleidsruimte toe (geen opsporingsonderzoek, geen
opportuniteitsbeginsel)
o Moeilijke zoektocht naar een evenwicht tussen de
verschillende machten.
- Discussie over bestraffing (lijfstraffen, doodstraf, gevangenisstraf
– vb. herinvoering van de doodstraf in 1835)
- Edouard Ducpétiaux: gevangenisstraf moet leiden tot de morele
verbetering van de delinquent.
o Die doelstelling vereist volgens denkbeelden van die tijd
een grondige herziening van het gevangenisregime dat als
te mild werd omschreven; morele verbetering vereist
cellulaire afzondering. Vertrekpunt was het idee van de vrije
mens die voor criminaliteit kiest en door een verblijf in de
gevangenis zal beseffen dat hij foute keuzes heeft gemaakt.
, De duur van de gevangenis moet daarom in verhouding
staan tot het misdrijf (een zwaarder misdrijf vereist meer
tijd om tot inkeer en inzicht te komen).
o De straf is in de eerste plaats een reactie op een misdrijf;
met de persoonlijkheid van de dader wordt in deze fase
geen rekening gehouden.
1867: herziening van het strafwetboek: filosofie van de klassieke school
- Minder focus op afschrikking (vb. afschaffen van lijfstraffen, maar
niet van de doodstraf).
- Introductie van de wet op de verzachtende omstandigheden
(rechter krijgt grotere discretionaire ruimte, maar echt sprake van
een straftoemetingsbeleid is er niet)
De eerste decennia na de Belgische onafhankelijkheid:
- De wetgever is de belangrijkste actor van het strafrechtelijk
beleid. België is een nachtwakerstaat, d.w.z. dat de interventie
van de overheid in het leven van burgers eerder beperkt is.
- Focus ligt op bepalen van misdrijf en straf en de uitbouw van een
handhavingsapparaat (o.m. oprichting gendarmerie en de
gemeentepolitie)
- Belgische strafrechtsbedeling naar Frans model: zeer hiërarchisch
ter handhaving van de strafrechtelijke norm.
- De Minister van Justitie was geen belangrijke actor (!)
1.5. Evolutie naar een daderbeleid
- Vanaf 1875: belangrijke socio-economische en politieke
omwentelingen. We zien een evolutie naar een meer
interventionistische overheid (!)
, - Die transformatie brengt andere denkbeelden mee o.v.v. de
aanpak van criminaliteit. Ontwikkelingen waarin ook de
ontluikende wetenschap een belangrijke rol speelt (vb. de
criminele antropologie en de Franse milieuschool)
- We evolueren naar een meer deterministisch mensbeeld, wat tot
spanningen leidt met de uitgangspunten van de klassieke school;
de schuldnotie ruimt plaats voor de notie van gevaar. De
persoonlijkheid van de delinquent komt centraal te staan.
1.6. Adolphe Prins
Sociaal verweer (Défense Sociale)
- Uitgangspunt: het klassiek strafrecht en de klassieke
strafrechtsbedeling beschikken niet over efficiënte middelen om
de massale criminaliteit en recidivisme van die tijd tegen te gaan
- Progressief-liberale visie: de staat mag krachtdadig optreden
tegen
- Er zijn individuen (categorieën van mensen) die niet meer
individueel aansprakelijk kunnen gesteld worden, en dus niet
meer kunnen worden gestraft Ontoerekeningsvatbaar
Progressief-liberale visie: de maatschappij heeft het recht zich te verweren
tegen gevaarlijke mensen (gevaarsnotie!).
- Omwille van gevaarlijkheid: onderworpen worden aan
maatregelen die niet strafrechtelijk zijn
o Bv. landlopers, daklozen, ‘administratieve voogdij voor
minderjarigen/geestesgestoorden’
o Bv. jongeren die zich crimineel gedragen moeten uit het
milieu worden gehaald en onderworpen worden aan
opvoedkundige maatregelen
- Gevaarnotie -> preventieve maatregelen/ vroegtijdig optreden!