SV Economie
H0 INLEIDING
Economie: studie van het menselijk streven naar bevrediging van behoeften met behulp van schaarse
middelen.
■ Behoefte
– Primair/immaterieel
– Individueel/Collectief
Welvaart
• Mate waarin mensen met schaarse middelen in behoeften kunnen voorzien.
Welzijn
• Bredere invulling
• Gevoel van ‘welbevinden’
• Bevrediging van verlangens
SOORTEN GOEDEREN
3 productiefactoren:
• Natuur
• Arbeid
• Kapitaal
1
,SV Economie
De ceteris-paribusclausule: = als het overige gelijk is, onder overigens gelijke omstandigheden.
Vb. "Als alleen de prijs stijgt (en alle andere factoren hetzelfde blijven, zoals inkomen, voorkeuren en
prijzen van andere producten), dan zal de vraag naar brood dalen."
1 Micro-economie
Onderzoekt het gedrag van individuele huishoudens en bedrijven.
Voorbeeld: Hoeveel brood koopt een gezin als de prijs stijgt? Hoe bepaalt een bakker zijn verkoopprijs?
2 Meso-economie
Kijkt naar specifieke groepen binnen de economie, zoals een bedrijfstak, sector of regio.
Voorbeeld: Hoe presteert de Nederlandse auto-industrie? Wat is de werkloosheid in een bepaalde
provincie?
3 Macro-economie
Bestudeert de economie als geheel: alle gezinnen, bedrijven en de overheid samen.
Voorbeeld: Hoe groeit de economie van Nederland? Wat is de totale werkloosheid of inflatie in een land.
H1 CONSUMENTEN
1.1 KEUZE VAN DE OPTIMALE GOEDERENCOMBINATIES
Doel consument = zoveel mogelijk nut
Hoe kiezen?
Economische factoren:
➢ Prijzen van goederen
➢ Het beschikbaar inkomen (= budget)
Niet-economische factoren:
➢ voorkeuren of preferenties
1.1.1 PREFERENTIES
• Factor in bepalen van keuze
• Subjectief – een gegeven voor de economie
Behoeften worden bepaald door:
Sociologische factoren: gezinssituatie, sociale klasse, religie, woonplaats, nationaliteit.
Psychologische factoren: persoonlijkheid (karakter), levensstijl en attitude.
> Bandwagoneffect vs snobeffect (design kledij, sportwagens, kunst…)
Bandwagoneffect
Mensen kopen iets omdat anderen het ook doen.
Voorbeeld: Populaire sneakers worden gewild omdat iedereen ze draagt.
2
,SV Economie
Snobeffect
Mensen kopen iets juist omdat weinig anderen het hebben.
Voorbeeld: Een exclusieve designerhandtas wordt begeerd vanwege de zeldzaamheid.
Preferenties kunnen veranderen in tijd.
EERSTE WET VAN GOSSEN= WET VAN DALEND GRENSNUT
De wet zegt: naarmate men meer beschikt over een aantal eenheden van een bepaald goed, daalt voor
de consument het nut dat de laatste eenheid aan het totale nut toevoegt.
Marginale nut of grensnut: het nut van de laatst toegevoegde eenheid (daalt)
Vb. Het eerste glas water als je dorst hebt, geeft veel nut. Het tweede glas minder, en het derde glas nog
minder, omdat je dorst al grotendeels weg is.
Indifferentiecurve = voorstelling van de voorkeuren van de individuele consument
= geeft alle goederencombinaties weer die voor de consument hetzelfde nut opleveren.!!!
• Enkele opmerkingen:
- Hoe verder de I-curve van de oorsprong, hoe meer nut deze zal opleveren.
Bv Alle goederencombinaties op I3 brengen meer nut op dan deze op I2 en I1
→ I3 hoogste welvaart
→ een consument zal dus altijd kiezen voor een combinatie op I3 aangezien hij het
hoogst mogelijke nu wil bereiken.
- I-curves verlopen dalend: negatieve relatie tussen de 2 producten.
Bv als de consument meer broodjes gezond wil, zal hij sowieso minder
pintjes kopen.
I-curves zijn convex (gebogen): beide goederen zijn door elkaar te vervangen, maar
vanaf een punt zal de consument veel minder bereid zijn dit te doen.
Bv. Als de consument al héél veel broodjes gezond heeft en maar weinig pintjes, zal het
nut van een extra pintjes zeer groot zijn. Als hij al heel veel pintjes heeft, is de consument niet meer breid
om nog broodjes gezond om te ruilen tegen pintjes. In dit geval zal hij al zeer veel pintjes moeten
ontvangen om het verlies van een klein beetje broodjes gezond te compenseren.
I-curves snijden elkaar niet:
Indien dit wel zo zou zijn zou dit inhouden dat er in 1 punt 2 verschillende niveaus van nut bestaan en dit
is niet mogelijk
Hoe maakt een consument keuzes?
• Indifferentiecurve beschrijft de voorkeur van de consumenten
3
, SV Economie
• Budgetcurve beschrijft de financiële mogelijkheden van de consument
→ prijzen van de goederen
→ beschikbaar budget van de consument
→ De combinatie van de twee laat zien welke keuze de consument zal maken.
Budgetlijn= de rechte die combinaties van 2 goederen weergeeft die de consument met een bepaald
budget kan aanschaffen rekening houdend met de prijzen van de goederen.
Voorbeeld opstellen budgetlijn:
• Gegeven
- Inkomen = 300 euro (wordt volledig besteed)
- Prijs pintje = 2,50 euro
- Prijs broodje gezond = 4 euro
• Budgetvergelijking: Pp . Qp + Pb . Qb = Y
- € 2,50 . Qpintje + € 4,00 . Qbroodje = 300 EUR
300/4= 75
300/2,5= 120
Blauwe rechte= budgetlijn
Punt C = optimale goederencombinatie
4
H0 INLEIDING
Economie: studie van het menselijk streven naar bevrediging van behoeften met behulp van schaarse
middelen.
■ Behoefte
– Primair/immaterieel
– Individueel/Collectief
Welvaart
• Mate waarin mensen met schaarse middelen in behoeften kunnen voorzien.
Welzijn
• Bredere invulling
• Gevoel van ‘welbevinden’
• Bevrediging van verlangens
SOORTEN GOEDEREN
3 productiefactoren:
• Natuur
• Arbeid
• Kapitaal
1
,SV Economie
De ceteris-paribusclausule: = als het overige gelijk is, onder overigens gelijke omstandigheden.
Vb. "Als alleen de prijs stijgt (en alle andere factoren hetzelfde blijven, zoals inkomen, voorkeuren en
prijzen van andere producten), dan zal de vraag naar brood dalen."
1 Micro-economie
Onderzoekt het gedrag van individuele huishoudens en bedrijven.
Voorbeeld: Hoeveel brood koopt een gezin als de prijs stijgt? Hoe bepaalt een bakker zijn verkoopprijs?
2 Meso-economie
Kijkt naar specifieke groepen binnen de economie, zoals een bedrijfstak, sector of regio.
Voorbeeld: Hoe presteert de Nederlandse auto-industrie? Wat is de werkloosheid in een bepaalde
provincie?
3 Macro-economie
Bestudeert de economie als geheel: alle gezinnen, bedrijven en de overheid samen.
Voorbeeld: Hoe groeit de economie van Nederland? Wat is de totale werkloosheid of inflatie in een land.
H1 CONSUMENTEN
1.1 KEUZE VAN DE OPTIMALE GOEDERENCOMBINATIES
Doel consument = zoveel mogelijk nut
Hoe kiezen?
Economische factoren:
➢ Prijzen van goederen
➢ Het beschikbaar inkomen (= budget)
Niet-economische factoren:
➢ voorkeuren of preferenties
1.1.1 PREFERENTIES
• Factor in bepalen van keuze
• Subjectief – een gegeven voor de economie
Behoeften worden bepaald door:
Sociologische factoren: gezinssituatie, sociale klasse, religie, woonplaats, nationaliteit.
Psychologische factoren: persoonlijkheid (karakter), levensstijl en attitude.
> Bandwagoneffect vs snobeffect (design kledij, sportwagens, kunst…)
Bandwagoneffect
Mensen kopen iets omdat anderen het ook doen.
Voorbeeld: Populaire sneakers worden gewild omdat iedereen ze draagt.
2
,SV Economie
Snobeffect
Mensen kopen iets juist omdat weinig anderen het hebben.
Voorbeeld: Een exclusieve designerhandtas wordt begeerd vanwege de zeldzaamheid.
Preferenties kunnen veranderen in tijd.
EERSTE WET VAN GOSSEN= WET VAN DALEND GRENSNUT
De wet zegt: naarmate men meer beschikt over een aantal eenheden van een bepaald goed, daalt voor
de consument het nut dat de laatste eenheid aan het totale nut toevoegt.
Marginale nut of grensnut: het nut van de laatst toegevoegde eenheid (daalt)
Vb. Het eerste glas water als je dorst hebt, geeft veel nut. Het tweede glas minder, en het derde glas nog
minder, omdat je dorst al grotendeels weg is.
Indifferentiecurve = voorstelling van de voorkeuren van de individuele consument
= geeft alle goederencombinaties weer die voor de consument hetzelfde nut opleveren.!!!
• Enkele opmerkingen:
- Hoe verder de I-curve van de oorsprong, hoe meer nut deze zal opleveren.
Bv Alle goederencombinaties op I3 brengen meer nut op dan deze op I2 en I1
→ I3 hoogste welvaart
→ een consument zal dus altijd kiezen voor een combinatie op I3 aangezien hij het
hoogst mogelijke nu wil bereiken.
- I-curves verlopen dalend: negatieve relatie tussen de 2 producten.
Bv als de consument meer broodjes gezond wil, zal hij sowieso minder
pintjes kopen.
I-curves zijn convex (gebogen): beide goederen zijn door elkaar te vervangen, maar
vanaf een punt zal de consument veel minder bereid zijn dit te doen.
Bv. Als de consument al héél veel broodjes gezond heeft en maar weinig pintjes, zal het
nut van een extra pintjes zeer groot zijn. Als hij al heel veel pintjes heeft, is de consument niet meer breid
om nog broodjes gezond om te ruilen tegen pintjes. In dit geval zal hij al zeer veel pintjes moeten
ontvangen om het verlies van een klein beetje broodjes gezond te compenseren.
I-curves snijden elkaar niet:
Indien dit wel zo zou zijn zou dit inhouden dat er in 1 punt 2 verschillende niveaus van nut bestaan en dit
is niet mogelijk
Hoe maakt een consument keuzes?
• Indifferentiecurve beschrijft de voorkeur van de consumenten
3
, SV Economie
• Budgetcurve beschrijft de financiële mogelijkheden van de consument
→ prijzen van de goederen
→ beschikbaar budget van de consument
→ De combinatie van de twee laat zien welke keuze de consument zal maken.
Budgetlijn= de rechte die combinaties van 2 goederen weergeeft die de consument met een bepaald
budget kan aanschaffen rekening houdend met de prijzen van de goederen.
Voorbeeld opstellen budgetlijn:
• Gegeven
- Inkomen = 300 euro (wordt volledig besteed)
- Prijs pintje = 2,50 euro
- Prijs broodje gezond = 4 euro
• Budgetvergelijking: Pp . Qp + Pb . Qb = Y
- € 2,50 . Qpintje + € 4,00 . Qbroodje = 300 EUR
300/4= 75
300/2,5= 120
Blauwe rechte= budgetlijn
Punt C = optimale goederencombinatie
4