Tessa Muyzers
2024-2025
Inhoud
Evolutionaire psychologie ........................................................................................................3
Altruïsme en natuurlijke selectie ..........................................................................................3
Seksuele selectie en sekseverschillen in gedrag ....................................................................6
Sociale interactie en dilemma’s ............................................................................................. 12
Hoe werkt een collective? .................................................................................................. 12
Voorbij direct eigenbelang: Transformatie van situaties ....................................................... 14
Agressie ................................................................................................................................ 21
Theorieën over agressie...................................................................................................... 21
Persoonlijke en situationele variabelen ............................................................................... 26
Agressie als een maatschappelijk probleem ....................................................................... 29
Preventie en interventie ...................................................................................................... 32
Psychopathie ..................................................................................................................... 33
Prosociaal gedrag .................................................................................................................. 37
Helpen en altruïsme........................................................................................................... 37
Waarom we niet helpen ...................................................................................................... 39
Waarom we wel helpen ...................................................................................................... 43
Vraagstukken in het onderzoek naar prosociaal gedrag ........................................................ 47
Evolutie en neurowetenschappen ....................................................................................... 51
Sociale invloed ...................................................................................................................... 54
Automatische sociale invloed............................................................................................. 54
Conformiteit ...................................................................................................................... 55
Gehoorzaamheid ............................................................................................................... 61
Gehoorzaamheid ............................................................................................................... 64
Aantrekking en hechte relaties ............................................................................................... 69
Belang van relaties ............................................................................................................. 69
Interpersoonlijke aantrekking ............................................................................................. 74
Romantische relaties ......................................................................................................... 79
Algemene relatieprocessen ................................................................................................ 83
Emoties ................................................................................................................................ 86
Wat is een emotie?............................................................................................................. 86
1
,Waarom hebben we emoties? ............................................................................................ 87
Hoe worden emoties opgewekt en onderscheiden? ............................................................. 89
Specifieke responspatronen ............................................................................................... 93
Interactie van emotiecomponenten .................................................................................... 98
2
,EVOLUTIONAIRE PSYCHOLOGIE
Altruïsme en natuurlijke selectie
Natuurlijke selectie en gedrag
De evolutionaire psychologie onderzoekt de evolutionaire oorsprong van gedrag en de gevolgen
voor huidige psychologische mechanismen
Darwin (1859): “De oorsprong der soorten”
- Theorie van natuurlijke selectie: Selectie in de natuur vindt plaats omdat sommige
organismen beter overleven en zich beter voortplanten in een bepaalde omgeving
o Survival of the fittest: betere aanpassing aan de omgeving
o Betere fitness (= overdracht van genen naar de volgende generatie)
- Primaire focus: evolutie van fysieke kenmerken
Moderne Darwinians
- Primaire focus: evolutie van gedrag (bv. altruïstisch gedrag)
- Evolutionair perspectief op de menselijke natuur:
o Universele kenmerken: Deze succesvolle eigenschappen bieden een evolutionair
voordeel, waardoor ze zich door de populatie verspreiden en typisch worden voor
de hele mensheid
▪ Bipedalisme (tweevoetige voortbeweging bij mensen)
▪ Universele psychologische eigenschappen/kenmerken
Altruïstisch gedrag
• Altruïstisch gedrag = anderen helpen, zelfs als dit nadelig kan zijn voor je eigen fitness
• Natuurlijke selectie = een ogenschijnlijk egoïstisch proces
Verklaring:
- De universele behoefte om erbij te horen.
- Baumeister & Tice (1990): "Sociale angst" als een aanpassing om uitsluiting van de groep
te voorkomen
3
,Inclusieve fitness en verwantschap (Hamilton, 1964)
= jouw persoonlijke reproductieve succes + de effecten die je hebt op de reproductie van je
genetische verwanten, gewogen naar de mate van genetische verwantschap
- Eeneiige tweeling: genetische verwantschap = 100%
- Ouders - kind: 50%
- Broer/zus: 50%
- Oom/tante - nicht/neef: 25%
- Neven/nichten: 12,5%
(Zie demo dia 6: wie zou jij helpen? → meer mensen stemmen voor sibling dan voor klasgenoot)
Mate van genetische verwantschap:
Inclusieve fitness en verwantschap = betere fitness (van de volgende generatie) door het helpen
van (genetische) verwanten
Dit impliceert:
- Men neemt risico's voor genetische verwanten
- Hoe hoger de genetische verwantschap, hoe groter het risico dat men bereid is te nemen
o Daly & Wilson (1988)
▪ Minder zorg door stiefouders dan door biologische ouders
▪ Meer kindermishandeling door stiefvaders (100 keer meer dan door
biologische vaders)
o Burnstein et al. (1994)
▪ Meer hulp naar genetische verwanten in moeilijkheden
Tendens om familie te helpen onder levensbedreigende
versus dagelijkse omstandigheden
Genetische overlap voorspelt de tendens om te helpen,
vooral onder levensbedreigende omstandigheden
4
, Tendens om te helpen afhankelijk van de leeftijd van de
ontvanger onder levensbedreigende versus dagelijkse
omstandigheden
Wanneer hulp relatief onbelangrijk is, helpen mensen vaak
degenen die het meeste hulp nodig hebben, zoals jonge
kinderen en ouderen
Onder omstandigheden waarin de hulp kostbaar of risicovol
is, krijgen de jongeren echter meer hulp dan de ouderen
Mensen gaan sneller anderen helpen als ze dichter bij
reproductieve leeftijd zijn (dus minder snel babies in vgl met
meisjes dicht bij 14j)
Hierna als het kind ouder en minder ‘helpless’ is, dan krijgen
ze ook minder hulp
Conclusie:
- Wie we helpen in verschillende situaties is voorspelbaar vanuit een evolutionair
perspectief
- Sterk bewijs voor de inclusieve fitnesstheorie
Wederkerig altruïsme
Waarom helpen we niet-verwante individuen?
“Ik help jou als jij mij helpt”
- Alleen mogelijk als:
o De persoon die geholpen wordt later herkend kan worden
o Bedriegers gestraft kunnen worden: cheaters worden uitgesloten
o Dit geldt alleen voor intelligente soorten (zoals primaten en mensen)
o Dit gebeurt voornamelijk binnen bekende en kleine groepen / stammen (waarbij
wederkerigheid gegarandeerd is)
Uiteindelijk verhoogt helpen de fitness (door wederzijds helpen kunnen beide partijen hun
overlevings- en voortplantingskansen verbeteren)
5
,Seksuele selectie en sekseverschillen in gedrag
Seksuele selectie en ouderlijke investering
Seksuele selectie = de selectie van – en verschillende toegang tot – seksuele partners
- Vormen van seksuele selectie/competitie:
o Intrasexuele competitie: de winnaar draagt meer genen over (mannelijke
competitie)
o Intersexuele competitie: het kiezen van een partner op basis van hun
voorkeuren (vrouwelijke keuze)
- Ouderlijke investeringstheorie (Trivers, 1972):
o De seksen verschillen in termen van tijd en moeite die ze besteden aan het
opvoeden van nakomelingen (zwangerschap, voeden, beschermen, …)
o Vrouwen investeren meer in het opvoeden van nakomelingen
o Variatie in reproductie tussen de seksen:
▪ Het vrouwelijke record: 69 kinderen
▪ Het mannelijke record: meer dan 1000 kinderen
Dit zal resulteren in verschillende sekseverschillen
Voorspelling: De sekse die minder investeert in het opvoeden van nakomelingen, zal de voorkeur
geven aan het hebben van meer (seksuele) partners
Onderzoek onder studenten – Wat is het gewenste aantal seksuele partners? (Buss & Schmitt,
1993):
- Vrouwen: 1 in de komende maand / 4 tot 5 in hun hele leven
- Mannen: 2 in de komende maand / 8 in het komende jaar / gemiddeld 18 in hun hele
leven
Aantal gewenste seksuele partners op verschillende tijdsintervallen, variërend van één maand
tot een leven lang
Mannen en vrouwen verschillen op elk tijdsinterval, met het grootste verschil in het aantal
gewenste levenslange partners
Conclusie: mannen kiezen meer partners (d=.87)
6
,Grootte van sekseverschillen: de overlap tussen de seksen in de context van een gemiddeld
verschil
Effectgrootte ‘d’
|d| > .20 = small
|d| > .50 = medium
|d| > .80 = large
Bv. Lombardo & Deaner: throwing ability: d = 1.98
Zelfs met een effectgrootte zoals deze zijn de individuele verschillen binnenin elk van de
geslachten nog steeds groter dan in vergelijking met verschillen tussen de geslachten
Voorspelling: De sekse die minder investeert in het opvoeden van nakomelingen, zal minder
selectief zijn bij het kiezen van (seksuele) partners (zie dia 18 voor muziekvideo)
- Onderzoekers – "Ik heb je hier gezien… ik vind je erg aantrekkelijk": (Clark & Hatfield,
1989)
o Zou je vanavond met me uitgaan? (F: 55% / M: 50%)
o Zou je vanavond naar mijn appartement komen? (F: 6% / M: 69%)
o Zou je vanavond met me naar bed gaan? (F: 0% / M: 75%)
- Replicatie in Oostenrijk ~ identieke bevindingen (Voracek et al., 2005)
- Houding ten opzichte van casual seks: mannen zijn positiever
o Oliver & Hyde (1993): d = .81
o Petersen & Hyde (2010): d = .45
Waarschijnlijkheid van instemming met seksuele betrekkingen:
De proefpersonen beoordeelden de waarschijnlijkheid dat ze instemden met seksuele
betrekkingen, nadat ze een aantrekkelijk lid van het andere geslacht voor elk van een specifieke
set tijdsintervallen hadden gekend
7
, - Waarschijnlijkheid van instemming met seksuele betrekkingen na een bepaalde tijd
iemand gekend te hebben (Buss & Schmitt, 1993)
o -3 = zeker niet
o 0 = neutraal
o 3 = zeker wel
- Vrouwen: het is zeer onwaarschijnlijk dat ze seks zouden hebben na 1 week iemand
gekend te hebben
Conclusie: mannen zijn minder selectief in het kiezen van seksuele partners
Partnerkeuzes
(Zie demo dia 20: seksuele selectie: wat vinden mannen en vrouwen het belangrijkste kenmerk
in een partner? → vooral fysieke aantrekkelijkheid en jonger aangeduid)
Voorspelling:
- Mannen zijn op zoek naar een partner die jong en fysiek aantrekkelijk is (~ teken van
vruchtbaarheid)
- Vrouwen zijn op zoek naar een partner die financiële steun kan bieden (goede financiële
vooruitzichten)
→ Bevestigd in 37 culturen (Buss, 1989); Geëxpliciteerd (Walter et al., 2020).
Hypothese van structurele machteloosheid: Alternatieve verklaring voor het verschil / Eagly &
Wood (1999): mannen worden geassocieerd met de rol van kostwinner / 'geldmaker'; vrouwen
zijn financieel afhankelijk van hun man (genderrollen)
↔ Wanneer vrouwen een hoger inkomen/SES hebben ("geld is geen probleem"), hechten ze nog
meer belang aan de financiële middelen/SES van mannen (Buss, 1989; Delton et al., 2006;
Todosijevic et al., 2003; Wiederman & Allgeier, 1992)
Buss (1989): 10 047 respondenten in 37 culturen
- Tabel 2: vrouwen verlangen naar een partner die financiële vooruitzichten biedt
- Tabel 3: vrouwen verlangen naar een partner die ambitieus en ijverig is
- Tabel 4: mannen verlangen naar een partner die jonger is; vrouwen verlangen naar een
partner die ouder is
- Tabel 5: mannen verlangen naar een partner die fysiek aantrekkelijk is
(Zie tabellen dia 22-25)
Walter et al. (2020)
- Replicatiestudie met een nieuwe steekproef van 45 landen (N = 14.399)
- "Ondersteuning voor universele sekseverschillen in voorkeuren blijft sterk: mannen
geven meer dan vrouwen de voorkeur aan aantrekkelijke, jonge partners, en vrouwen
geven meer dan mannen de voorkeur aan oudere partners met financiële
vooruitzichten."
- Exacte uitkomsten als voorstaande studies
8
,Beide geslachten geven de voorkeur aan partners met tekenen van goede gezondheid en
reproductief succes
- Taille-heup ratio:
o Optimale ratio voor mannen: 0,90
o Optimale ratio voor vrouwen: 0,67-0,80
- Symmetrie als marker voor “goede genen”
o ↔ Fluctuerende asymmetrie: de mate waarin een individu afwijkt van perfecte
bilaterale symmetrie
o Fluctuerende asymmetrie wordt gezien als een indicator van "slechte"
genetische kwaliteit of ontwikkelingsproblemen (bv. genetische afwijkingen,
omgevingsinvloeden zoals toxines)
Onderzoek:
- Vrouwen: kun je de aantrekkelijkheid van deze mannelijke lichaamstypes rangschikken?
→ Geassocieerd met hoge testosteronspiegels en lage oestrogeenspiegels; en betere
gezondheid (Singh, 1995)
- Mannen: kun je de aantrekkelijkheid van deze vrouwelijke lichaamstypes rangschikken?
→ Geassocieerd met hoge vruchtbaarheid en langetermijngezondheid (Singh, 1995)
→ Brooks et al. (2015):
o Eenvoudige verhoudingen zoals taille-heup ratio (WHR) en BMI zijn waarschijnlijk
minder belangrijk dan tailleomvang en algemene slankheid
o Er is meer dan één manier om een aantrekkelijk lichaam te hebben
9
, Jonge mannen: risico, geweld en eer
Cross-culturele observatie: moord door mannen op andere mannen
Evolutionaire verklaring:
- Seksuele competitie
o Vrouwelijke keuze (zekerheid over het moederschap / grotere ouderlijke
investering)
o Mannen moeten concurreren om "seksuele toegang" te krijgen (intrasexuele
competitie tussen mannen)
→ meer agressie, meer risico's
Hyde (1984): Mannen vertonen meer agressief gedrag (d = .50)
Archer (2004):
- Fysieke agressie: grootste verschillen (d = .80)
- Verbale agressie: minder grote verschillen (d = .51)
- Woede: geen verschillen (d = -.04)
→ Vrouwen scoren hoger op indirecte (of relationele) agressie (d = -.19), maar alleen in de late
kinderjaren en adolescentie
→ Mannen scoren hoger op directe agressie (voornamelijk fysieke agressie), consistent over
leeftijden en culturen, en dit is waarneembaar vanaf jonge kinderjaren, met een piek tussen de
leeftijd van 20 en 30 jaar
Arrestatiecijfers voor gewelddadige misdaden:
(Zie demo dia 33: wat maakt je het meeste jaloers? → hoog: mannelijke partner verliefd op een
ander, maar opmerkelijk is dat ‘vrouwelijke partner seks met een ander’ niet hoog is)
10