Inhoudstafel
MODULE 1: ZIEKTE EN GEZONDHEID (ZIE OOK MPV) .......................................................................................................... 2
MODULE 2: GEZONDHEIDSZORGMODELLEN ...................................................................................................................... 9
MODULE 3: METHODIEKEN VOOR SIGNALERING .............................................................................................................. 18
MODULE 4: MULTIMORBIDITEIT................................................................................................................................... 23
MODULE 5: PRINCIPES VOOR ORGANISATIE VAN GEZONDHEIDSZORG.................................................................................... 30
MODULE 6: DE BELGISCHE GEZONDHEIDSZORG/SOCIALE ZEKERHEID..................................................................................... 40
MODULE 7: GEZONDHEIDSZORG IN DE PRAKTIJK .............................................................................................................. 48
MODULE 8: KWALITEIT VAN ZORG ................................................................................................................................ 51
1
,Module 1: Ziekte en gezondheid (zie ook MPV)
1. Leerdoelen
Je kan de begrippen ziekte en gezondheid duiden. Dit kan je door:
• de evolutie van de definitie van gezondheid te benoemen, en de sterktes en zwaktes van de huidige definitie te duiden.
• begrippen zoals ziekte, ziektegevoel, ziekterol uit te leggen.
• kernelementen van de belangrijkste gezondheidsmodellen te begrijpen, benoemen en illustreren a.d.hv. casussen.
• de wederzijdse wisselwerking tussen het individu en zijn omgeving te duiden.
• de impact van gezondheid/ziekte op de omgeving/maatschappij en omgekeerd te benoemen.
• te herkennen wanneer diversiteitscomponenten van patiënten gezondheid en ziekte beïnvloeden.
• de factoren uit de sociaal economische context die de gezondheid van de patiënt beïnvloeden te identificeren.
Overzicht inhoud
1. Definitie gezondheid WHO
2. Dynamische definitie van gezondheid
3. Modellen van gezondheid & ziekte (biomedisch, bio-psychosociaal, bio-psychosociaal-spiritueel, ‘frailty’, ecologisch model)
4. Balansmodel
5. Determinanten van gezondheid & Inequity of health
2. Inleiding
Algemene bedenkingen uit voorbereiding:
We leven al langer en gezonder dan ooit.
De invloed van gezond leven is overschat
Veel adviezen over gezondheid worden onderbouwd met zwak wetenschappelijk bewijs. Bonneux wijst erop dat er geen magische formule is voor
een extreem lang leven, en dat "gezonde voeding" eerder een illusie is — er bestaat vooral ongezonde voeding (te veel, te vet, te eenzijdig).
De grootste gezondheidswinst ligt in structurele oorzaken
In plaats van individueel gedrag te focussen, pleit hij voor maatschappelijk beleid, bijvoorbeeld om roken en ongevallen aan te pakken. Zelfdoding
en roken zijn de belangrijkste vermijdbare doodsoorzaken voor Europeanen.
Levensverwachting is sterk gestegen, maar ouderdomskwalen blijven
Conclusie: streef niet obsessief naar ‘nog gezonder’, maar leef wijs en denk na over ‘ars moriendi’
• Gezondheidsparadox: dankzij goede gezondheidszorg slagen we erin om veel ouder te worden, maar we hebben nog nooit zoveel
chronische ziekten (CZ) gehad, nl. 1 op 5 (20%) van 25-plussers hebben een CZ
o Moeilijk om ‘nog’ gezonder te gaan leven (= zou gelijk zijn aan ziekte voorkomen, te moeilijk)
o Gem. 75-plusser heeft tussen 3-5 ziekten en neemt hiervoor 5-7 geneesmiddelen
o 80% van alle contactmomenten in de gnk te maken met chronische aandoeningen en slechts 20% met acute
• Men wordt met de klassieke definitie van ziekte alleen maar zieker: mensen gaan niet meer dood aan hun ziekte maar accumuleren
aandoeningen
o Wie is er ziek, wie is er gezond?
ð Definitie van “ziek zijn” = achterhaald + verhouding ziekte/gezondheid volledig ontregeld
• Uitspraak: “wie gezond is krijgt er 6 jaar bij” bevat denkfout
o Kans dat je in die 6 extra jaren bv. dementie of tumor ontwikkelt is erg groot
o 80% van de 85-plussers sterft niet per se van, maar wel mét een tumor (al dan niet ontdekt)
• Geschiedenis: afgelopen 300 - 400 jaar: geneeskunde heeft heel weinig te maken met bloeddrukpilletje, chemotherapie, insuline,
hechttechieken…
o Waar hebben vooral grote sprongen in de geneeskunde mee te maken?
§ Preventie => ervoor zorgen dat mensen handen wassen, maskers dragen (tijdens de coronapandemie) => ingrepen die beyond
the medicine staan maar die tijd hebben gegeven om een vaccin te ontwikkelen
• Gezondheid wordt 15-30% door genen en 70 – 85% door sociale determinanten bepaald
• Therapietrouw inherent aan CZ kan de behandeling van deze CZ heel zwaar onder spanning zetten
o Slechts 20-30% met chronische ziekten zijn therapietrouw
o Oorzaak: mensen werken, functioneren veel => medicatie minder goed nemen
2
,3. Definitie gezondheid WHO
• Oude definitie (1948): Health is a state of complete physical, mental and social well-being and not merely the
absence of disease or infirmity
Probleem:
o Compleet?
- Niet alles op fysiek, mentaal en sociaal vlak gaat altijd 100% => volgens def = iedereen altijd ziek
- Dreigende medicalisering van maatschappij
- Wat met performante nieuwe screeningsdeterminanten?
o Nieuwe context:
- Meer chronische dan acute ziekten
- Verbeterde hygiëne, voeding, …
- Chronische ziekte = ziek?
- Gaat uit van verlies, niet van mogelijkheid: def negeert capaciteit om automatisch aan te passen
aan de fysische, emotionele en sociale uitdagingen vh leven, en toch met voldoening te leven
o Meetbaar: wat is ‘compleet’ en hoe meet je dit?
ð Gevolgen def: 600,000 mensen zijn langdurig arbeidsongeschikt verklaard (= 10% vd actieve bevolking)
4. Dynamische definitie van gezondheid
• Aangepaste, meer dynamische def: Health is a state of complete physical, mental and social well-being and
not merely the absence of disease or infirmity; with the ability to adapt and to self manage, to function... in
the physical, mental, social domains of health
ð Gevolgen van deze def: pt’en kunnen hun ziekte zelf in handen nemen en kunnen nu in overleg met een arts
andere opties bespreken ivm behandeling (= shared-decision making)
ð Definitie is meer dan enkel een theoretisch concept
4.1. Disease – Illness – Sickness
• Disease (ziekte): pathologisch substraat; doctor’s view
• Illness (= ziekte-gevoel): klacht; patient’s view
• Sickness (= ziekterol): patiëntenrol; community’s view (= hoe de maatschappij naar ziekte kijkt; hier heb je als
arts weinig vat op)
§ Bv maatschappij kijkt naar iemand met kanker als erg ziek, kan niet meer functioneren en werken
§ Maar ook liever burn-out dan depressie op ziektebriefje
• Burn-out: heeft connotatie dat die persoon hard werkt, een strijder is etc. => een burn-out geeft hen
meer status dan een depressie
• Depressie: wordt door de maatschappij als een slappeling gezien
• Bij 3% van de volledige bevolking is er nooit iets aanwezig
• 23% heeft een ziekte en daarbij ook een ziektegevoel, maar kan
gewoon werken
• 1% vd mensen heeft werkongeschiktheid en heeft ook een ziekte
waar geen ziektegevoel bij hoort (bv. vrouw in een rolstoel)
• 8% vd mensen heeft alles (ernstig ziekte pt, bv. borstkanker)
• 33% vd mensen heeft alleen maar een ziektegevoel, zonder dat
er een ziektesubstraat is en zonder dat ze afwezig zijn
=> Moeilijk om obv klassieke definities te bepalen wat ziekte en
gezondheid is
3
,5. Modellen van ziekte & gezondheid
5.1. Overzicht verschillende modellen van ziekte & gezondheid
• Biomedisch model
• Biopsychosociaal model
• Bio-psychosociaal-spiritueel model van ziekte
• Model ‘frailty’
• Ecologisch model van gezondheid
5.2. Biomedisch model (= belangrijkste, 16e-17e eeuw)
• Ziekte = een probleem in biologische processen, = objectieve waarneming
• Basis van de volgende modellen
• Implicatie van het model op visie op
o Gezondheid: focus op "absence of disease"
o Financiering van westerse gezondheidszorg
• Belang biomedische model voor vooruitgang in gnk, EBM, ... à ontstaansgeschiedenis vd medische wetenschap
5.3. Biopsychosociaal model (door George Engel, USA, 1977)
‘Er is veel meer tussen de relatie van ziekte en symptomen’, nl:
• Biologische aspecten: genetische en somatische bouw (= onderliggende ziektesubstraat)
• Psychologische factoren: mentale gezondheid en persoonlijkheid (illness en sickness)
• Sociologische factoren: impact van omgeving op pt als ziek persoon
5.4. Bio-psychosociaal-spiritueel model (door Sumasy, 2002)
• Vnl gebruikt in palliatieve zorg
• Vanaf leeftijd van 65+ zijn gezondheidsverschillen veel groter (=ene 75j is de andere niet)
• Spiritualiteit w hier gezien als zingeving (rede om te blijven leven), omdat pt’en in hun laatste levensfase hier
veel aan hebben, soms minder pijn (bv. kinderen nog zien, er voor je kinderen zijn tijdens chemotraject, …)
o Veel te doen rond ‘loslaten’ (bucketlist)
5.5. Frailty-model
• Begrip vanuit geriatrie
• Gaat uit van kwetsbaarheid bij ouderen op verschillende domeinen
• Kan op bep moment getriggerd worden doordat er in een bep domein (niet per se medisch, maar ook op fysiek,
psychociaal vlak of in de omgeving) een uitval/functioneel verlies is;
o bv: bij 80j koppel komt vrouw (die normaal zorgt voor man) te overlijden, waardoor man niet meer alleen
kan wonen en plots volledig hulpbehoevend is
5.6. Ecologisch model van gezondheid
ð Gebaseerd op alle voorgaande modellen, maar vertrekt vnl vanuit wisselwerking tussen het individu en de context
ð Legt nadruk op impact/invloed vd sociale en fysieke omgeving waarin mensen leven op hun GH, ziekte,
welbevinden en op hun reactie op deze condities. Legt een link tss alle kenmerken/parameters met invloed op GH
5.6.1. Inleiding
• Iem in kansarmoede (financiële deprivatie) heeft gem 18 gezonde levensjaren minder
• Iem in financiële of sociale deprivatie, wordt gem voor het eerst ziek op zijn 49j (problematisch, want screeningsprogramma’s beginnen
vanaf 50j => kloof tussen arm/ziek en rijker/gezond wordt nog groter)
• Woonomstandigheden zijn een sterke indicator voor kansen op een gezond leven
5.6.2. Kenmerken van het individu:
• Biogenetische kenmerken • Sociale kenmerken
• Somatische kenmerken • Diversiteitskenmerken
• Psychische kenmerken
ð Hiermee kan een individu simpel beschreven worden
ð Op populatieniveau zijn deze vaak geaggregeerd en voor groepen van mensen hetzelfde
ð Vroeger: ied = GHZ => zelfde resultaten = FOUT => determinanten!
4
,5.6.3. Diversiteitskenmerken van het individu:
• Leeftijd hoe ouder, hoe meer kans op ziekte
• Geslacht
o bv. geweten dat vrouwen zich niet typisch presenteren met klachten van een hartinfarct of andere
ziekten => vaak vagere klachten, waardoor ze minder goede zorg krijgen
• Functiebeperkingen
o bv. iemand in rolstoel: maakt het veel moeilijker om tot bij de dokter te geraken; mensen met
functiebeperking stellen doktersbezoek ongewild van 10 à 30 dagen uit hierdoor
• Genetische factoren
o nog niet veel over geweten (veel mensen zouden graag voorspeld krijgen of ze ziekte zullen krijgen, maar
dit is slechts voor een heel beperkt aantal ziekten mogelijk)
• Taal
o niet alleen taal niet spreken, maar ook begrijpen (iemand met een opleiding gebruikt ong 1000
verschillende woorden op een dag, iemand die niet opgeleid is ong 100; bv in corona: quarantaine =>
taal zorgt op heel veel fronten voor barrière)
• Seksuele geaardheid:
o gays, bi’s, transgenders… ervaren vaak beperkingen mbt gezondheidszorg; door taboe vertellen mensen
dit vaak niet en krijgen daardoor niet altijd juiste zorg (bv: er zijn 2 manieren van SOA-testen: voor
heteroseksuele mensen en mensen met andere geaardheid, maar wordt dan gemist)
• Financiële status (SES)
• Culturele achtergrond
• Geloof
ð Dit zijn belangrijke voorspellers van ziekte en gezondheid
5.6.4. Omgeving:
ð Speelt grote rol in vrijwaren GH en ontstaan van ziekte
ð Invloed van omgeving is er vanuit verschillende niveaus
ð Voorbeeld: Nico met epicondylitis lateralis (= tenniselleboog)
o Pt-info: arbeider, net terug vader geworden, volop aan het verbouwen, hoge pijndrempel, snel angstig
1) Individuele kenmerken:
§ Biogenetische kenmerken: aanleg voor gewrichtspijn
§ Somatische kenmerken: epicondylitis
§ Psychische kenmerken: positief ingesteld, ++pijndrempel, actieve sporter, eerder angstig rond werk
2) Interpersoonlijke factoren:
§ Veranderde gezinssituatie (kindje gekregen), dus meer actief in huishouden en baby mee verzorgen
§ 2 inkomens: 1 (vervangingsinkomen van pas bevallen vrouw) + 1 (zijn eigen inkomen)
§ Er is ondersteuning vanuit familie & gezin heeft sociaal netwerk
3) Institutionele factoren (= alles van organisatie op niveau van werk etc.):
§ Hoge werkdruk met repetitief werk
§ Wisselend uurrooster (= neg impact op GH, want bioritme raakt verstoord dus meer kwetsbaar)
§ Er is een arbeidsgeneesheer die eventueel voor aanpassingen kan zorgen (bv tijdelijk een andere werkpost krijgen waar dat
hij zijn arm minder moet gebruiken)
4) Maatschappij:
§ Verwachtings- en rolpatronen: als man thuisblijft met tenniselleboog zal hij vanuit omgeving verontwaardigende reacties
krijgen; manier waarop gekeken w naar ziekte en GH weerspiegelt zich in voorschrijven van arbeidsongeschiktheid
§ Ziekte & werken: man verdient ++ door volledig thuis te blijven, dan wnr hij halftijds terug zou gaan
§ Ziekte en sociaal functioneren: lastig om tijdens arbeidsongeschiktheid naar buiten te komen => is bang iem tegen te komen
5) Beleid:
§ Regelgeving werkongeschiktheid ziekte: minder gunstig voor arbeiders dan voor bediendes (vaak zeggen arbeiders dat
ze niet langer dan twee weken werkongeschikt willen zijn owv adm reden)
§ Wetgeving bescherming op werkplek: man kan niet ontslagen worden als hij ziek thuis zit
§ Beroepsziekten: man komt met zijn tenniselleboog helaas niet in aanmerking voor het fonds van beroepsziekten
ð Onthoud: ziektetraject is niet louter afhankelijk van pathologisch substraat!
5
,6. Impact van ziekte:
2 modellen gebaseerd op weerbaarheid van individu:
• Idee: er is impact van omgeving op een persoon; context kan voor
verschillende patiënten hetzelfde zijn, maar manier waarop die context een
rol speelt is afhankelijk van de draagkracht (= resilience) vd persoon
o Weerbare persoon ervaren minder impact van de omgeving ivm minder
weerbare; blijven langer stabiel als omgeving op bep manier invloed Veranderingen in de omgeving van de patiënt die
uitoefent dusdanig ingrijpend zijn dat die, in samenwerking
met de vulnerabiliteit, leiden tot ziekte.
o Bv 3 kinderen met astma in slechte woonomstandigheden hebben ivm 3 kinderen met astma in goede
woonomstandigheden (= sterke omgeving) op langer termijn meer problemen door die astma, omdat ook
andere factoren (beperkte financiële middelen) bijdragen tot groeiachterstand die hiermee gepaard gaat; bv
minder sociale en fysieke activiteiten
ð Transactioneel model: focus op integratie aspecten vd omgeving + inschatting eigen capaciteiten van zieke zelf
ð Balansmodel: /enkel ziekte v individu in beeld brengen => volledige beeld schetsen (zelfde ziekte ≠ zelfde situatie)
• = vertaling van ecologisch model om voor patiënten in kaart te brengen wat hun veerkracht/weerbaarheid is,
waar draagkracht ligt, … om zo te voorspellen wat hun GHuitkomsten zijn
• Draaglast ó draagkracht in evenwicht gehouden door optimalisatie verhouding beschermende F ó risicoF
o Risicofacto (RF): (= verlengen en bemoeilijken ziektetraject)
§ EB-voorspellende waarde voor probleem (bv. soc en fin deprivatie => neg impact op fysieke groei kind)
§ Varieert per ontwikkelingsfase
o bv. bij jong kind soc gedepriveerd, heeft omgeving grotere gevolgen dan bij oudere kinderen
§ Risicocumulatie is meer bepalend dan aard vd RF
o bv. kind in financiële deprivatie, maar in school goed opgevangen wordt zorgt ervoor dat RF
geneutraliseerd kan worden vs. kind dat ook op school moeilijkheden ervaart
=> impact zal groter zijn dan som van de 2 RF
§ Chronische RF meer bepalend dan acute (bv. kind langdurig onder stress = grote hypotheek toekomst)
o Beschermende factor: (= verkorten en vergemakkelijken ziektetraject)
§ Modificeert/verzwakt de kans op probleem bij bestaan van een RF
§ Speelt een bufferende/neutraliserende rol voor RF
6.1.1. Casus:
• Laure, 3 jaar, consulteert met haar mama owv hoesten, neusloop, lichte temperatuursverhoging en oorpijn.
• Heeft sterke gehoorsdaling ten gevolge van een intra-uteriene CMV infectie. Erg schuchter meisje. Duidelijke taalachterstand.
• Laures ouders = beiden goed betaalde baan. Recentelijk beslist om gescheiden te leven. Ze opteerden voor co-ouderschap
o Risicofactoren: scheiding vd
ouders en co-ouderschap, w
sociaal ontweken door
taalachterstand, nog maar
3j, haar persoonlijkheid (ze
zal minder uitdrukken wat ze
voelt), het medische
(oorinfectie)
o Beschermende factoren:
goed betaalde baan vd
ouders die bovendien stevig
netwerk hebben
ð Beschermende factoren
kunnen risicofactoren
voldoende bufferen, dus
momenteel geen extra
ondersteuning nodig
6
,7. Determinanten van gezondheid & inequity of health
7.1. Belangrijkste determinanten van gezondheid
• Werkomgeving:
o Algemeen: werken is beter voor gezondheid dan niet werken
o Maar: de sociale organisatie van werk, managementstijlen en sociale relaties op de werkvloer zijn
medebepalend voor de gezondheid (vb. horecapersoneel leeft 8 jr minder)
o GH w bedreigd wnr mensen weinig kansen krijgen om hun vaardigheden en competenties te gebruiken, wnr
ze weinig controle voelen over hun job, wnr ze niet duidelijk gewaardeerd w voor hun inspanningen
• Opleidingsniveau
o Hoe lager => moeilijker om instructies te lezen/begrijpen => meer angst voor dokter => rem op hun GH
o Hoe lager => lagere SES => ++ CZ vanag leeftijd van 25j (zowel fysiek als psychisch lijden) i.vgl.m. ++SES
o Bijna CZ? => hogere prevalentie bij mensen met lagere SES
§ Uitz: BD, = eerder welvaartsaandoening)
§ Tgv lifestyle bij deze mensen: meer roken, meer alcohol, minder bewegen
• Hoge SES: BF en RF compenseren, nooit alle RF samen => geen ruimte voor bij lage SES, alle RF
• Woonomgeving- en omstandigheden
o vb. uitslag hele gezin => niet enkel symptomatisch behandelen => slecht huis; schimmel, wantsen, mijten…
• Sociale gradient:
o Arme SE omstandigheden tasten GH aan: mensen die zich laag op de sociale ladder bevinden hebben over
algemeen min 2x meer kans op ernstige ziekte en vroege dood ivm mensen bovenaan de sociale ladder
o Oorzaken: materieel en psychosociaal vlak
o Armoede => slechtere onderwijskansen, onzekere jobs, gevaarlijke jobs, ongunstige huisvesting etc.
o Oorzaken zijn cumulatief over het verloop van een mensenleven
• Stress:
o Kan op lange termijn gezondheid schaden – angst, laag zelfbeeld, sociale isolatie, controleverlies over het werk en thuis, … verhogen
kans op mentale problematiek en premature dood (hoe lager op sociale ladder, hoe meer deze problematiek voorkomt)
o Waarom? In acute bedreigende situaties zorgen onze hormonen en ons neurologisch stelsel ervoor dat we onmiddellijk kunnen
vechten of vluchten van de situatie: door het hartritme te doen toenemen, beschikbare energie te mobiliseren, aandacht te verhogen.
Dit leidt de energie weg van fysiologische processen die belangrijk zijn om je gezondheid op lange termijn op peil te houden. Dit
verhoogt de kans op diabetes, infecties, AHT, MI, depressie etc.
• Eerste levensjaren: trage groei en slechte emotionele ondersteuning verhogen het risico op slecht fysisch, cognitief en emotioneel
functioneren op volwassen leeftijd.
o Begint tijdens de zwangerschap.
o Trage of achterstallige groei in kinderjaren wordt geassocieerd met een verminderde cardiovasculair, respiratoir, pancreas en
nierontwikkeling en functie
• Sociale exclusie:
o Door armoede, racisme, discriminatie, stigmatisatie, werkeloosheid, ziekte, gevangenis.
o Vooral kwetsbaar: zwangeren, baby’s, kinderen & ouderen
• Werkeloosheid: werkeloosheid is een bedreiging voor de gezondheid, vooral wanneer de persoon zich in een
regio bevindt waar er veel werkeloosheid is. Deze bedreiging geldt ook voor de familieleden van personen die
werkeloos zijn. De effecten beginnen al wanneer er sprake is van jobverlies (onzekerheid)
• Sociale steun: sociale steun geeft mensen emotionele en praktische hulp, sociale cohesie
• Verslaving aan alcohol, drugs en tabac zijn zowel een gevolg als een verergerende factor in de ongelijkheden in gezondheid. Het gebruik
ervan is sterk gerelateerd met sociale en economische status.
• Voeding: een tekort aan voedsel en/of een niet gebalanceerd dieet bedreigen de gezondheid: CV ziekte, diabetes, obesitas, caries…
o Overconsumptie, vetten en suiker
o Armen: meer goedkoop en processed foods
7
, • Transport: fietsen, wandelen en gebruik van openbaar vervoer: fysische oefening, minder fatale accidenten, meer
sociale contacten en minder luchtvervuiling => belangrijke determinant voor toegang tot gezondheidszorg
Gevolgen:
• Screeningsprogramma’s ontoereikend => lagere SES niet bereikt
• Hogere mortinataliteit en infantiele mortaliteit
• Uitstel van zorg
• …
Inequity of health: onrecht in de gezondheidszorg
= avoidable inequalities in health between groups of people within countries & between countries
= onfair ! = duur !
ð Actie vereist m.b.t. sociale determinanten
ð Gelijkwaardigheid i.p.v. gelijkheid
7.2. Toegang tot curatieve & preventieve zorg:
ð Belangrijkste gezondheidsbepalende factor
• ↔ economische middelen
In aanmerking gezondheidszorgverzekering?
• ↔ praktische factoren
Openbaar vervoer? Nabijheid? 30% vd bevolking is functioneel analfabeet
• ↔ socioculturele factoren
Prioriteiten? Waarde? Vertrouwen zorgsysteem?
• ↔ kennis gezondheidszorgsysteem
Afspraak maken bij een arts
Take home: Vooraleer je een specifieke klacht van een pt kan aankaarten/behandelen, dient er eerst steeds een context
geschetst te worden!
Extra’s
Stel: opvallende toename aantal bep diagnose: identificatie populatie, interventie op persoonlijk niveau, lokale
overheden informeren, leef- en woonomstandigheden/determinanten onder de loep nemen, data uit de audit publiek
kenbaar maken
8
,Module 2: Gezondheidszorgmodellen
1. Leerdoelen
Na deze les kunt u:
Met betrekking tot levensloop, preventie care en cure
• Basisprincipes en belangrijkste kenmerken vd ≠ vormen van zorgaanbod (preventie, care, cure, palliatieve en terminale zorg) benoemen.
• Levensloop v mensen verbinden met zorgmodellen + specifieke rol vd curatieve/preventieve context waarin de pt zich bevindt formuleren
• De verschillen en gelijkenissen tussen preventie, care en cure benoemen en deze illustreren aan de hand van een voorbeeld
Met betrekking tot preventie
• De vier invalshoeken van preventie benoemen én duiden adh van concrete voorbeelden
• De basiskenmerken van een individuele en populatiegerichte aanpak identificeren
• Een vraag gestuurde benadering onderscheiden van een aanbod gestuurde benadering
• Een risicogerichte van een systematische aanpak onderscheiden
Met betrekking tot Care versus Cure
• Verschillen tss chronische en acute aandoening benoemen, evenals het gevolg vd verschillen op de ≠ aanpak (‘care’ versus ‘cure’)
• De 3 basispijlers van chronische zorg benoemen
Met betrekking tot kwetsbaarheid
• De begrippen frailty, multimorbiditeit en autonomie kennen
• De basispijlers van het zorgmodel kunnen omschrijven en herkennen in context situaties
Overzicht inhoud
• Zorgmodellen
o Verloop van een ziekte, levensloop en zorgmodellen
o Preventie (Begrippenkader, voorbeelden en oefeningen)
o Care (chronisch) versus Cure (acuut)
o Zorg voor kwetsbare mensen
2. Verloop van een ziekte, levensloop en zorgmodellen
2.1. Overzicht zorgmodellen
De verschillende gezondheidszorgmodellen situeren zich zowel ten opzichte van de ontwikkeling van ziektes als ten
opzichte van de levensloop van de mensen. Er zijn er zes:
- Preventie
- Curatie (‘Cure’) in Engels
- Chronische zorg (‘Care’ in het Engels)
- Zorg voor kwetsbare personen (meestal ouderen of mensen met beperkingen)
- Palliatieve Zorg
- Terminale zorg
• Preventie = behouden = ervoor zorgen dat uw huidige gezondheidstoestand niet verslechtert
• Cure = genezen = elimineren/behandelen vd onderliggende oorzaak ve ziekte of verlichten vd symptomen
• Care = verzorgen = beheren van symptomen, het bieden van ondersteuning en het verbeteren van de kwaliteit
van leven voor mensen met een chronische ziekte, zelfs als een volledige genezing niet mogelijk is
• Chronische zorg, zorg voor kwetsbare personen, palliatieve zorg en terminale zorg = kwestie van goede ‘Care’.
Maar dat sluit preventie uiteraard niet uit. Zowel diabetes als chronisch longlijden zijn CZ’en die een goede care
vergen. Maar ook extra preventieve maatregelen doorvoeren, zoals het toedienen vh jaarlijkse griepvaccin.
2.2. Fasen van ontstaan, ontwikkeling en verloop van een ziekte
Stadium Kenmerken
Preklinische stadium Aanwezigheid van enkel pathofysiologische veranderingen
Klinische stadium Aanwezigheid van klinische symptomen (= subj) en of tekens (= obj)
Genezing of Remissie De ziekte is verdwenen of ‘ingeslapen’
Chronische stadium De ziekte is klinisch blijvend aanwezig
Kwetsbare stadium Toestand vd pt gepaard met verhoogde kwetsbaarheid en verlies v autonomie (normale
verouderingsproces leidt immers tot kwetsbaarheid; fysiek, collectief en chronisch)
Palliatief stadium ‘Het zou me niet verwonderen indien deze persoon binnen 6-12 maanden zou sterven’
Terminaal stadium Het einde is nabij, een kwestie van enkele uren, dagen of ten hoogste enkele weken
9
, 2.2.1. Samenhang tussen het verloop van een ziekte en zorgmodellen
Ziekte afwezig Primaire preventie
Preklinisch stadium Secundaire preventie
Klinisch stadium Curatie (cure)
Genezing/remissie/ Chronische zorg (care)
chronisch stadium > tertiaire preventie
Kwetsbare stadium Zorg voor kwetsbaren
Palliatief stadium Palliatieve zorg
Terminaal stadium Terminale zorg
2.3. Fasen in de levensloop van de mens (niet vanbuiten)
ð Opgedeeld in verschillende fasen: elk unieke kenmerken, ontwikkelingsdoelen en zorgbehoeften
ð Beter afgestemd op behoeften => dynamische en persoonsgerichte benadering van zorg nodig
1. Prenatale fase (conceptie tot geboorte) 6. Jongvolwassenheid (18-40 jaar)
• Kenmerken: • Kenmerken:
o Ontwikkeling van het embryo en de foetus o Ontwikkeling van carrière, relaties en gezinsvorming =>
o Snelle groei en differentiatie van organen stabiele levensbasis
• Zorgbehoeften: • Zorgbehoeften:
o Prenatale controles o Preventieve gezondheidszorg
o Voorlichting aan ouders o Ondersteuning bij stress en burn-out
2. Babyfase (0-1 jaar) 7. Middenvolwassenheid (40-65 jaar)
• Kenmerken: • Kenmerken:
o Snelle lichamelijke en cognitieve groei o Stabiele levensfase => GH behouden + balans werk/privé
o Ontwikkeling van zintuigen, motoriek en veilige hechting o Begin van lichamelijke veroudering
• Zorgbehoeften: • Zorgbehoeften:
o Voeding, vaccinaties en groeicontroles (hoofdomtrek, o Regelmatige medische controles + screenings
lengte, gewicht) o Aandacht voor chronische ziekten
o Ondersteuning bij slaapritme en veiligheid
3. Peuter- en kleuterfase (1-6 jaar) 8. Ouderenfase (65-80 jaar)
• Kenmerken: • Kenmerken:
o Ontwikkeling van (fijn)motorische en sociale o Pensioenleeftijd => behoud autonomie + betrokkenheid
vaardigheden => autonomie/exploratie o Mogelijke toename van chronische ziekten
o Snelle taalontwikkeling • Zorgbehoeften:
• Zorgbehoeften: o Chronische zorg en management
o Gezonde voeding en beweging o Psychosociale ondersteuning => tegen eenzaamheid
o Ondersteuning bij emotionele ontwikkeling
4. Kinderfase (6-12 jaar) 9. Hoge ouderdom (80+ jaar)
• Kenmerken: • Kenmerken:
o Begin van formeel onderwijs => cognitieve groei o Toename van kwetsbaarheid (frailty)
o Ontwikkeling van (complexere) sociale relaties => o Grotere afhankelijkheid
samenwerken/probleemoplossend denken • Zorgbehoeften:
• Zorgbehoeften: o Langdurige zorg en ondersteuning => comfort en
o Medische controles waardigheid => vermijden complicaties dagelijks leven
o Begeleiding bij school en sociale vaardigheden o Palliatieve zorg indien nodig => rouwondersteuning
oudere + omgeving
5. Adolescentie (12-18 jaar)
• Kenmerken:
o Hormonale veranderingen
o Ontwikkeling van identiteit (onafhankelijkheid, eigen
waarden)
• Zorgbehoeften:
o Begeleiding bij lichamelijke veranderingen + gezonde
levensstijl
o Aandacht voor mentale gezondheid
10