Module 2: Financiële verrichtingen: beurs
Hoofdstuk 1: Financiële markten
Financiële markt = een markt, plaats waar vraag en aanbod samenkomen. In dit geval een markt
waar financiële producten worden verhandeld.
SYNONIEM = BEURS
Financiële producten:
- Vooral obligaties en aandelen (deze zijn belangrijkst)
- Nog andere
Verschillende partijen binnen een economie
• Partijen die met spaaroverschotten zitten (inkomen > uitgaven) → hebben geld over en
kunnen dat geld gaan beleggen.
2 soorten beleggers:
1) Particuliere beleggers → zijn met veel, maar hebben slechts een beperkt budget
2) Institutionele beleggers → zijn met minder, maar beleggen grote bedragen
• Partijen die spaartekorten hebben (inkomen < uitgaven) → staat/overheid
Dit schema is een vereenvoudiging van de
werkelijkheid!!!
1e vereenvoudiging: er is namelijk nergens een bank
vermeld. In werkelijkheid is dit wel een partij in de
economie. (Omdat module 2 nog niet naar banken kijkt.
Module 3 wel.
2e vereenvoudiging: ook vaak spaartekorten bij
gezinnen (particulieren). Bv. als je een huis wil kopen
moet je dat geld ergens gaan lenen. Niet mogelijk om
obligaties uit te geven. Daarvoor moet je naar de
bank. Maar zie 1e vereenvoudiging, banken laten we
voorlopig weg, daarom doen we alsof gezinnen geen spaartekorten hebben.
3e vereenvoudiging: overheden kunnen geen aandelen uitgeven. Ze kunnen enkel obligaties
uitgeven, GEEN aandelen.
Beleggingsverrichting = iets doen met je geldoverschot
Financieringsverrichting = financiering zoeken om je spaartekorten te dekken
,De belangrijkste verschillen tussen obligaties en aandelen: (heel belangrijk)
1) Uitbetaling bij faling van de emittent
- Obligaties worden terugbetaald bij faling ➔ het zijn namelijk schulden. Deze moeten
altijd worden terugbetaald bij faillissement. Indien niet mogelijk, dan slechts deels
terugbetaald, maar sowieso iets (obligaties = VV)
- Aandelen worden niet terugbetaald bij faling ➔ worden slechts geheel of gedeeltelijk
terugbetaald indien nog geld over na het vergoeden van de schulden (zelden het
geval) (aandelen = EV)
➔ DUS: meer risico voor de belegger die aandelen koopt dan voor de belegger die
obligaties koopt.
2) Opbrengst
- Obligaties: Coupon is vooraf vastgelegd, bij inschrijven voor de obligatie weet je
precies welke opbrengst je zal halen uit je investering = coupon
- Aandelen: op voorhand weet je niet welke dividend je zal bekomen. Hangt namelijk af
van de prestatie van het bedrijf gedurende periode = dividend
➔ DUS: opnieuw meer risico bij aandelen dan bij obligaties. Er is een onzekerheid bij
aandelen rond de opbrengst. Kan tegenvallen
3) Looptijd
- obligaties: heeft een vaste looptijd. Op het einde van je looptijd krijg je je geld terug die
je hebt geïnvesteerd
- aandelen: loopt nooit af. Je kan ze wel verkopen door ze te verkopen aan een andere
belegger. Minder zekerheid
➔ DUS: ook hier weer iets minder zekerheid om je inschrijvingsgeld terug te krijgen bij
aandelen dan bij obligaties
Types van financiële markten:
Primaire markt → secundaire markt
Primaire markt = de markt waar nieuwe financiële producten worden uitgegeven → duurt
meestal een week, dat je nieuwe financiële producten kan kopen
➔ Hierbij koop je van de emittent. Het geld dat je investeert gaat naar de emittent
Emissie = uitgifte van een nieuw financieel product. Dag dat het financieel product bestaat →
Vanaf die dag begint de levensloop
Secundaire markt = plaats waar bestaande financiële producten worden verhandeld
➔ Emittent speelt hier niet meer mee.
, Geldmarkt → kapitaalmarkt
Geldmarkt = hierbij worden de financiële producten verhandeld die een restlooptijd hebben van
een jaar of minder
Kapitaalmarkt = hierbij worden financiële producten verhandeld die een restlooptijd hebben
van meer dan een jaar
Looptijd = verschil tussen emissie van een financieel product en de eindvervaldag
Restlooptijd = wat blijft er nog over van de looptijd op de dag van vandaag (rekenen van nu tot
eindvervaldag)
Obligaties → Kan zowel op geldmarkt als op kapitaalmarkt
Aandelen → Altijd op de kapitaalmarkt, hebben GEEN eindvervaldag
Concrete markt → abstracte markt
Concrete markt = markt waar kopers en verkopers zich elkaar fysiek ontmoeten
Abstracte markt = geen fysiek contact tussen de koper en verkoper → doen dit door middel
van een netwerk waarmee ze met elkaar verbonden zijn
Prijsgedreven markt → Ordergedreven markt
Prijsgedreven markt (bv. Nasdaq) = eerst wordt de prijs van een financieel product vastgelegd,
→ daarna komen pas de orders binnen van beleggers die dat product willen kopen tegen de
vastgelegde prijs
➔ PRIJS WORDT VASTGELEGD DOOR EEN MARKTMAKER. Die gaat continu doorheen de hele
dag prijzen afficheren. Gaat altijd koersen gaan afficheren. Een biedkoers en een laatkoers. Het
verschil = spread.
Biedkoers!!! = de kleinste. De prijs waartegen de marktmaker koopt
Laatkoers!!! = prijs waartegen de marktmaker verkoopt → koopt tegen kleinere koers dan hij
tegen verkoopt, maar zo kan de marktmaker toch winst boeken
Ordergedreven markt (bv. Brussel Euronext) = een markt waar eerst orders binnenkomen. Een
order = een belegger die een verzoek stuurt naar de beurs om een aandeel te kopen.
→ Dan pas prijs vastleggen (vraag en aanbod gelijk, dat bepaalt de prijs)
, EXAMEN: Voorbeeldje van de werking van een marktmaker:
Spread = 0,20 (op elk moment van de ochtend)
9h:
Aankoopprijs als belegger = biedkoers (om 9h = 25,10)
→ verkoopprijs als belegger = laatkoers (om 9h = 25,30)
Aanbod > vraag, dus marktmaker gaat meer kopen dan verkopen (namelijk kopen: 400 en
verkopen:100 → heeft dus 300 aandelen extra)
➔ Te veel beleggers die willen verkopen en te weinig die willen aankopen → dus
duidelijk dat de prijs te hoog is.
9h45:
Opl: om 9h45 prijs doen dalen → meer beleggers gaan kopen dan verkopen → dus verliest er
200 → saldo 100
➔ Prijs duidelijk te laag, dus gaat prijs weer gaan verhogen om 10h30
10h30:
0,10 toegevoegd → +- evenveel gekocht/verkocht, er worden er 50 meer gekocht dan verkocht,
dus nog steeds hogere vraag → aanbod ➔ prijs nog te laag
11h15:
0,05 extra → en zo verder zoeken naar het evenwicht tot je gelijk krijgt
➔ PRINCIPE: telkens wanneer je te veel verkoopt in verhouding met wat je aankoopt is de
prijs te laag en moet je de prijs doen stijgen EN OMGEKEERD (wisselwerking aantonen
op EXAMEN)
Om dan te kijken of de marktmaker een positieve ochtend heeft gehad of een negatieve moeten
we gaan kijken naar wat hij heeft aangekocht en wat hij heeft verkocht.