HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, NJ 2010/115 (Ing/Bera Holding)
HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5609, NJ 2013/172 (Esmilo/Mediq)
HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 (Heesakkers/Voets)
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 (Haviltex)
HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493 (Pensioenfonds DSM/Fox)
HR 2 feb. 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98 (Goglio/SMQ Group)
HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8991, NJ 2013/5 (Ploum/Smeets en Geelen II)
HR 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4728, NJ 2000/562 (Mol/Meijer)
HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9311, NJ 2001/79 (Multi Vastgoed/Nethou)
HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1338, NJ 2002/213 (Oerlemans Agro/Driessen)
HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9494, NJ 2006/597 (Endlich/Bouwmachines)
HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182 (De Treek/Dexia)
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, NJ 2014/497 (Van de Steeg/Rabobank)
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581, NJ 2020/197, (FraaNJe/Alukon)
HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:141, NJ 2020/60 (Tekortkoming leveringstermijn)
2010 – ING / Bera Holding
voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde kan ook plaats zijn
ingeval men gerechtvaardigd heeft vertrouwed op volmachtverlening o.g.v. Feiten en
omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar
verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.
2012 Esmilo / Mediq
De enkele omstandigheid dat de overeenkomst tot een door de wet verboden prestatie verplicht,
brengt niet mee dat de overeenkomst een verboden strekking heeft en dus nitig is, ook niet als beide
partijen zich bij het sluiten van de overeenkomst bewust waren van het wettelijk verbod. Zoals door
de regeringscommissaris is opgemerkt, is er namelijk een groot aantal wettelijke verboden, in het
algemeen van publiekrechtelijke aard, bij het opstellen waarvan de wetgever niet de
privaatrechtelijke gevolgen voor ogen had.
Een overeenkomst die in strijd komt met een zodanig verbod hoeft niet strijdig te zijn met de
openbare orde. Daarom dient de rechterr, indien een overeenkomst verplicht tot een door de wet
verboden prestatie, in zijn beoordeling of de overeenkomst op die grond in strijd is met de openbare
orde in elk geval te betrekken welke belangen door de geschonden regel worden beschermd, of door
de inbreuk op de regel fundamentele beginselen worden geschonden, of partijen zich van de inbreuk
op de regel bewust waren, en of de regel in een sanctie voorziet.
2013 Heesakkers / Voets
Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
Indien de rechter over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om te
vermoeden dat een overeenkomst onder het bereik van Richtlijn 93/13 EEG valt en een beding
bevat dat oneerlijk is, dient hij daarnaar onderzoek te doen, ook indien daarom gerichte stellingen
niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd. Staan de relevante feiten niet alle
vast, dan zal de rechter de instructiemaatregelen moeten nemen die in dit verband nodig zijn om de
volle werking van de Richtlijn te verzekeren.
1981 Haviltex
De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract
een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord o.g.v. alleen een
taalkundige uitleg. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen