Garantie de satisfaction à 100% Disponible immédiatement après paiement En ligne et en PDF Tu n'es attaché à rien 4,6 TrustPilot
logo-home
Resume

Samenvatting Inleiding in de persoonlijkheidspsychologie - Persoonlijkheidspsychologie

Note
-
Vendu
-
Pages
45
Publié le
23-04-2025
Écrit en
2024/2025

Gehele boek van persoonlijkheidspsychologie, 2e druk. Bevat alle begrippen.

Établissement
Cours











Oups ! Impossible de charger votre document. Réessayez ou contactez le support.

Livre connecté

École, étude et sujet

Établissement
Cours
Cours

Infos sur le Document

Livre entier ?
Oui
Publié le
23 avril 2025
Nombre de pages
45
Écrit en
2024/2025
Type
Resume

Sujets

Aperçu du contenu

Persoonlijkheidspsychologie

Hoofdstuk 1: Persoonlijkheid: een introductie

§1.1 wat is persoonlijkheid
Ieder mens is anders, niemand is hetzelfde. Al deze verschillen zijn individuele verschillen.
Ieder mens heeft bepaalde eigenschappen die hen beschrijven. Als je kijkt naar individuele
verschillen, zijn een aantal stabiel (oogkleur, intelligentie) en de andere veranderen (leeftijd,
hobby’s) met de tijd. Persoonlijkheid betekent de psychologische eigenschappen waarin mensen
van elkaar verschillen en die meestal redelijk stabiel blijven over tijd.

Persoonlijkheid heeft betrekking op de kenmerkende individuele verschillen tussen mensen in de manier
waarop ze zich gedragen, hoe ze zich voelen en hoe ze denken. Deze individuele eigenschappen zijn vrij
stabiel, deels genetisch bepaald en openbaren zich in verschillende situaties.
→ Hieraan kan worden toegevoegd dat achter de gedragingen, gevoelens en gedachten bepaalde
psychologische mechanismen schuilgaan. Deze mechanismen helpen mensen om om te kunnen
gaan met hun omgeving.

Binnen het onderwerp stabiele persoonlijkheid worden de woorden karakter en temperament soms
gebruikt
●​ Karakter zegt iets over wat typisch is aan iemand. Het gaat over het beeld wat wij van
personen hebben, het heeft wat weg van stereotiepe.
●​ Temperament komt oorspronkelijk uit de Griekse oudheid. Vroeger dacht men dat het
temperament kwam uit de hoeveelheid lichaamssappen, humores, bloed, gal, slijm en
zwarte gal.


Te veel aan Naam temperament Psychologische beschrijving

Bloed Sanguinisch Vrolijk, vriendelijk en grappig

Slijm Flegmatisch Traag, sloom en lui

Gal Cholerisch Onstuimig, grootmoedig en
onverschrokken

Zwarte gal Melancholisch Somber, zwijgzaam en
vasthoudend


Tegenwoordig wordt deze theorie amper gebruikt omdat er geen wetenschappelijke onderbouwing
voor is. De termen flegmatisch, melancholisch en zwartgallig worden vandaag de dag nog wel
gebruikt. Tegenwoordig wordt het temperament vooral gebruikt om te verwijzen naar basale
persoonlijkheidseigenschappen*, die al in de kinderjaren aanwezig zijn en observeerbaar zijn.

**basale persoonlijkheidseigenschappen zijn de belangrijkste en meest algemene kenmerken van
iemands persoonlijkheid

§1.2 stabiliteit van persoonlijkheid
Een belangrijk kenmerk aan persoonlijkheid is dat het redelijk stabiel is. Echter weten we niet hoe
stabiel het daadwerkelijk is, omdat het ook nog wel is wil veranderen. Men kan twee belangrijke
vormen van stabiliteit onderscheiden: rangorde stabiliteit en mean-level stabiliteit.
●​ Rangorde stabiliteit gaat over de relatieve positie die iemand heeft in vergelijking met
anderen en of die positie gelijk blijft over de tijd. De overeenkomst tussen de scores die bij
verschillende meetmomenten zijn uitkomen, worden uitgedrukt in correlaties.
●​ Mean-level stabiliteit gaat over of de gemiddelde score van een groep mensen hetzelfde
blijven als ze ouder worden.




1

,Onderzoek toont aan dat al bij baby’s een bepaalde mate van stabiliteit van temperamentfactoren
is gevonden, het temperament neemt wel toe naarmate de baby ouder wordt. Ook blijkt dat bij
oudere kinderen individuele verschillen in persoonlijkheid redelijk stabiel in de tijd blijken te zijn.
Hoe ouder je wordt hoe stabieler je persoonlijkheid. Persoonlijkheid is redelijk stabiel.

1.3 Erfelijkheid van persoonlijkheid
Eigenschappen hebben vermoedelijk een genetische basis, ze zijn erfelijk. Om te bepalen in
hoeverre persoonlijkheidskenmerken erfelijk zijn, wordt er onderzoek gedaan.
Tweelingonderzoek is zo’n onderzoek, het houdt zich bezig met in hoeverre persoonlijkheid
erfelijk is. Eeneiige tweeling deelt ongeveer 100% van hun genen, terwijl twee-eiige tweelingen
slechts 50% delen, evenveel als de gewone broer/ zus. Als eeneiige tweelingen (die apart zijn
opgegroeid) veel meer op elkaar lijken in een bepaalde eigenschap dan twee-eiige tweelingen, dan
wijst dat op een sterke genetische invloed.

𝐸𝑟𝑓𝑒𝑙𝑖𝑗𝑘ℎ𝑒𝑖𝑑 = 2(𝑟 𝑒𝑒
− 𝑟 )
𝑒𝑡


Deze formule vergelijkt hoe sterk een eigenschap overeenkomt tussen eeneiige tweelingen versus
twee-eiige tweelingen. Hoe groter het verschil, hoe meer invloed genen hebben (dus: hogere
erfelijkheid).

Een belangrijk uitgangspunt van tweelingonderzoek is de aanname van gelijke omgevingen.
Dit betekent dat onderzoekers ervan uitgaan dat eeneiige en twee-eiige tweelingen opgroeien in
vergelijkbare omstandigheden.
Onderzoekers vonden dat neuroticisme voor 70% erfelijk was en agressie voor 59%. Uit de
onderzoeken bleek dat persoonlijkheid ongeveer 50% erfelijk is.
Dit betekent dat persoonlijkheid tussen de 40% en 60% toe te schrijven is aan de omgeving. Die
omgeving kan weer worden opgesplitst in een gedeelde omgeving en niet-gedeelde
omgeving. De gedeelde omgeving hebben beide tweelingen mee te maken zoals, gezin,
opvoeding. De niet gedeelde omgeving is uniek voor het individu, zoals eigen vrienden. Onder
normale omstandigheden heeft de gedeelde omgeving geen invloed op de ontwikkeling van
persoonlijkheid. Als het dus gaat over de ontwikkeling van de persoonlijkheid lijkt de opvoeding er,
onder normale omstandigheden, dus eigenlijk niet zoveel te doen.

De fysieke omgeving, in de baarmoeder staan de hersenen van het ongeboren kind al bloot aan
invloeden die de persoonlijkheid en het temperament langdurig kunnen beïnvloeden of haar
ontwikkeling kunnen verstoren. Als bijvoorbeeld de zwangere vrouw zich bloot stelt veel stress
ervaart, verslavende middelen, medicatie, slechte voeding of gifstoffen, dan beinvloedt dat
onderandere het stresssysteem van het ongeboren kind.

Uit onderzoek blijkt dat het sociaal-economische milieu ook een kleine invloed heeft op
persoonlijkheid. Zo blijkt dat kinderen die opgroeien in een hoger sociaal-economisch milieu, hoger
scoren op Openness to experience (Openstaan voor ervaringen).
Als onder persoonlijkheid ook cognitieve intelligentie valt, ligt het anders. Het verband tussen
sociaal-economisch milieu en cognitieve intelligentie is veel groter. Hoe hoger het
sociaal-economisch milieu waarin het kind opgroeit, hoe intelligenter het kind.

Dweck onderscheidt persoonlijkheid in twee delen
●​ Zichtbare persoonlijkheid: wat je aan de buitenkant ziet, zoals hoe iemand zich
gedraagt of praat.
●​ Onzichtbare persoonlijkheid: wat er vanbinnen gebeurt, zoals gedachten, overtuigingen
en gevoelens. Psychologische behoeften zoals:
1.​ behoefte aan verbondenheid
2.​ behoefte aan controle
3.​ behoefte aan competentie




2

,Tijdens de jeugd ontwikkelen mensen overtuigingen over hoe deze behoeften vervuld kunnen
worden. Deze overtuigingen worden BEAT’s genoemd (Behavioral Emotional Anchoring of
Traits). BEAT’s zijn een soort “sporen” die de omgeving in je persoonlijkheid achterlaat, vooral via
belangrijke emotionele gebeurtenissen.
Dweck onderscheidt twee typen overtuigingen:
●​ overtuigingen over anderen die te maken hebben met ‘slecht’ en ‘goed’, zoals: kan ik de
ander vertrouwen? Dit beïnvloedt hechtingsstijl
●​ Overtuigingen over controle, zoals ben ik in staat om te doen wat nodig is? Dit beïnvloedt
growth mindset en locus of control.
Deze overtuigingen zijn gekoppeld aan emoties en worden opgeslagen als emotions in action
tendencies (emotionele reacties met gedragsneiging). BEAT’s ontstaan door ervaringen en
worden sterker wanneer ze regelmatig bevestigd worden. Ze zijn gebaseerd op ervaringen in de
jeugd, maar kunnen ook in de volwassenheid beïnvloed worden. BEAT’s kunnen ook belemmerd
zijn. Bijvoorbeeld iemand die in zijn jeugd weinig liefde of aandacht kreeg, kan later moeite
hebben met verbondenheid en vertrouwen. Deze belemmerende BEAT’s kunnen worden
doorgegeven aan de volgende generaties, intergenerationele overdracht, tenzij ze actief worden
doorbroken. Ondanks genetische aanleg blijkt: de persoonlijkheid is sowieso lastig veranderbaar,
maar niet onmogelijk.

§1.4 Zelf en identiteit
De term persoonlijkheid verwijst deels naar wat iemand doet (objectief gedrag), maar ook naar
wat iemand denkt over zichzelf. Dat laatste noemen we het zelfbeeld of zelfconcept. Het
zelfconcept is subjectief en bestaat uit hoe iemand zichzelf ziet, los van wat anderen vinden of
observeren. Een belangrijk aspect uit het zelfconcept is zelfwaardering, oftewel hoe tevreden je
bent met jezelf. Dit wordt vaak gemeten met vragenlijsten zoals de Rosenberg Self-Esteem Scale.
Een ander onderdeel van het zelfconcept is sociale identiteit, wat verwijst naar hoe je jezelf
presenteert binnen een groep. De ontwikkelingen van het zelfconcept begint al vroeg
●​ Vanaf 2-3 jaar herkennen kinderen zichzelf in de spiegel
●​ tussen 3 en 12 jaar leren kinderen zichzelf definiëren in termen van kunnen, uiterlijk,
sociale vergelijking en persoonlijke eigenschappen.
De mate van zelfwaardering ontwikkelt zich op basis van ervaringen en hoe iemand zich verhoudt
tot anderen. Zelfwaardering kan dus stijgen of dalen, afhankelijk van wat iemand bereikt of hoe
anderen op hem/haar reageren.
Sociale identiteit speelt vooral een rol in de adolescentie, wanneer jongeren meer bezig zijn met
hun plek in de groep en hoe ze willen overkomen op anderen. Wanneer iemand moeite heeft om
verschillende aspecten van de identiteit te combineren of een duidelijke richting te kiezen, kan er
sprake zijn van een identiteitscrisis. Een identiteitscrisis ontstaat vaak bij jongeren of tijdens
levensovergangen zoals studiekeuze of carrière. Mensen twijfelen dan aan wie ze zijn of willen zijn.
Als mensen langere tijd blijven hangen in zo'n crisis, spreken we van identiteitsconflict. Ze
moeten dan kiezen tussen verschillende sociale rollen of levenskeuzes. Een midlifecrisis is een
specifiek soort identiteitscrisis die vaak voorkomt tussen het 40e en 50e levensjaar.
●​ Mensen stellen hun leven in twijfel
●​ Ze kunnen experimenteren met nieuwe hobby’s, relaties of carrièrepaden
Psychologisch gezien ontstaat een midlifecrisis als mensen ontevreden zijn over delen van hun
identiteit en hun leven anders willen vormgeven. Toch leidt dit niet altijd tot negatieve gevolgen

Hoofdstuk 2: klassieke modellen van persoonlijkheid

2.1 Sigmund Freud en de psychoanalyse
Freud stelt dat gedrag niet alleen bewust wordt gestuurd, maar vaak ook onbewust. Veel gedrag
komt voort uit onbewuste motieven die actief zijn zonder dat je het weet. Volgens Freud ben je
daarom vaak geen baas in eigen huis.
Freud baseerde zijn theorie op patiënten met hysterie: lichamelijke klachten zonder medische
oorzaak. Onder hypnose verdwenen symptomen tijdelijk. Freud concludeerde dat deze klachten
een psychische oorzaak hadden, gekoppeld aan verdrongen herinneringen.



3

, Drie aspecten van de psyche
Symbolisch aspect: Freud ontdekte dat psychische conflicten zich vaak niet direct uiten, maar in
een omweg, bijvoorbeeld via het lichaam. In plaats van dat iemand zich bewust is van een innerlijk
conflict, vertaalt de psyche dat conflict naar een lichamelijk symptoom. Dat lichamelijke probleem
heeft dan geen medische oorzaak, maar een symbolische betekenis.
Topisch model: stelt dat de menselijke geest bestaat uit verschillende bewustzijnslagen:
●​ Bewust: Alles wat je op dit moment weet of denkt
●​ Voorbewust: Informatie die niet actief in je gedachten is, maar je wel makkelijk kunt
oproepen (bijv. je verjaardag)
●​ Onbewust: Inhoud (herinneringen, wensen, angsten) die verdrongen is en niet direct
toegankelijk is, maar wel invloed heeft op je gedrag.
Deze plaatsen zijn geen fysieke zones, maar meet metaforen voor de toegankelijkheid van
mentale processen
Dynamisch aspect: Hier beschrijft Freud de psyche als een intern krachtenveld. Verschillende
psychische processen, zoals driften, verlangens en morele normen, kunnen met elkaar botsen.
Deze botsingen veroorzaken innerlijke spanning. Wanneer die spanning te groot wordt, grijpt het
Ego in om die spanningen te reguleren, vaak via verdringing. Dat betekent dat een onacceptabele
gedachte of wens wordt weggestopt in het onbewuste. De wens verdwijnt dan uit het bewuste,
maar blijft onbewust doorwerken.

Verdringing is het onbewust wegstoppen van ongewenste herinneringen of wensen, dit
veroorzaakt psychische spanning. Soms leidt dit tot fixatie of regressie: blijven hangen in een
oud patroon of terugvallen naar kindergedrag.

Freid beschouwede driften als de psychische aandrang die voortkomt uit lichamelijke beheoften,
zoals honger, dorst, slaap, seks of agressie. Deze driften zijn krachten die druk uitoefenen op het
psychische systeem om tot bevrediging te komen. Ze hebben dus een biologische oorsprong,
maar een psychische werking.
Wanneer een drift niet bevredigd wordt, ontstaat frustratie, en dat kan leiden tot innerlijke
spanning of zelfs psychisch lijden. Freud beschreef het mechanisme van driftbeheersing in
economische termen: hij sprak over een spanningsopbouw die via een object ontladen moet
worden.

Een belangrijk principe hierin is het lustprincipe. Driften volgen het lustprincipe, wat betekent dat
zij streven naar onmiddellijke ontlading en genot. Freud vergelijkt dit met een elektrisch circuit:
net als spanning op een draad wordt ontladen bij kortsluiting, zoekt ook psychische energie (drift)
een ‘ontlading’. Als die ontlading uitblijft, ontstaat er onlust, een toestand van spanning, frustratie
of ontevredenheid.

Freud noemt de belangrijkste levensdrift libido. Libido is niet enkel seksuele lust, maar de
algemene energie die gericht is op bevrediging. Deze energie zoekt een object waaraan ze zich kan
binden. Objectkeuze is cruciaal: de drift kan zich richten op mensen, dingen, lichaamsdelen, zelf
symbolische objecten. Regressie houdt verband met libido doordat deze driftenergie, bij spanning
of stress, kan terugvallen naar een eerdere fase waarin eerder bevrediging plaatsvond. In plaats
van een volwassen objectkeuze zoekt de libido dan opnieuw troost in kinderlijke vormen van
bevrediging, zoals duimzuigen of afhankelijk gedrag.

Wanneer driftbevrediging langdurig uitblijft, ontstaat onlust, en kan de opbouwende spanning zich
uiten in:
●​ Neurotische symptomen: zoals angst, dwangmatig gedrag, Lichamelijke klachten zonder
lichamelijke oorzaak
●​ Symbolisch gedrag
●​ fixatie: blijven hangen in een eerdere beverdigingsfase (bijv oraal)
●​ regressie: terugvallen op kinderlijke gedragingen als de volwassen manier van ontlasting
faalt.



4
€6,99
Accéder à l'intégralité du document:

Garantie de satisfaction à 100%
Disponible immédiatement après paiement
En ligne et en PDF
Tu n'es attaché à rien

Faites connaissance avec le vendeur
Seller avatar
djoeketjabbes

Faites connaissance avec le vendeur

Seller avatar
djoeketjabbes Hogeschool van Amsterdam
S'abonner Vous devez être connecté afin de suivre les étudiants ou les cours
Vendu
7
Membre depuis
4 année
Nombre de followers
0
Documents
2
Dernière vente
2 semaines de cela

0,0

0 revues

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Récemment consulté par vous

Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions