Grammaticaregels Nederlands - Uitgebreide Samenvatting
1. Woordsoorten
Zelfstandig naamwoord (znw): mensen, dieren, dingen, planten, abstracte begrippen. (bv. hond,
liefde)
Bijvoeglijk naamwoord (bnw): extra info over znw. (bv. grote hond)
Werkwoord (ww): handeling of toestand. (bv. lopen)
Bijwoord (bw): zegt iets over ww, bnw of bw. (bv. snel)
Voorzetsel (vz): geeft plaats, tijd, richting. (bv. op, tijdens)
Voegwoord (vw): verbindt woorden of zinnen. (bv. en, maar)
Lidwoord (lw): de, het, een.
Voornaamwoord (vnw): vervangt/verwijst. (bv. ik, die)
2. Zinsontleding (zinsdelen)
Persoonsvorm (pv): werkwoord dat verandert bij tijdsverandering.
Onderwerp (o): wie/wat doet iets?
Gezegde (gez): alles wat over het onderwerp wordt gezegd.
Lijdend voorwerp (lv): ondergaat de handeling.
Meewerkend voorwerp (mv): aan/voor wie gebeurt iets.
Bepalingen: extra informatie over tijd, plaats, reden, etc.
3. Werkwoordspelling
Tegenwoordige tijd: stam + t bij jij/hij/zij.
Verleden tijd: 't kofschip (stam eindigt op t/k/f/s/ch/p -> te(n), anders de(n)).
Voltooid deelwoord: ge- + stam + t/d volgens 't kofschip.
4. Tussen-n of niet?
Wel -n: zelfstandig naamwoord met meervoud op -n. (bv. paddenstoel)
Geen -n: geen meervoud op -n. (bv. zonnebril)
1. Woordsoorten
Zelfstandig naamwoord (znw): mensen, dieren, dingen, planten, abstracte begrippen. (bv. hond,
liefde)
Bijvoeglijk naamwoord (bnw): extra info over znw. (bv. grote hond)
Werkwoord (ww): handeling of toestand. (bv. lopen)
Bijwoord (bw): zegt iets over ww, bnw of bw. (bv. snel)
Voorzetsel (vz): geeft plaats, tijd, richting. (bv. op, tijdens)
Voegwoord (vw): verbindt woorden of zinnen. (bv. en, maar)
Lidwoord (lw): de, het, een.
Voornaamwoord (vnw): vervangt/verwijst. (bv. ik, die)
2. Zinsontleding (zinsdelen)
Persoonsvorm (pv): werkwoord dat verandert bij tijdsverandering.
Onderwerp (o): wie/wat doet iets?
Gezegde (gez): alles wat over het onderwerp wordt gezegd.
Lijdend voorwerp (lv): ondergaat de handeling.
Meewerkend voorwerp (mv): aan/voor wie gebeurt iets.
Bepalingen: extra informatie over tijd, plaats, reden, etc.
3. Werkwoordspelling
Tegenwoordige tijd: stam + t bij jij/hij/zij.
Verleden tijd: 't kofschip (stam eindigt op t/k/f/s/ch/p -> te(n), anders de(n)).
Voltooid deelwoord: ge- + stam + t/d volgens 't kofschip.
4. Tussen-n of niet?
Wel -n: zelfstandig naamwoord met meervoud op -n. (bv. paddenstoel)
Geen -n: geen meervoud op -n. (bv. zonnebril)