Staatsrecht – bestuursrecht – strafrecht – internationaal en Europees recht
Gebaseerd op: C.J. Loonstra, Hoofdlijnen Nederlands Recht, Utrecht: Noordhoff Uitgevers 2022
Opleiding: HBO-Rechten – HAN
1. Staatsrecht
1.1 Definitie en kenmerken van de staat
1.2 Scheiding der machten (trias politica)
1.3 Checks & balances & legaliteitsbeginsel
1.4 Rechtsbronnen (grondwet, gewoonterecht, jurisprudentie, verdragen)
2. Bestuursrecht
2.1 Overheidshandelingen: feitelijke vs. rechtshandelingen
2.2 Privaatrechtelijke & publiekrechtelijke rechtshandelingen
2.3 Legaliteitsbeginsel en bestuursbevoegdheid (attributie, delegatie, mandaat)
2.4 Belanghebbende (art. 1:2 Awb)
3. Besluitvorming in het Bestuursrecht
3.1 Definitie besluit (art. 1:3 Awb)
3.2 Soorten besluiten & beschikkingen
3.3 Algemene maatregelen van bestuur (AMvB) & ministeriële regelingen
3.4 Decentralisatie & bevoegdheidsverdeling
4. Strafrecht
4.1 Materieel vs. formeel strafrecht
4.2 Misdrijven & overtredingen
4.3 Delictsomschrijving & bestanddelen
4.4 Legaliteitsbeginsel in het strafrecht
5. Strafprocesrecht
, 5.1 Opsporing en voorbereidend onderzoek
5.2 Vervolging en opportuniteitsbeginsel
5.3 Procesrechten verdachte (cautie, advocaat, voorlopige hechtenis)
5.4 Soorten rechters & relatieve/absolute competentie
5.5 Onderzoek ter terechtzitting & vonnisprocedure
6. Internationaal Recht
6.1 Bronnen & doelstellingen van internationaal recht
6.2 Monisme vs. dualisme in doorwerking van verdragen
6.3 Totstandkoming en werking van verdragen
6.4 Internationale organisaties (intergouvernementeel vs. supranationaal)
7. Europees Recht
7.1 Oprichting & doelstellingen van de EU
7.2 EU-instellingen: Europese Raad, Commissie, Raad, Parlement, HvJ
7.3 Primair & secundair EU-recht: verordeningen, richtlijnen, besluiten
7.4 Voorzieningen voor implementatie en rechtspraak
Staatsrecht
Hoofdstuk 9
Les 1
Staatsrecht
= heeft betrekking tot overheid en burger. Biedt wetten en regelgeving waar men zich aan moet
houden
Staat
= volksgemeenschap (natie) die samenleeft op een afgegrensd grondgebied met een orgaan die de
hoogste macht heeft
3 kenmerken van een staat:
1) Aanwezigheid van een volksgemeenschap
2) Afgegrensd grondgebied
, 3) 1 orgaan heeft de hoogste macht en oefent gezag uit. ( overheid)
Staatsapparaat = alle organen die namens de staat over de gemeenschap beslissingen nemen
Bezit soevereiniteit = het recht om hoogste gezag uit te oefenen, zo’n soevereine staat is naar
binnen en naar buiten toe de machtigste.
Spreiding van machten: Montesquie
Trias politica - > staatsmacht zonder dat deze misbruikt wordt ten kosten van de burgers
3 machten:
1) De wetgevende macht
- Belangrijkste
- Samengesteld door en uit de burgers van het land
- Vaardigt regels uit die de uitvoerende macht moet uitvoeren
- Staten-Generaal/parlement
2) De uitvoerende macht
- Voert de wetten en regels uit
- Regering/bestuur
3) De rechterlijke macht
- Spreekt uit welke wetsartikelen van toepassing is
- De rechter
Geen absolute scheiding tussen de staatsmachten:
Checks balances = de machten moeten samenwerken bij het bv maken van wetten (regering en
Staten-Generaal) en moeten elkaar controleren
Legaliteitsbeginsel
= ieder overheidsoptreden dient gebaseerd te zijn op een wettelijke grondslag
Rechtsbronnen van staatsrecht
- De grondwet
- Het gewoonte recht
- Jurisprudentie (De rechtspraak)
- Het verdrag (belangrijkst)
= overeenkomst gesloten tussen 2 of meer staten
2 staten -> bilateraal
Meer dan 2 staten -> multilateraal
2 verdragsbepalingen
Instructienormen = de inhoud van het verdrag moet binnen een bepaalde tijd
opgenomen zijn in een nationale wet
Self-executing normen = heeft directe werking. Burger kan zich hier direct op
beroepen art 93 GW
Totstandkoming verdrag