Leereenheid 1
EHRM 10 januari 2017 Appl. No. 56134/08 (Korzeniak/Poland)
Rechtsregel: verzoeker heeft recht op berechting binnen een redelijke termijn
zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM.
De zaak van de heer Korzeniak nam meer dan acht jaar in beslag. Het Hof
oordeelde dat de Poolse autoriteiten onvoldoende inspanningen hadden geleverd
om de zaak binnen een redelijke termijn af te handelen, wat resulteerde in een
schending van artikel 6 EVRM. De heer Korzeniak kreeg een schadevergoeding
van 3.300 euro.
1
, Jurisprudentie Burgerlijk Procesrecht april 2025
Leereenheid 2
HR 10 september 2004, NJ 2005/223 (O./Euronext en AEX).
Rechtsregel: het instellen van een rechtsmiddel tegen een niet meer bestaande
rechtspersoon, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid indien de partij die het
rechtsmiddel instelt, niet weet en redelijkerwijs niet kan weten dat een
rechtsovergang aan de zijde van de wederpartij heeft plaatsgevonden.
Werkneemster (O.) en AEX hadden een geschil, waarna AEX in september 2000
fuseerde met Euronext en ophield te bestaan. In mei 2001 stelde O. hoger beroep
in tegen AEX, niet wetende van de fusie. Euronext betoogde dat het hoger
beroep niet-ontvankelijk was, omdat het tegen een niet-bestaande rechtspersoon
was gericht. In beginsel moet een rechtsmiddel worden ingesteld tegen de
wederpartij of, bij een fusie, tegen de rechtsopvolger. Omdat Euronext de fusie
niet kenbaar had gemaakt en onder de naam AEX procedeerde, was O. hiervan
niet op de hoogte. Hierdoor werd het hoger beroep toch ontvankelijk geacht,
ondanks dat het was ingesteld tegen een niet meer bestaande rechtspersoon.
HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:485, NJ 2020/123.
Rechtsregel: een vordering in reconventie tegen afzonderlijke vennoten van een
VOF is toelaatbaar, mits dit tijdig en op de juiste wijze gebeurt. De rechter kan dit
op grond van artikel 118 Rv, ambtshalve of op verzoek van de gedaagde, bieden.
De vennootschap onder firma (vof) had op eigen naam een vordering ingesteld,
waarna de wederpartij vervolgens een vordering in reconventie stelde tegen de
afzonderlijke vennoten van de vof. Nu rees de vraag of deze tegenvordering
tegen individuele vennoten mogelijk is, wanneer de oorspronkelijke vordering
door de vof zelf is ingesteld. De Hoge Raad oordeelde dat de rechter, op verzoek
van gedaagde of ambtshalve, op grond van artikel 118 Rv de mogelijkheid kan
bieden om die vennoten in het geding te betrekken.
HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762, NJ 2013/59 (Unidek/HDI).
Rechtsregel: als de verkeerde rechtspersoon wordt gedagvaard, maar de juiste
partij aangeeft het inhoudelijke oordeel te respecteren, is er sprake van
voldoende belang van een inhoudelijke beoordeling van de vordering. Dit geldt
ook wanneer de verkeerd gedagvaarde rechtspersoon inmiddels is ontbonden en
vereffend.
Unidek Volumebouw B.V. (Unidek) had een verzekeringsgeschil en dagvaardde
HDI International Holding N.V. (HDI Holding). Unidek had de vordering echter ten
onrechte tegen HDI Holding ingesteld, terwijl deze eigenlijk gericht had moeten
zijn tegen Hannover International Insurance N.V. (Hannover), een
dochtermaatschappij van HDI Holding. Tijdens de procedure verklaarde HDI
Holding, mede namens Hannover, dat zij een inhoudelijk oordeel over de
vordering wensten en dat Hannover zich zou conformeren aan het uiteindelijke
oordeel.
2