opvoeding en ontwikkeling - Colleges
Inhoud
Week 1: Neuro-basics, evolutie en het sociale brein .................................................. 2
Hoofdstuk 2: Het zenuwstelsel ............................................................................. 2
Hoofdstuk 3: Evolutie .......................................................................................... 4
Week 2: Methodes................................................................................................. 10
Week 3: Stress ...................................................................................................... 15
Week 4: Emotie en motivatie ................................................................................. 20
Week 5: Gezichtsherkenning ................................................................................. 24
Week 6: Empathie en altruïsme ............................................................................. 31
Week 7: Moraliteit en antisociaal gedrag ................................................................ 38
Week 8: Ontwikkeling van het brein ...................................................................... 42
Week 9: Relaties ................................................................................................... 49
,Week 1: Neuro-basics, evolutie en het sociale brein
Hoofdstuk 2: Het zenuwstelsel
Het zenuwstelsel is opgebouwd uit
• het centrale zenuwstelsel (het brein en de ruggenwervel)
• het periferische zenuwstelsel, dat weer bestaat uit
o het autonome zenuwstelsel en
o het somatische zenuwstelsel (dat verantwoordelijk is voor
het aansturen van de spieren).
Het autonome zenuwstelsel bestaat uit het
parasympathische en sympatische zenuwstelsel.
Parasympatisch De “rust”/langzame reactie: lagere
hartslag, spijsvertering wordt geactiveerd,
energie wordt opgenomen in het lichaam.
Het lichaam herstelt en bouwt weer
reserves op. Vooral verbonden met de
onderkant van de ruggenwervel en de
hersenstam.
Sympatisch De “actie”/snelle reactie: fight or flight
response, verhoogde hartslag, snellere
ademhaling en juist lagere spijsvertering.
Snelle verbindingen via de gehele
ruggenwervel met de hersenen.
Deze staan in balans; na een stressreactie is er weer rust/opbouw
nodig.
Het centrale zenuwstelsel
De Blood Brain Barrier (BBB) is een soort laagje/muurtje dat ervoor zorgt dat niet alle
stofjes vanuit het bloed naar de hersenen kunnen. Bijv.: ziektes worden tegengehouden en
vet oplosbare deeltjes worden opgenomen
,Opbouw van de hersenen: De delen die dieper in de hersenen liggen (amygdala,
thalamus, substantia nigra) zijn evolutionair al lang aanwezig. Deze zijn verantwoordelijk
voor de simpelere functies. De delen die meer aan de oppervlakte liggen en meer groeven
(gyri en sulci) hebben, zijn verantwoordelijk voor de hogere cognitieve functies.
Communicatie van het zenuwstelsel
Het zenuwstelsel is opgebouwd uit neuronen die
(elektrische) signalen doorgeven. Neuronen bestaan uit:
• Dendrieten: ontvangen signalen
• Celkern/soma: maakt de beslissing of signalen
worden doorgegeven
• Axon: geeft signalen door
De afstand tussen de dendrieten en axon kan groot zijn waardoor de elektrische signalen
verloren zouden kunnen gaan. daarom wordt de axon “beschermd” door myeline scheden,
een soort isolatiemateriaal wat er voor zorgt dat de elektrische signalen niet verloren gaan.
Elektrische signalen worden vervoerd door axonen, via dendrieten komen ze in de
celkern van de neuronen terecht. Die celkern beslist of het signal sterk genoeg is om door te
geven. Als de celkern “ja” besluit, wordt de elektrische lading van de neuron positief. Als dit
bij meerdere neuronen in 1 hersengebied gebeurt, is de positieve lading te meten.
Omdat axonen met witte myalinescheden bekleed zijn, zijn de binnenste hersenen vooral wit
(white matter). De kernen/dendrieten zijn niet bekleed en vooral grijs (grey matter).
Hormonen (en neuropeptiden) zijn boodschapperstofjes gemaakt door gespecialiseerde
klieren en neuronen. Sommige kunnen door de BBB in de hersenen terecht komen.
Endocrine cellen maken hormonen aan en geven die af via het bloed. De hormonen
verspreiden door heel het lichaam maar alleen
targetcellen, cellen die kunnen, binden (door de
hormoon receptoren) worden beinvloedt.
Voorbeelden van hormonen met lange effecten zijn
bijv. geslachtshormonen en krote effecten cortisol of
oxytocine.
Hoe meten we hormonen?
1. Sommige hormonen hebben een baseline, je vergelijkt dan de hoeveelheid na een
reactie met de baseline.
2. We kunnen kunstmatig hormoonlevels verhogen door hormonen toe te dienen
3. Epigenetica: Veranderingen in hoe actief genen zijn kunnen invloed hebben op hoeveel
hormonen je aanmaakt. Dit kun je meten door te kijken naar welke genen actief zijn.
, Hoofdstuk 3: Evolutie
Niko Tinbergen wordt gezien als een van de grondleggers van de ethologie: de
gedragsbiologie die het gedrag van dieren in hun natuurlijke omgeving bestudeert. Hij stelde
dat om gedrag volledig te begrijpen, je vier belangrijke vragen moet beantwoorden:
1. Mechanisme: Hoe komt gedrag tot stand? Bijvoorbeeld: hoe reageren mensen op een
huilende baby? Hierin spelen zintuigen (zoals het horen van gehuil) en motorische
reacties (beweging) een rol.
2. Ontwikkeling: Is het gedrag aangeleerd of aangeboren? Deze vraag is belangrijk in de
pedagogiek, waar wordt onderzocht wat kinderen van nature doen en wat zij leren door
ervaring.
3. Functie
Hoe draagt het gedrag bij aan overleving en voortplanting? Bijvoorbeeld: reageren op een
huilende baby helpt het kind te overleven, wat nuttig is vanuit een evolutionair
perspectief.
4. Evolutie
Hoe is dit gedrag door de evolutie ontstaan? Komt het ook bij andere dieren voor?
De eerste twee vragen zijn vooral interessant voor pedagogen, terwijl biologen zich meer
richten op de laatste twee.
Evolutie als niet-doelgericht proces
Een belangrijk inzicht in de evolutie is dat deze geen doelgericht proces is. Veranderingen
bouwen voort op wat er al bestaat en kunnen niet zomaar worden teruggedraaid. Wanneer
een eigenschap niet bijdraagt aan voortplanting, verdwijnt deze uiteindelijk. Een voorbeeld:
als twee armen onhandig zouden zijn, kunnen we niet ineens vier armen krijgen; evolutie
werkt stap voor stap.
Darwin zag in dat emoties evolutionaire functies hebben. Hij ontdekte bijvoorbeeld dat
emotionele expressies zoals walging ook bij dieren voorkomen, wat erop wijst dat deze
aangeboren zijn. Dit maakt ze betrouwbaarder dan woorden — je kunt bijvoorbeeld blozen
niet bewust tegenhouden.
(klein stukje hoofdstuk 4)
Functie van emoties
Darwin stelde dat emoties een overlevingsfunctie hebben. Walging is een goed voorbeeld: bij
walging trek je je gezicht samen en spuug je iets uit, om te voorkomen dat gevaarlijke stoffen
het lichaam binnendringen. Hoewel walging van immoreel gedrag geen fysieke functie meer
lijkt te hebben, roept het dezelfde emotionele reactie op.