- Uitleggen hoe steden functioneren en (waardoor ze) veranderen;
- Stedelijke dynamieken verklaren aan de hand van drijvende krachten en de rol van planning
daarin;
- Het karakter van (mondiale) drijvende krachten en hun lokale impact begrijpen, en hoe dit
planologische ingrepen kan beïnvloeden.
_____________________________________________________________________________________
LEC 1+2: Geography and planning in the social sciences (10.02.25)
Urban dynamics: Acties en keuzes die steden doen veranderen → veranderingen in karakteristieken
(functies, bevolking, betekenissen en morphology) en ruimtelijke kenmerken (segregatie,
(on)gelijkheden, clustering, monofunctioneel vs multifunctioneel, compact vs sprawl).
Social sciences: Een probleem van social sciences is dat iedereen over de wereld andere definities,
theorieën en talen gebruikt → ontologieën = wat ‘is’ en wat is de realiteit?
1. sociologie: man is social: mensen nemen de normen aan van de dominante groep. Mensen willen
zich identificeren met een plaats.
2. psychologie: man is emotional and intuitive: obv evolutionaire verklaring. Fundamentele
behoeften zoals veiligheid en identiteit. Intuïtie en gevoel, bijvoorbeeld tot plaatsen. Mensen zijn
niet goed in statistiek en kijken naar de lange termijn.
3. politieke wetenschappen: man is power-conscious and power-hungry: mensen willen macht en
zijn gedreven door macht. Macht en machtsrelaties zijn belangrijk voor de beschikbare kennis en
realiteit.
4. economie: man is rational: homo-economiscus = rationele actor met een duidelijk motief die
rationele beslissingen maakt obv voorkeur en behoeften (rijkdom en personal gain).
Obv Ruimtelijk Perspectief: VB
_____________________________________________________________________________________
SEMINAR 1 (10.02.25)
Stedelijke dynamiek is mede het gevolg van drijvende krachten die de schaal van individuele steden te
boven gaan.
1
,Driving forces/drijvende krachten: Vormen sociale ontwikkelingen en veranderingen in de fysieke
leefomgeving. De algemene oorzaken. Vaak is iets op meerdere schaal en hebben globale krachten op een
andere manier invloed op lokale plaatsen. 5 categorieën:
1. Het Milieu: klimaatverandering
2. De Samenleving: demografie, en klasse en stratificatie, migratie
3. De Economie: economische structuur en globalisering
4. De Staat: verzorgingsstaat vs neoliberaal, politiek en ideologie
5. De Techniek
VB: Zoneringsplan zorgt dmv planning voor veranderende stedelijke dynamieken. Niet flexibel, omdat
als het in het zoneringsplan staat, je een vergunning moet geven = legaal bindend.
Stedelijke dynamiek: Veranderingen in de sociale en fysieke eigenschappen van de stad. Meer het gevolg
van de drijvende krachten. Hoe het de stad beïnvloedt. (Hetzelfde als urban dynamics)
1. Sociale dynamiek, zoals Segregatie, Gentrificatie, Consumptie, Emancipatie en Sociale
Vooruitgang, Suburbanisatie;
2. Economische dynamiek, zoals structuurveranderingen in de stedelijke economie en het ontstaan
van een creatieve en innovatieve stad;
3. Stedelijke mobiliteit, zoals veranderingen in mobiliteitspatronen en verandering van
vervoerssystemen en -structuren;
4. Technologische dynamiek, zoals Smart Cities, nieuwe mobiliteitspatronen en -structuren en
platformeconomie;
5. Klimaatmitigatie en -adaptatie in de stad, de stad als vervuiler, etc.
Space: Geografische entiteit met eigen vorm, schaal, en grenzen. Algemene categorie. Hoe de aarde
wordt gebruikt. Ruimte is geen statisch begrip, maar wordt gevormd door fysieke kenmerken als
menselijke activiteiten en beslissingen.
- Morphologie: fysieke ruimten, zoals gebouwen en kamers
- Territorium: administratieve ruimten, zoals gemeenten en landen
- Functies: bruikbare ruimten, zoals suburbs, industrieën
- Mensen: leefruimte, zoals toeristische ruimten waar alles voor de toerist bedoeld is
→ Drijvende krachten zorgen voor verandering van ruimten (nieuwe type ruimtes) en dynamieken.
- In geografie: ruimtelijke organisatie van menselijke activiteiten
- In planologie: het bemiddelen van ruimte
Place: Een specifieke locatie met eigen kenmerken, zoals identiteit, veiligheid en gemeenschap. Ruimte
met een betekenis. Wordt gevormd door mensen en vormt het leven van mensen.
Dikke en dunne plaatsen: dikke plaatsen zijn veel meer verbonden met elkaar/zichzelf en hebben meer
karakteristieken dan dunne plaatsen die minder identiteit en verbondenheid hebben. (VB: dorp vs
winkelcentra). In dikke plaatsen is de time-space behaviour lager, want je hoeft minder vaak weg
aangezien je meerdere functies bij elkaar hebt i.t.t. dunne plaatsen.
2
, - In geografie: het begrijpen en verklaren van plaatsen. Alle menselijke handelingen vinden plaats
in en door plaats en ruimte. Hoe plaats samenlevingen en gedrag beïnvloedt; en vice versa. → de
relatie van mensen met hun omgeving
- In planologie: normatief (het proberen van een plaats ‘beter’ maken). Maar wat betekent ‘beter’?
groener, winstgevender, rechtvaardiger, etc. → het maken van plaats
Spatiality: Hoe ruimte wordt gebruikt en ervaren en hoe dit elkaar beïnvloedt. Ruimte is onderdeel van
sociale processen.
Sociale geografie: De ruimtelijke organisatie van menselijke activiteiten en de relatie van mensen met
hun omgeving.
Stedelijke planologie: De bemiddeling van ruimte en het maken van plaats. Steeds meer
sociaalwetenschappelijk ipv technisch. Waarom stedelijke planning volgens Couch:
- negatieve externe effecten, zoals overlast en vervuiling, verminderen
- marktimperfecties verminderen of voorkomen
- voor freeriding, want als iedereen er gratis gebruik van kan maken wil niemand ervoor betalen
- sociale rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid
- strategische uitkomsten, door bvb mix van functies → vb. Oostpoort
Het bemiddelen van ruimte: Het samenbrengen van (conflicterende) belangen en functies; Regulering;
Controle: negatief
Making of place: Visie-ontwikkeling; Implementatie; Positief, hoopvol
Theorieën in planning: uitkomstgericht (vb utopia’s, maar ook omgevingsvisie)
- Hoe plannen worden gemaakt
- Relatie staat-markt, betrokkenheid van actoren
Theorieën over planning: procesgericht → van government naar governance met meerdere actoren
→ polycentrisch (staat, markt, burgers)
- Wat planners willen vaststellen (normatieve wortels)
- ‘Goede stedelijke vorm’ focus van Couch (2016)
- Ruimtelijke verbeelding (Faludi, 1973; Couch, 2016)
_____________________________________________________________________________________
LEC 3: Economische veranderingen in de stad (13.02.25)
De economic way of thinking: een manier van redeneren waarbij keuzes worden gemaakt op basis van
kosten en baten, schaarste en prikkels. Dit denken is sterk beïnvloed door de klassieke economische
theorieën en principes.
- Klassieke economie: De klassieke economie, ontwikkeld door economen zoals Adam Smith en
David Ricardo, stelt dat markten zichzelf reguleren en efficiënt werken zonder veel
overheidsinterventie.
- Homo economicus (Economic Man): Dit concept beschrijft mensen als rationele, egoïstische
beslissers die altijd proberen hun eigen nut of winst te maximaliseren. Dit idee ligt ten grondslag
aan veel economische modellen.
3
, - Vraag en aanbod (Invisible Hand): Volgens Adam Smith leidt het vrije spel van vraag en
aanbod tot een evenwicht in de markt. De "onzichtbare hand" zorgt ervoor dat individuele acties
(zoals kopen en verkopen) leiden tot een efficiënt werkende economie.
- Concurrentie is goed: Concurrentie zorgt voor innovatie, lagere prijzen en betere producten,
omdat bedrijven moeten strijden om klanten. Dit voorkomt monopolies en inefficiëntie.
- Efficiëntie en winst: In de economische denkwijze draait het om het zo efficiënt mogelijk
inzetten van middelen om winst of welzijn te maximaliseren.
- Ideologie: Kapitalisme & Neo-Liberalisme: Kapitalisme is een economisch systeem gebaseerd
op particulier eigendom en vrije markten. Neo-liberalisme is een moderne variant die pleit voor
minimale overheidsinterventie, privatisering en globalisering.
- Economisme: Dit verwijst naar een visie waarin economische principes worden toegepast op alle
aspecten van het leven, soms ten koste van andere waarden zoals ethiek, sociale rechtvaardigheid
of ecologie.
Marx’ Analyse en Kritiek op het Kapitalisme
- gebaseerd was op uitbuiting en onrechtvaardigheid.
- kapitalisme als een systeem dat uiteindelijk zijn eigen ondergang zou veroorzaken door de
spanningen tussen arbeiders en kapitalisten.
1. Commodificatie: Gebruik- en Ruilwaarde
- Gebruikswaarde (use value): De intrinsieke waarde van een product, gebaseerd op hoe
nuttig het is voor de gebruiker. Bijvoorbeeld: een jas houdt iemand warm.
- Ruilwaarde (exchange value): De waarde die een product heeft in de markt, gebaseerd
op hoeveel het kan opleveren in ruil voor andere goederen of geld.
Onder het kapitalisme wordt alles gecommodificeerd (commodification), wat betekent dat dingen die
voorheen niet als handelswaar werden gezien (zoals arbeid, onderwijs of natuur) nu worden verhandeld
om winst te maken. Dit leidt tot vervreemding, waarbij arbeiders geen controle meer hebben over hun
eigen product en arbeid.
2. Monopolisten: Marx voorspelde dat in een kapitalistisch systeem bedrijven steeds groter zouden
worden door concurrentie en overnames. Dit zou uiteindelijk leiden tot monopolies of oligopolies, waarbij
een kleine groep bedrijven de markt domineert. Hierdoor verliezen arbeiders en kleinere bedrijven hun
macht en worden zij afhankelijk van deze grote kapitalisten.
3. Klassenstrijd (Class Struggle): Volgens Marx is de geschiedenis een constante strijd tussen
verschillende klassen. In het kapitalisme ziet hij een conflict tussen twee hoofdklassen:
- Bourgeoisie: De kapitalisten die de productiemiddelen (zoals fabrieken, machines en
grondstoffen) bezitten.
- Proletariaat: De arbeiders die geen productiemiddelen bezitten en hun arbeid moeten
verkopen om te overleven.
Omdat kapitalisten winst willen maximaliseren, betalen ze arbeiders zo weinig mogelijk en verbeteren ze
hun werkomstandigheden niet. Dit creëert ongelijkheid en uitbuiting, wat uiteindelijk leidt tot
klassenbewustzijn en revolutie.
4