HC1 - Jacquelien Rothfusz - Ethiek
in sociaal werk, 3e editie (2017)
Sociaal werk en moraal
Welke normen en waarden beïnvloeden het handelen?
- Men komt bij de sociaal werker, omdat er problemen zijn die ze zelf
niet kunnen oplossen
- Veel cliënten komen uit zwakkere milieus, of hebben geestelijke
beperkingen
→ Kwetsbaar, armoede, werkeloosheid, verstandelijk/fysiek
beperkt
- Vertrouwelijke informatie
- Leven kan ingrijpend veranderen na interventies
→ Zowel voordelig als schadelijk
- Door positie + deskundigheid is er sprake van een machtspositie
→ Schuldhulpverlener, uithuisplaatsing etc.
- Verantwoorden welke keuzes er gemaakt worden
- Spanningsveld van belangen; client, omgeving, instelling, financiën
Technisch instrumentele professionaliteit
→ Juiste kennis, kunde en professionele vaardigheden + effectief in
bereiken van
doelen
Normatieve professionaliteit
→ Je moet nadenken over waarden in je werk, die zijn de leidraad in
je handelen
Kunneman (2005), waarden spelen op 3 niveaus
1. Niveau van Wetgeving (contractueel, doelen organisatie)
2. Deskundigheidsnormen (kennis, kunde en vaardigheden)
3. Waarden en Normen vd, Cultuur (integriteit, respect etc.)
Driessens en Geldof (2008)
Sociaal werker moet beschikken over moed, eerlijkheid en
medelijden
→ Geeft zin aan het werk
Inleiding
- Morele vragen/ kwesties → Gaan over goed en kwaad, gebaseerd
op persoonlijke/culturele normen en waarden
, 2
- Morele opvattingen → Antwoord op de vraag hoe men zich goed
gedraagt
- Moraal → Verbonden aan levensvisie
- Moreel gedrag → handelwijze, vaak intuïtief of vanuit biologische
processen
(iemand uit het water redden)
- Hechtingsmoraal
Hoe gaan we om met mensen met wie we verbonden zijn,
helpen zonder
er beter van te worden bij iemand die je goed kent
- Geweldmoraal
Moreel systeem die regelt hoe met bedreigende situaties om
te gaan
- Reinigingsmoraal
Mensen koppelen reinheid aan goed en besmetting aan kwaad,
‘vreemde
smetten’ roepen instinctief walging op (bijv. met nare stoffen,
WOII)
→ Culturen; reinigingsritueel
- Samenwerkingsmoraal
Samenwerken om daar beter van te worden, maar ook
omgaan met
mensen die de samenwerking bedreigen → Vertrouwen vs.
wantrouwen in
anderen
↓
Allen bovenstaande Moralen zijn instinctief, ze geven geen uitleg → dát
doet ETHIEK
Ethiek is op een systematische manier met argumenten
onderbouwen waarom
een handeling goed/fout is
Micro-, meso- en macroniveau + Normen & Waarden
- Microniveau
Morele vragen op hoe je van mens tot mens met elkaar om
moet gaan
- Mesoniveau
Organisaties maken een morele keuze, met een visie van de
instelling
- Macroniveau
De manier waarop de samenleving moet worden ingericht,
, 3
politieke
keuzes
- Waarde
Hetgeen waarnaar gestreefd wordt (abstract)
- Normen
Zijn handelingsvoorschriften, om een waarde te kunnen
toepassen
waarde: Veiligheid → Norm: Niemand draagt wapens op straat
- Recht
Is iets waar je een beroep op kunt doen, gebaseerd op
bepaalde waarden
Verschillende normen
Fatsoensnormen
Gedragsregels, afhankelijk van de groep waartoe je behoort
→ bijv. studenten zeggen ‘meneer/ mevrouw’ tegen docent
→ ook op sociaal agogisch niveau (wel/ geen trainingsbroek)
- Conventies, goede manieren, kleine ethiek → etiquette
- Grens tussen fatsoensnormen en morele normen zijn niet scherp
- Onderscheid fatsoensnormen en morele normen;
- Ernst Een morele normovertreding is ernstiger
- Straf De straf voor een morele normovertreding is
zwaarder
- Regelcontingentie Morele normen zijn niet/minder afhankelijk
van ‘toevallige’
regels
- Autoriteit Morele normen zijn niet/ minder afhankelijk
van de
goedkeuring door een autoriteit
(stel een docent keurt bepaald gedrag goed
(iemand
slaan, blijft de groep vinden dat het niet mag)
Juridische normen
Juridische regels die aansluiten op opvattingen over wat een goede
maatschappij is, gebaseerd op morele regels
- Wetgeving (inzien van dossier, privacy etc.)
- Soms gaat een juridische norm tegen de morele norm in (kinderen
het land uit zetten)
Deugden
Deugd = Een goede eigenschap van een persoon → Die leidt tot moreel
, 4
juist handelen
‘’Goede eigenschap die de handelswijze van de mens bepaalt’’
→ Moed, hoop, naastenliefde, respect
Komt vaak overeen met waarden, of te koppelen aan waarden
Ethica
a. Prescriptieve ethiek
Voorschrijvende ethiek
→ vb. Een sociaal werker moet zijn cliënten respecteren
b. Beroepsethiek
Voor beroepsgroepen gelden er specifieke morele regels
- Descriptief → Het omschrijven hoe mensen omgaan met morele
kwesties
- Prescriptief → Voorschrijven hoe een beroepsgroep moreel moet
handelen
(beroepscodes)
c. Meta- ethiek
- Morele vraagstukken van een hoger abstractieniveau
- Reflecteert op betekenis, herkomst en geldigheid van visies op
goed en kwaad
4 Fundamentele meta- ethische kwesties:
1. Cultureel relativisme of universele waarden?
Zijn waarden universeel of cultureel verbonden?
- Moeten waarden beoordeeld worden vanuit de culturele context
- Verklaring van rechten voor de mens → Rechten voor alle mensen ter
wereld
- Rechten zoals onderwijs zijn enkel nuttig als er plichten tegenover staan
van de
overheid → Dus instanties nodig waarvan het de plicht is om iedereen
van
onderwijs te voorzien
- Rechten zijn niet vanzelf sprekend ter wereld (bijv. besnijdenis)
Cultureel relativisme = wat moreel juist/ onjuist is, wordt bepaald door
culturele context
Standpunten binnen cultureel relativisme:
1. Beschrijvend, feitelijk vaststellen dat er verschillen zijn in normen
en waarden
in verschillende culturen + rekening mee houden
2. Normatief, waarden en normen zijn altijd contextueel bepaald,