Farmacologie (basis)
Functies van medicatie:
Curatief of causaal (vb. Antibiotica)
Preventief (vb. Vaccine)
Symptomatisch (vb. Pijnstiller)
Sub-stitutioneel of additioneel (vb. Contrastmiddel)
Placebo-effect (vb. Nepmedicijn)
Namen van medicatie:
- Chemische naam
- Verzamelnaam
- Merknaam
Toediening:
Vloeibaar of opgelost
Entrale= niet gelijk in bloedbaan
à dranken, druppels, rectale toediening (klysma), smeersel etc.
Parentale= gelijk in bloedbaan
à injectie, vloeistoffen, infusievloeistoffen etc.
Vaste vorm
à poeders, tabletten, dragees, capsules, zetpillen, zalfetc.
Gasvorm
à inhalatie, narcosegassen etc.
, Toedieningsvormen:
Oraal
Niet mogelijk…
- als het geneesmiddel onwerkzaam wordt gemaakt door sappen (vb. insuline en maagsap)
- als het middel de maag of darmwand niet kan passeren
- als de lever het medicijn te snel afbreekt
- bij slikstoornissen
- bij bewusteloosheid
- bij braken
- wanneer sommige stoffen de maag sterk kunnen prikkelen
Alternatieven...
- rectaal (via slijmvlies)
- parentaal/ injectie of infuus (via de aders)
Bijzondere vormen van parentale toediening:
Inhalatie: inademen à slijmvliezen van de mond-, keel- en luchtwegen à bloed
Sublinguaal: onder tong à mondslijmvlies à bloed
Farmacokinetiek
= wat doet het lichaam met het geneesmiddel? Beschrijft het effect, bijwerkingen en
toxiciteit.
A; absorptie: opname
D; distributie: verdeling
M; metabolisme: omzetting
E; eliminatie: uitscheiding (altijd via nieren)
Aà
Biologische beschikbaarheid: hoeveel % van het geneesmiddel de circulatie bereikt.
Afhankelijk van o.a.
- soort geneesmiddel (oplosbaarheid etc.)
- interactie met andere geneesmiddel
- toedieningswijze
2