1 – Wetenschappelijke Revolutie
Oorzaken van de Wetenschappelijke Revolutie
Geleerden waren in de middeleeuwen meestal geestelijken, zij deden vooral onderzoek op gebieden die
met godsdienst te maken hadden.
Vanaf de Renaissance kwamen er steeds meer onderzoekers die geen geestelijke waren: zij gingen ook
onderwerpen bestuderen die niet met de godsdienst te maken hadden.
Zij wilden zich niet meer volledig aan de leiding van de kerk onderwerpen bij hun onderzoek.
Onderzoekers gingen proeven doen, kijken wat er gebeurde en nadenken over wat ze zagen.
Het gevolg was een periode met een groot aantal uitvindingen: de Wetenschappelijke Revolutie.
De Wetenschappelijke Revolutie ontstond in de 17e eeuw, belangrijke kenmerken zijn:
1. Een nieuwe manier van onderzoeken: observeren, experimenteren en redeneren.
2. Grote veranderingen in het leven van veel mensen.
3. Met geweld gepaard gaand verzet van de kerk en aanvankelijk ook de overheid en sommige
bevolkingsgroepen.
Belangrijke kerkelijke opvattingen werden door de resultaten van onderzoek soms ondermijnd.
Oorzaken van de Wetenschappelijke Revolutie waren:
1. De ontdekkingsreizen.
Door de ontdekkingsreizen vanaf de 15e eeuw werd een groot deel van de wereld buiten Europa
bekend (het wereldbeeld werd verbreed).
2. Ambachtelijke technieken.
Ambachtslieden bezaten veel praktische kennis, voor hun werk was het belangrijk dat berekeningen en
metingen klopten.
3. Humanistische tekstanalyse.
Tijdens de Renaissance gingen wetenschappers kennis vergaren door het werk van Griekse en
Romeinse schrijvers en onderzoekers te bestuderen (legden de nadruk op het zelfstandig denken van
de mens).
4. Het rationalisme van Descartes.
Descartes (Franse filosoof) vond dat de samenleving op een redelijk manier moest worden onderzocht.
Deze denkwijze wordt het rationalisme genoemd (rationalisten). Volgens hen kwam kennis voort uit
logisch denken, niet uit vaste ideeën uit de Bijbel.
5. Het empirisme van Locke.
Locke (Engelse filosoof) vond dat kennis gebaseerd moest zijn op waarneming en ervaring. Deze
denkwijze wordt empirisme genoemd (empiristen).
Discussies over de positie van godsdienst in de samenleving
De Wetenschappelijke Revolutie leidde tot nieuwe inzichten en ontdekkingen:
1. Natuurwetten (zoals leer van de zwaartekracht) werden ontdekt.
2. Wonderen uit de Bijbel konden niet met het menselijk verstand worden verklaard.
3. Ontdekkingsreizigers ontdekten op andere continenten sterk van Europa verschillende culturen, met
een ander geloof.
4. Humanistische tekstanalyse droeg bij aan de kritiek op de leer van de kerk en de levenswijze van de
geestelijken, en had gezorgd voor het uiteenvallen van de christelijke kerk in West-Europa.
Als gevolg van deze nieuwe inzichten en ontdekkingen ontstonden debatten over de positie van
godsdienst in de samenleving.
Een gevolg van debatten over de positie van godsdiensten in de samenleving was dat godsdienst en
geweten steeds minder als verantwoordelijkheid van staat of vorst werden gezien, maar steeds meer als
zaken van het individu.
Een ander gevolg was dat bijna alle vorsten slechts één godsdienst in hun staat gingen toestaan en
beschermen, sommigen uit godsdienstige overtuiging, anderen om godsdienstoorlogen in hun staat te
voorkomen.
2 – Wetenschappelijke Revolutie leidt tot de Verlichting
Verlichte denkers willen wetenschappelijke methoden op de samenleving toepassen
Door de Wetenschappelijke Revolutie groeide het aantal mensen dat niet meer iets als waar aannam
omdat het in de Bijbel stond of omdat onderzoekers uit de oudheid dat hadden gezegd.
Ze gingen vertrouwen op hun eigen verstand.
Zo ontstond in de 18e eeuw een nieuwe stroming in het denken: de Verlichting (verlichters).
1
, Verlichte denkers vonden dat wetenschappelijke methoden ook moesten worden toegepast op de
samenleving, mensen gedroegen zich net als de natuur volgens ‘natuurwetten’.
Door hun verstand goed te gebruiken konden de mensen die wetten leren kennen.
De verlichters wilden de volgende gebieden van de samenleving toetsen aan de criteria van redelijkheid:
1. Traditie.
Het gezag van wereldlijke en kerkelijke leiders werd in twijfel getrokken. Vorsten ontleenden hun macht
aan traditie en geloof. Verlichters bepleitten met een beroep op de rede een scheiding van kerk en
staat.
2. Religieuze praktijken.
Volgens de verlichters hoorden aanhangers van godsdiensten andersdenkenden niet te bestrijden, in
plaats daarvan moesten zij leren verdraagzaam te zijn op godsdienstig gebied.
3. Bestaande gezagsverhoudingen.
Volkssoevereiniteit. Degene die de macht uitoefenen, moeten hun macht ontlenen aan het volk en zijn
daarom verantwoording schuldig aan het volk.
Het sociaal contract tussen vorst en volk of burgers onderling. Verlichters als Locke en Rousseau
pleitten voor het sluiten van een contract tussen vorst en volk of tussen de onderdanen onderling. Door
zo’n contract wilden de verlichters voorkomen dat er nieuwe oorlogen tussen vorsten en volk en tussen
burgers zouden uitbreken.
De scheiding van de machten in een staat.
4. Opvoeding.
Volgens de verlichters moesten ouders veel meer zorg besteden aan de opvoeding van hun kinderen,
kinderen moesten meer als kind worden behandeld.
5. Onderwijs.
De verlichters benadrukten dat alle kinderen bij geboorte gelijk zijn en dezelfde kansen moesten
krijgen.
6. De verbreiding van kennis.
Onderzoekers gingen elkaars resultaten uitwisselen en samenwerken in wetenschappelijke
verenigingen.
Het belangrijkste boek van de Verlichting werd de Encyclopedie.
De invloed van het verlichte denken op het denken over de toekomst
De maatschappijkritiek van de verlichters leidde tot optimisme en geloof in maatschappelijke vooruitgang,
al werden er ook toen al vraagtekens gezet bij de reikwijdte van het menselijke verstand.
De mensen begrepen dat de vergroting van de kennis van de mens en van de natuur vele voordelen
bood, op allerlei gebieden werd de vooruitgang zichtbaar.
Het menselijk verstand heeft evenwel zijn grenzen, het kan niet alles verklaren.
3 – De belangrijkste verlichters en hun invloed
Locke en Rousseau
Verlichte denkers als Locke en later Rousseau gingen uit van natuurrechten en het idee van een sociaal
contract, waarbij alle macht uiteindelijk uitging van het volk zelf.
1. Met natuurrechten bedoelden zij rechten die voor iedereen gelden, ongeacht plaats of tijd, omdat ze
door de ‘natuur’ zijn gegeven.
2. Met een sociaal contract (maatschappelijk verdrag) bedoelden zij een contract tussen vorst en volk of
tussen de onderdanen onderling om de natuurlijke rechten te beschermen.
Door zo’n contract wilden de verlichters voorkomen dat er nieuwe oorlogen tussen vorsten en volk
en tussen burgers onderling zouden uitbreken.
Als een regering de natuurlijke rechten van de mens niet meer beschermt dan mag het volk de regering
omverwerpen en een nieuwe regering vestigen.
De verlichters dachten deels verschillend over de inhoud van dit contract, maar ze waren het erover eens
dat de burgers bepaalde taken zoals rechtspraak, moesten overdragen aan de overheid.
En dat die overheid via wetgeving de rechten van burgers moest waarborgen.
In zijn beroemdste boek Two treatises of government noemt Locke de volgende rechten:
1. Regeringen moeten hun beleid op wetten baseren die voor iedereen gelijk zijn.
2. Belastingen mogen alleen met toestemming van het volk of zijn vertegenwoordigers worden geheven.
3. De staat mag geen dwang uitoefenen op de burgers bij de keuze voor een godsdienst.
4. De staat moet alle godsdiensten gelijk behandelen.
2