Hoofdstuk 1: Transmembranair Transport
Ionenverdeling - Membranen - Kanalen - Transporters
Het totale lichaamswater = 50-60% van het lichaamsgewicht
- 60% van het water: bevindt zich binnen de cel (Intracellulair Fluid = ICF)
- 40% van het water: bevindt zich buiten de cel (Extracellular Fluid = ECF)
De vloeistof (Interstitial fluid) rond de cel kan je nog onderverdelen:
1. PLASMA VOLUME (PV): Bevindt zich in de bloedvaten, maar NIET in de bloedcellen.
Dit is 3 liter
2. BLOOD VOLUME (BV): Vloeistof in de bloedcellen van het bloed. Dit is 5,5 liter
3. TRANSCELLULAIR FLUID: Dit gaat over vloeistof die omsloten is. Voorbeeld hiervan is
bij de hersenen
De wanden tussen de verschillende compartimenten: doorlaatbaar voor water
- Osmolariteit is overal hetzelfde
- De concentratie van ionen: zijn verschillend
Ionen zijn niet gelijk verdeeld over de plasmamembraan:
- Natrium: Veel buiten de cel
- Kalium: Veel binnen de cel
- Calcium: Veel buiten de cel
- Chloride: Veel buiten de cel
1
,Transmembranaire flux van ionen wordt bepaald door
1. De concentratie: Van een hoge concentratie naar een lage
2. Het membraanpotentiaal
De verandering in vrije energie
1. Kleiner dan nul: Reactie is spontaan
2. Groter dan nul: Omgekeerde reactie is spontaan
3. Is nul: Reactie is in evenwicht
Evenwichtspotentiaal: ZONDER RKM
Delta G berekenen: ZONDER RKM
Drijvende kracht: Vm - Ex
= Het gaat bepalen in welke richting het ion gaat stromen doorheen een ionenkanaal
Kation: Positief ion Anion: Negatief ion
+ DK Efflux Influx
- DK Influx Influx
0 DK Geen Influx / Efflux Geen Influx / Efflux
1. Positieve Drijvende kracht: Positieve stroom -> Uitwaartse stroom
2. Negatieve Drijvende kracht: Negatieve stroom -> Inwaartse stroom
Doorlaatbaarheid Zuiver fosfolipide-dubbellaag: Permeabel voor gassen en kleine
ongeladen polaire moleculen
2
,Voor ionen: Ionen Kanalen nodig
Voor geladen moleculen: Transporters of Poriën
- ATP-gedreven pompen (ATPases): zorgen voor de opbouw van gradiënten (ionen)
Voorbeelden: Kalium-ATPase. = Na buiten en K binnen, Calcium-ATPase,
H/K-ATPase
- Uniporters: ondergaan een conformatieverandering (doorgeefluik) om een stof door
te geven. Daarom is het transport via uniporters trager.
Verschil tussen kanalen en poriën
1. Poriën: Hebben geen specifiek schakelmechanisme
2. Kanalen: Hebben wel een specifiek schakelmechanisme
Voorbeelden van poriën
- Aquaporines: Doorlaatbaar maken voor water
- Perforine: eiwit dat het doorlaatbaar maakt voor een T-cel -> Immuunsysteem
Er coderen veel genen voor ionenkanalen
Gefaciliteerde diffusie
Opbouw van een ionenkanaal:
- Heeft een buisstructuur. Dit is een goede structuur om ionen door een membraan
te krijgen
- Bestaat uit meerdere onderdelen (Subeenheden) die een ring (Centrale porie)
vormen: Trimeren (3), Tetrameren (4), Pentameren (5), Hexameren (6)
Connexines
- Vormen een elektrische connectie tussen cellen
- Bestaan uit vier transmembranaire domein
- Zes subeenheden (Connexon Monomeren) in een cirkel
Een connexxion van cel 1 komt in contact met een connexion van cel 2
3
, -> Hierdoor kan een stof van cytosol van cel 1 overlopen naar connexion 1 dan connexion 2
en daarna cytosol van cel 2
GAP junctions = Twee connexons die aan elkaar gekoppeld zijn
Er loopt heel de tijd stroomt door de connexions
Voltage-Gated Cation Superfamilie
Kalium kanalen
Spanning Geschakelde Proton Kanalen
Spanning Geschakelde Kalium kanalen
Calcium Geactiveerde Kalium kanalen
Hyperpolarisatie Geactiveerde nucleotide kanaal
Cyclische Nucleotide kanalen
TRP kanalen
Calcium kanalen
= Belangrijk bij spermacellen en de bevruchting
K2P: Tandem pore
Spanning Geschakelde Natrium kanalen
Spanning Geschakelde Calcium kanalen
NAADP receptor
Structuur Superfamilie: Een porie domein met een variabel deel
Variabel deel is anders voor de verschillende soorten in de familie
ENaC: Natrium kanalen in epitheel
Rol: Bij de opname van zout
4