Inhoudsopgave
W1 Artikel Hoeken et al. 2011........................................................................................................................ 2
W1 Kennisclips week 1 functionele analyse.................................................................................................... 3
W2 Hoeken, Hornikx en Hustinx..................................................................................................................... 5
W3 Kennisclip week 3 Elaboratie.................................................................................................................. 10
W4 Lentz (2004)........................................................................................................................................... 11
W5 De Jong & Schellens (1995).................................................................................................................... 13
W5 Hustinx en Karreman Relationele coherentie.......................................................................................... 14
W6 Smith & Schaffer (2000)......................................................................................................................... 16
W6 Lentz & Pander Maat (2010)................................................................................................................... 18
W1 Tekstanalyse Hoofdstuk 1:
De functionele analyse richt zich op de doelgroep en de doelen van een tekst en op de afstemming
van de inhoud van de tekst daarop.
4 stappen:
, 1. Onderwerp, zender, doelgroep en organisatiedoel vaststellen
Zender: schrijver van de tekst
Doelgroep: voor welke lezers de tekst bedoeld is
Organisatiedoel: wat de zender uiteindelijk voor zichzelf wil bereiken met de tekst
Aangesproken lezer: specifieke groep die de tekst ook daadwerkelijk leest
2. Communicatieve & consecutieve doelen vaststellen
Communicatieve doelen: effecten die de tekst teweeg moet brengen in het hoofd van de
lezer 6 soorten:
1. Informeren: de doelgroep weet dat…
2. Overtuigen: de doelgroep gelooft/vindt dat…
3. Opiniëren: de doelgroep heeft een mening over…
4. Instrueren: de doelgroep is in staat…
5. Activeren: de doelgroep is van plan…
6. Emotioneren: de doelgroep voelt…
Bijna alle teksten zijn multifunctioneel meerdere communicatieve doelen er zit een hiërarchie
in de doelen de een ondersteund de ander in de communicatieve doelenboom
Consecutief doel= zender wil dat lezers bepaald gedrag gaan vertonen (niet altijd verband tussen
communicatieve doel en consecutieve doel volgen elkaar niet vanzelfsprekend op)
3. Teksthandelingen vaststellen
Eerst stel je de onderdelen van de tekst vast
Teksthandelingen kunnen beschreven worden in de vorm van teksthandelingsww’en:
- Informerende: algemene kennis beïnvloeden (bv. beschrijven, verslag doen)
- Instructieve: handelingskennis, weten hoe (bv. instrueren, uitleggen)
- Persuasief en opiniërende: beïnvloeden opvattingen (bv. argumenteren, veroordelen,
aanprijzen)
- Activerende: beïnvloeden gedragsintenties (bv. verzoeken, aanbevelen, voorstellen)
- Emotionerende: beïnvloeden van gevoelens (bv. complimenteren, spijt betuigen)
- Commissieve: verplichting aan gaan (bv. beloven of afspreken)
- Bepalende: bindende uitspraken (bv. ontslaan, vrede sluiten, bekeuring opleggen)
4. Beoordeling van de tekst
Inschatten van de kans dat de gestelde doelen bereikt zullen worden suggesties doen voor
aanpassingen aan de tekst.
Taalhandelingstheorie: met elke taaluiting wordt een handeling verricht op 3 niveau’s:
1. Locutie= je produceert een betekenisvolle uiting (bv. ik zou oppassen)
2. Illocutionaire strekking= je doet iets met de uiting (bv. waarschuwen)
3. Perlocutionaire strekking= wat je wilt bereiken bij anderen (bv. alarmeren)
Directe taalhandeling: de strekking van de uiting is direct duidelijk
(bv. Kan je het raam dicht doen?)
Indirecte taalhandeling: de strekking van de uiting is niet direct duidelijk (bv. Het is koud hier)
W1 Artikel Hoeken et al. 2011
Wat?
, Onderzoeksvraag: Hoe ziet de daarvoor noodzakelijke informatievoorziening er in het digitale tijdperk
uit en hoe kan die communicatie alle mensen in staat stellen om op verantwoorde wijze beslissingen
over de eigen gezondheid te nemen?
Waarom?
Patiënten waren eerst passieve ontvangers van info, nu hebben ze een actieve/regie rol in hun eigen
zorgproces. Voor een grote groep patiënten is deze actieve rol niet haalbaar (voor de 24% in
Nederland met een lage gezondheidsgeletterdheid).
Hoe?
Methode: Interviews met professionals
Wat komt daaruit?
Problemen digitale gezondheidscommunicatie:
Niet iedereen is in staat om mee te gaan in de digitalisering (ouderen bijvoorbeeld) omdat ze
geen internet hebben of niet met computers om kunnen gaan. Er zal een kloof ontstaan.
Motivatieprobleem: als er geen motivatie is, dan wordt de informatie genegeerd.
Capaciteitsprobleem: mensen die wel gemotiveerd zijn om digitale informatie op te zoeken
komen begrijpelijkheidsproblemen tegen:
- Te veel informatie: moeilijk om relevante informatie te selecteren
- Informatie is niet altijd begrijpelijk: geldt vooral voor lager opgeleiden.
- Doordat er te veel of te moeilijke informatie is lezen mensen slecht: als ze iets
gevonden hebben dat ‘goed genoeg’ is, zoeken ze niet verder naar de beste
(=betrouwbaarste, volledigste) informatie.
- Betrouwbaarheid wordt in de praktijk niet zo belangrijk gevonden: veel
informatiezoekers geven de voorkeur aan informatie die van lotgenoten komt.
Oplossingen van deze problemen:
Zoek- en selectieproces van informatie ondersteunen (maar dan moet je wel rekening
houden met privacy).
Gebruiken van semantische tools om taal om te zetten in ‘normale’ taal.
Toespitsen van informatie op de doelgroep tailoring
Informatie minder statisch, complex en meer toegankelijk maken (begrijpelijke taal).
Belangrijke begrippen:
- Gezondheidsgeletterdheid: Hoe goed iemand in staat is informatie te verkrijgen, te
verwerken, te begrijpen, en zelf over die informatie te kunnen communiceren
- Tailoring: snijdt gezondheidscommunicatie toe op de specifieke ontvanger, je maakt
de informatie op maat door rekening te houden met iemands achtergrond,
communicatiestijl, voorkennis.
Overig
Paradox in de attitude van de lezer van gezondheidsinformatie:
1. Mensen zeggen dat ze betrouwbare informatie willen, maar in de praktijk besteden ze maar
weinig aandacht aan de vraag hoe betrouwbaar bepaalde informatie is.
2. Enerzijds is er sprake van een actievere zorgconsument – mensen hebben behoefte aan meer
informatie. Maar dit is alleen het geval wanneer mensen iets ook echt als een probleem
ervaren. Communicatie wordt genegeerd wanneer mensen niet vinden dat ze een risico
lopen. Deze groep blijft moeilijk te bereiken (motivatieproblemen).
W1 Kennisclips week 1 functionele analyse
Minder mensen gaan naar de huisarts
W1 Artikel Hoeken et al. 2011........................................................................................................................ 2
W1 Kennisclips week 1 functionele analyse.................................................................................................... 3
W2 Hoeken, Hornikx en Hustinx..................................................................................................................... 5
W3 Kennisclip week 3 Elaboratie.................................................................................................................. 10
W4 Lentz (2004)........................................................................................................................................... 11
W5 De Jong & Schellens (1995).................................................................................................................... 13
W5 Hustinx en Karreman Relationele coherentie.......................................................................................... 14
W6 Smith & Schaffer (2000)......................................................................................................................... 16
W6 Lentz & Pander Maat (2010)................................................................................................................... 18
W1 Tekstanalyse Hoofdstuk 1:
De functionele analyse richt zich op de doelgroep en de doelen van een tekst en op de afstemming
van de inhoud van de tekst daarop.
4 stappen:
, 1. Onderwerp, zender, doelgroep en organisatiedoel vaststellen
Zender: schrijver van de tekst
Doelgroep: voor welke lezers de tekst bedoeld is
Organisatiedoel: wat de zender uiteindelijk voor zichzelf wil bereiken met de tekst
Aangesproken lezer: specifieke groep die de tekst ook daadwerkelijk leest
2. Communicatieve & consecutieve doelen vaststellen
Communicatieve doelen: effecten die de tekst teweeg moet brengen in het hoofd van de
lezer 6 soorten:
1. Informeren: de doelgroep weet dat…
2. Overtuigen: de doelgroep gelooft/vindt dat…
3. Opiniëren: de doelgroep heeft een mening over…
4. Instrueren: de doelgroep is in staat…
5. Activeren: de doelgroep is van plan…
6. Emotioneren: de doelgroep voelt…
Bijna alle teksten zijn multifunctioneel meerdere communicatieve doelen er zit een hiërarchie
in de doelen de een ondersteund de ander in de communicatieve doelenboom
Consecutief doel= zender wil dat lezers bepaald gedrag gaan vertonen (niet altijd verband tussen
communicatieve doel en consecutieve doel volgen elkaar niet vanzelfsprekend op)
3. Teksthandelingen vaststellen
Eerst stel je de onderdelen van de tekst vast
Teksthandelingen kunnen beschreven worden in de vorm van teksthandelingsww’en:
- Informerende: algemene kennis beïnvloeden (bv. beschrijven, verslag doen)
- Instructieve: handelingskennis, weten hoe (bv. instrueren, uitleggen)
- Persuasief en opiniërende: beïnvloeden opvattingen (bv. argumenteren, veroordelen,
aanprijzen)
- Activerende: beïnvloeden gedragsintenties (bv. verzoeken, aanbevelen, voorstellen)
- Emotionerende: beïnvloeden van gevoelens (bv. complimenteren, spijt betuigen)
- Commissieve: verplichting aan gaan (bv. beloven of afspreken)
- Bepalende: bindende uitspraken (bv. ontslaan, vrede sluiten, bekeuring opleggen)
4. Beoordeling van de tekst
Inschatten van de kans dat de gestelde doelen bereikt zullen worden suggesties doen voor
aanpassingen aan de tekst.
Taalhandelingstheorie: met elke taaluiting wordt een handeling verricht op 3 niveau’s:
1. Locutie= je produceert een betekenisvolle uiting (bv. ik zou oppassen)
2. Illocutionaire strekking= je doet iets met de uiting (bv. waarschuwen)
3. Perlocutionaire strekking= wat je wilt bereiken bij anderen (bv. alarmeren)
Directe taalhandeling: de strekking van de uiting is direct duidelijk
(bv. Kan je het raam dicht doen?)
Indirecte taalhandeling: de strekking van de uiting is niet direct duidelijk (bv. Het is koud hier)
W1 Artikel Hoeken et al. 2011
Wat?
, Onderzoeksvraag: Hoe ziet de daarvoor noodzakelijke informatievoorziening er in het digitale tijdperk
uit en hoe kan die communicatie alle mensen in staat stellen om op verantwoorde wijze beslissingen
over de eigen gezondheid te nemen?
Waarom?
Patiënten waren eerst passieve ontvangers van info, nu hebben ze een actieve/regie rol in hun eigen
zorgproces. Voor een grote groep patiënten is deze actieve rol niet haalbaar (voor de 24% in
Nederland met een lage gezondheidsgeletterdheid).
Hoe?
Methode: Interviews met professionals
Wat komt daaruit?
Problemen digitale gezondheidscommunicatie:
Niet iedereen is in staat om mee te gaan in de digitalisering (ouderen bijvoorbeeld) omdat ze
geen internet hebben of niet met computers om kunnen gaan. Er zal een kloof ontstaan.
Motivatieprobleem: als er geen motivatie is, dan wordt de informatie genegeerd.
Capaciteitsprobleem: mensen die wel gemotiveerd zijn om digitale informatie op te zoeken
komen begrijpelijkheidsproblemen tegen:
- Te veel informatie: moeilijk om relevante informatie te selecteren
- Informatie is niet altijd begrijpelijk: geldt vooral voor lager opgeleiden.
- Doordat er te veel of te moeilijke informatie is lezen mensen slecht: als ze iets
gevonden hebben dat ‘goed genoeg’ is, zoeken ze niet verder naar de beste
(=betrouwbaarste, volledigste) informatie.
- Betrouwbaarheid wordt in de praktijk niet zo belangrijk gevonden: veel
informatiezoekers geven de voorkeur aan informatie die van lotgenoten komt.
Oplossingen van deze problemen:
Zoek- en selectieproces van informatie ondersteunen (maar dan moet je wel rekening
houden met privacy).
Gebruiken van semantische tools om taal om te zetten in ‘normale’ taal.
Toespitsen van informatie op de doelgroep tailoring
Informatie minder statisch, complex en meer toegankelijk maken (begrijpelijke taal).
Belangrijke begrippen:
- Gezondheidsgeletterdheid: Hoe goed iemand in staat is informatie te verkrijgen, te
verwerken, te begrijpen, en zelf over die informatie te kunnen communiceren
- Tailoring: snijdt gezondheidscommunicatie toe op de specifieke ontvanger, je maakt
de informatie op maat door rekening te houden met iemands achtergrond,
communicatiestijl, voorkennis.
Overig
Paradox in de attitude van de lezer van gezondheidsinformatie:
1. Mensen zeggen dat ze betrouwbare informatie willen, maar in de praktijk besteden ze maar
weinig aandacht aan de vraag hoe betrouwbaar bepaalde informatie is.
2. Enerzijds is er sprake van een actievere zorgconsument – mensen hebben behoefte aan meer
informatie. Maar dit is alleen het geval wanneer mensen iets ook echt als een probleem
ervaren. Communicatie wordt genegeerd wanneer mensen niet vinden dat ze een risico
lopen. Deze groep blijft moeilijk te bereiken (motivatieproblemen).
W1 Kennisclips week 1 functionele analyse
Minder mensen gaan naar de huisarts