Week 2
Bestanddelen zijn geen zaken in de zin van het recht, omdat ze geen zelfstandig bestaan leiden. Of een
zaak bestanddeel is, hangt volgens art. 3:4 lid 1 BW af van de verkeersopvattingen, dat is wat men in het
algemeen vindt. Dit kan gaan om de meeste Nederlanders, of om de opvatting binnen een
gespecialiseerde kring waarbinnen de zaken plegen te worden gebruikt.
Natrekking = een voorwerp verliest zijn zakenrechtelijke zelfstandigheid doordat het bestanddeel wordt
van een andere zaak. Het voorwerp dat als bestanddeel is opgegaan in de hoofdzaak volgt ook in alles
het lot van de hoofdzaak, dus zekerheidsrechten die gevestigd waren op de hoofdzaak, hebben nu ook
betrekking op het nieuwe bestanddeel. Bestaande zekerheidsrechten die gevestigd waren op het
bestanddeel vervallen, aangezien het geen zelfstandige zaak meer is en er geen rechten op gevestigd
kunnen worden. Deze bestanddelen kunnen wel onderwerp zijn van verbintenisrechtelijke rechten en
plichten, een muur kan bijvoorbeeld worden verhuurd voor reclamedoeleinden.
Zaaksvorming = van meerdere voorwerpen wordt een volledig nieuw voorwerp gemaakt, dat nieuwe
voorwerp heeft een geheel nieuwe identiteit.
Gemeenschap kan ontstaan door een wettelijke regeling, zoals een huwelijk, door een keuze van de
deelgenoten (bv. door samen een zaak aan te schaffen), of door de keuze van een derde (bv. erfenis).
Gemeenschap is mogelijk bij zowel zaken als bij vermogensrechten, bij zaken spreken we dan van
mede-eigendom, bij vermogensrechten van medegerechtigden. Afhankelijk van waar het om gaat zijn de
regels van boek 3 of van boek 5 van toepassing, boek 3 gaat over alle goederen, boek 5 gaat over zaken.
Afdeling 3.7.1 geldt in principe voor alle gemeenschapsvormen, maart art. 3:189 lid 1 BW zegt dat enkele
gemeenschapsvormen niet door deze titel, maar door eigen regels worden beheerst, zoals een
huwelijksgemeenschap of een maatschap. Het gaat dan steeds om actieve gemeenschappen bestemd
om voort te duren, met een daaraan aangepast regime dat is gekoppeld aan een bijzondere band tussen
de deelgenoten. Art. 3:189 lid 2 zegt dat wanneer die band wordt verbroken, de gewone regels gelden,
voor zover daarvan niet in afdeling 3.7.2 wordt afgeweken.
Iemand kan ook een aandeel hebben in een gemeenschap, dit aandeel kan in beginsel worden
overgedragen aan derden, en is op zichzelf een vermogensbestanddeel. Een aandeel is te zien als een
vermogensrecht van gelijke aard aan het recht dat de deelgenoten samen uitoefenen. Wanneer er sprake
is van een gemeenschap door meerdere mensen, van meerdere goederen, dan hebben zij allemaal een
gelijk aandeel in alle goederen. Gemeenschappelijk aandeel: wanneer binnen een gemeenschap
kleinere gemeenschappen ontstaan, bijvoorbeeld doordat een deelgenoot zijn aandeel heeft vervreemd
aan twee andere deelgenoten.
Art. 3:168 lid 1 BW zegt dat de deelgenoten onderling de verhouding mogen regelen, hierin zijn de vrij.
De afspraken die hier worden gemaakt zijn niet van verbintenisrechtelijke aard, maar van
goederenrechtelijke aard. Indien er niet is voorzien van een regeling, of indien deze onvolledig is, kan de
kantonrechter op grond van art. 3:168 lid 2 BW een regeling treffen. Hierbij kijkt de rechter naar de
belangen van de partijen, en naar het algemeen belang (anders dan bij verbintenissenrecht).
Een rechter kan ook goederen onder bewind stellen, hierbij is de meerderheid van deelgenoten van
belang, net als de grootte van ieders aandeel. Het beheer van de goederen wordt dan aan een derde
opgedragen, de bewindvoerder. Dit bewind kan eindigen door uitspraak van de rechter, of door een
gezamenlijk besluit van de deelgenoten.
, De tussen deelgenoten geldende regeling, door hen zelf opgenomen of door een rechter opgelegd, geldt
ook voor de verkrijgers van het aandeel onder bijzondere en algemene titel. Hieronder vallen ook de
verkrijgers van een beperkt recht op een aandeel, zoals een vruchtgebruiker.
In beginsel is de rechthebbende van een aandeel in een gemeenschap bevoegd om hierover te
beschikken, hij kan dit aandeel dus zelf vervreemden of bezwaren. Echter is dit in sommige gevallen
bezwaarlijk, omdat de medegerechtigden ook persoonlijke band hebben bijvoorbeeld, de wet geeft
daarom een aantal uitzonderingen op dit beginsel → art. 6:189 lid 1 BW geeft een aantal bijzondere
gemeenschappen, hierbij is de band tussen de deelgenoten van een dusdanig bijzondere aard dat de
vervreemding van het aandeel en het verhaal van schuldeisers op zo’n aandeel geheel moet worden
beheerst door eigen regels.
De verkrijger van een aandeel is in beginsel wel gebonden aan een beheersregeling tussen de
deelgenoten, maar niet aan een beschikkingsbeperking afgesproken door de deelgenoten.
Partiële verdeling = wanneer deelgenoten niet al hun gemeenschappelijke goederen verdelen, en dus
nog steeds deelgenoten zijn, alleen dan van een bepaald goed / goederen niet meer.
Niet alleen een deelgenoot, maar ook diens schuldeisers alsmede beperkt gerechtigden op aandelen
kunnen verdeling vorderen (3:178 en 3:180)
Kenmerken eigendomsrecht:
- Meest omvattende recht
- Eigendom is nooit een dochterrecht
- De bevoegdheden van de eigenaar vormen een eenheid, de eigenaar kan zijn bevoegdheden
niet opsplitsen en uitdelen, hij kan wel een dochterrecht vestigen
- Eigendom heeft een absoluut karakter
- Het eigendomsrecht volgt de zaak waarop het is gevestigd, dus ook wanneer een zaak waarvan
ik eigenaar ben wordt gestolen, blijft mijn eigendomsrecht hierop gevestigd
Van misbruik kan worden gesproken als de uitoefening van het eigendomsrecht tegenover een
ander in hoge mate onbillijk is (ook in 3:13 BW). Art. 5:4 BW biedt een wettelijke mogelijkheid om
overbouw te legaliseren, hierbij is belangrijk dat er sprake moet zijn van een onevenredig nadeel door de
afbraak, en de ovenbouwer moet geen ernstig verwijt te maken zijn. Indien de overbouwer wel een
ernstig verwijt kan worden gemaakt, is een beroep op 3:13 alsnog mogelijk.
Het vernietigen van werk met een auteursrechtelijke bescherming, kan misbruik van bevoegdheid door de
eigenaar opleveren in gevallen als in art. 3:13 lid 2 bedoeld. Deze vernietiging is eerder onrechtmatig
naarmate er minder exemplaren zijn.
Criteria misbruik van recht (3:13):
1. Het gebruiken van de bevoegdheid voor een ander doel dan waartoe de bevoegdheid is verleend
2. Het handelen met de bedoeling een ander te benadelen zonder dat men daarbij zelf een redelijk
belang heeft
3. Het handelen in een situatie waarin er sprake is van een grote onevenredigheid tussen het
persoonlijk belang dat men dient en het belang van de ander dat men schaadt
Bestanddelen zijn geen zaken in de zin van het recht, omdat ze geen zelfstandig bestaan leiden. Of een
zaak bestanddeel is, hangt volgens art. 3:4 lid 1 BW af van de verkeersopvattingen, dat is wat men in het
algemeen vindt. Dit kan gaan om de meeste Nederlanders, of om de opvatting binnen een
gespecialiseerde kring waarbinnen de zaken plegen te worden gebruikt.
Natrekking = een voorwerp verliest zijn zakenrechtelijke zelfstandigheid doordat het bestanddeel wordt
van een andere zaak. Het voorwerp dat als bestanddeel is opgegaan in de hoofdzaak volgt ook in alles
het lot van de hoofdzaak, dus zekerheidsrechten die gevestigd waren op de hoofdzaak, hebben nu ook
betrekking op het nieuwe bestanddeel. Bestaande zekerheidsrechten die gevestigd waren op het
bestanddeel vervallen, aangezien het geen zelfstandige zaak meer is en er geen rechten op gevestigd
kunnen worden. Deze bestanddelen kunnen wel onderwerp zijn van verbintenisrechtelijke rechten en
plichten, een muur kan bijvoorbeeld worden verhuurd voor reclamedoeleinden.
Zaaksvorming = van meerdere voorwerpen wordt een volledig nieuw voorwerp gemaakt, dat nieuwe
voorwerp heeft een geheel nieuwe identiteit.
Gemeenschap kan ontstaan door een wettelijke regeling, zoals een huwelijk, door een keuze van de
deelgenoten (bv. door samen een zaak aan te schaffen), of door de keuze van een derde (bv. erfenis).
Gemeenschap is mogelijk bij zowel zaken als bij vermogensrechten, bij zaken spreken we dan van
mede-eigendom, bij vermogensrechten van medegerechtigden. Afhankelijk van waar het om gaat zijn de
regels van boek 3 of van boek 5 van toepassing, boek 3 gaat over alle goederen, boek 5 gaat over zaken.
Afdeling 3.7.1 geldt in principe voor alle gemeenschapsvormen, maart art. 3:189 lid 1 BW zegt dat enkele
gemeenschapsvormen niet door deze titel, maar door eigen regels worden beheerst, zoals een
huwelijksgemeenschap of een maatschap. Het gaat dan steeds om actieve gemeenschappen bestemd
om voort te duren, met een daaraan aangepast regime dat is gekoppeld aan een bijzondere band tussen
de deelgenoten. Art. 3:189 lid 2 zegt dat wanneer die band wordt verbroken, de gewone regels gelden,
voor zover daarvan niet in afdeling 3.7.2 wordt afgeweken.
Iemand kan ook een aandeel hebben in een gemeenschap, dit aandeel kan in beginsel worden
overgedragen aan derden, en is op zichzelf een vermogensbestanddeel. Een aandeel is te zien als een
vermogensrecht van gelijke aard aan het recht dat de deelgenoten samen uitoefenen. Wanneer er sprake
is van een gemeenschap door meerdere mensen, van meerdere goederen, dan hebben zij allemaal een
gelijk aandeel in alle goederen. Gemeenschappelijk aandeel: wanneer binnen een gemeenschap
kleinere gemeenschappen ontstaan, bijvoorbeeld doordat een deelgenoot zijn aandeel heeft vervreemd
aan twee andere deelgenoten.
Art. 3:168 lid 1 BW zegt dat de deelgenoten onderling de verhouding mogen regelen, hierin zijn de vrij.
De afspraken die hier worden gemaakt zijn niet van verbintenisrechtelijke aard, maar van
goederenrechtelijke aard. Indien er niet is voorzien van een regeling, of indien deze onvolledig is, kan de
kantonrechter op grond van art. 3:168 lid 2 BW een regeling treffen. Hierbij kijkt de rechter naar de
belangen van de partijen, en naar het algemeen belang (anders dan bij verbintenissenrecht).
Een rechter kan ook goederen onder bewind stellen, hierbij is de meerderheid van deelgenoten van
belang, net als de grootte van ieders aandeel. Het beheer van de goederen wordt dan aan een derde
opgedragen, de bewindvoerder. Dit bewind kan eindigen door uitspraak van de rechter, of door een
gezamenlijk besluit van de deelgenoten.
, De tussen deelgenoten geldende regeling, door hen zelf opgenomen of door een rechter opgelegd, geldt
ook voor de verkrijgers van het aandeel onder bijzondere en algemene titel. Hieronder vallen ook de
verkrijgers van een beperkt recht op een aandeel, zoals een vruchtgebruiker.
In beginsel is de rechthebbende van een aandeel in een gemeenschap bevoegd om hierover te
beschikken, hij kan dit aandeel dus zelf vervreemden of bezwaren. Echter is dit in sommige gevallen
bezwaarlijk, omdat de medegerechtigden ook persoonlijke band hebben bijvoorbeeld, de wet geeft
daarom een aantal uitzonderingen op dit beginsel → art. 6:189 lid 1 BW geeft een aantal bijzondere
gemeenschappen, hierbij is de band tussen de deelgenoten van een dusdanig bijzondere aard dat de
vervreemding van het aandeel en het verhaal van schuldeisers op zo’n aandeel geheel moet worden
beheerst door eigen regels.
De verkrijger van een aandeel is in beginsel wel gebonden aan een beheersregeling tussen de
deelgenoten, maar niet aan een beschikkingsbeperking afgesproken door de deelgenoten.
Partiële verdeling = wanneer deelgenoten niet al hun gemeenschappelijke goederen verdelen, en dus
nog steeds deelgenoten zijn, alleen dan van een bepaald goed / goederen niet meer.
Niet alleen een deelgenoot, maar ook diens schuldeisers alsmede beperkt gerechtigden op aandelen
kunnen verdeling vorderen (3:178 en 3:180)
Kenmerken eigendomsrecht:
- Meest omvattende recht
- Eigendom is nooit een dochterrecht
- De bevoegdheden van de eigenaar vormen een eenheid, de eigenaar kan zijn bevoegdheden
niet opsplitsen en uitdelen, hij kan wel een dochterrecht vestigen
- Eigendom heeft een absoluut karakter
- Het eigendomsrecht volgt de zaak waarop het is gevestigd, dus ook wanneer een zaak waarvan
ik eigenaar ben wordt gestolen, blijft mijn eigendomsrecht hierop gevestigd
Van misbruik kan worden gesproken als de uitoefening van het eigendomsrecht tegenover een
ander in hoge mate onbillijk is (ook in 3:13 BW). Art. 5:4 BW biedt een wettelijke mogelijkheid om
overbouw te legaliseren, hierbij is belangrijk dat er sprake moet zijn van een onevenredig nadeel door de
afbraak, en de ovenbouwer moet geen ernstig verwijt te maken zijn. Indien de overbouwer wel een
ernstig verwijt kan worden gemaakt, is een beroep op 3:13 alsnog mogelijk.
Het vernietigen van werk met een auteursrechtelijke bescherming, kan misbruik van bevoegdheid door de
eigenaar opleveren in gevallen als in art. 3:13 lid 2 bedoeld. Deze vernietiging is eerder onrechtmatig
naarmate er minder exemplaren zijn.
Criteria misbruik van recht (3:13):
1. Het gebruiken van de bevoegdheid voor een ander doel dan waartoe de bevoegdheid is verleend
2. Het handelen met de bedoeling een ander te benadelen zonder dat men daarbij zelf een redelijk
belang heeft
3. Het handelen in een situatie waarin er sprake is van een grote onevenredigheid tussen het
persoonlijk belang dat men dient en het belang van de ander dat men schaadt