OVERZICHTSTABEL
1.1 Inleiding ............................................................................................................................................. 1
1.2. Maternale en perinatale mortaliteit en morbiditeit ........................................................................ 3
1.2.1 Maternale mortaliteit en morbiditeit ......................................................................................... 3
1.2.2 Perinatale mortaliteit ................................................................................................................. 4
1.3. Terminologie..................................................................................................................................... 5
,1.1. INLEIDING
Verloskunde wordt gedefinieerd als de kunde, leer, wetenschap die zich bezighoudt met zwangerschap,
bevalling en geboorte.
Pure fysiologie is bijzonder mooi: je ziet een gezonde vrouw, met liefhebbende en supportieve partner,een
normaal ontwikkelende foetus, een spontane arbeid, een ongecompliceerde bevalling, een gezondkind, en
een vlotte borstvoeding. In derdelijke situaties moet je als zorgverlener (gynaecoloog, huisarts,vroedvrouw)
alleen maar toekijken, en vooral niet interveniëren – wat ook een kunst is. In de verloskunde moet je
meester zijn in ‘watchful waiting’. De andere zijde van de kunde ligt erin problemen op tijd op te merken
en op te lossen, of nog beter te anticiperen en te voorkomen.
Een zwangerschap is de ultieme stress-test voor een vrouw (lichamelijk, psychisch, relationeel).
Hier vlot doorheen walsen vereist dus de nodige ‘reserves’ om op terug te kunnen vallen.
De veranderingen over de laatste decennia in de ‘zwangere populatie’ en de vooruitgang in de medische
wetenschap, hebben er enerzijds voor gezorgd dat we meer mogelijkheden hebben om problemen op te
sporen en in te grijpen, maar hebben anderzijds ook geleid tot nieuwe medische en ethische uitdagingen
en dilemma’s.
De zwangere populatie wordt gemiddeld een beetje ouder, en de algemene fysieke conditie gaat
achteruit, er is meer obesitas, meer co-morbiditeiten, meer medicatiegebruik. De vooruitgang in de
fertiliteitsgeneeskunde maakt dat vrouwen die eerder niet spontaan zwanger konden worden, nu wel
zwanger worden. Ook vrouwen met ernstige onderliggende pathologiën, die door een beperkte
levensverwachting/kwaliteit eerder niet zwanger werden, bereiken nu wel vaker de reproductieve leeftijd
in een relatief goede algemene conditie, en worden zwanger.
In een sneldraaiende, ambitieuze en kritische maatschappij is het beleven van een zwangerschap en
bevalling, en het zorgen voor kinderen niet evident. Dat maakt dat ook bij een compleet fysiologisch
gebeuren een goede begeleiding een groot verschil zal maken voor het uitbreidend gezin.
Gynaecologie-verloskunde bestaat uit verschillende subdisciplines: benigne gynaecologie, fertiliteit,
gynaecologische oncologie en uiteraard verloskunde.
Binnen verloskunde worden nog verschillende zorgpaden onderscheiden.
• Laagrisico verloskunde : zwangerschappen zonder bijzondere risicofactoren (opvolging in 1ste-2de lijn)
• Hoogrisico verloskunde (opvolging in 2de-3de lijn): zwangerschappen met (een verhoogd risico op)
o Obstetrische complicaties
▪ Bv. zwangerschapsdiabetes, groeirestrictie, placenta previa, preeclampsie,
peripartumcomplicaties zoals schouderdystocie of bloeding
o Prenatale diagnostiek en foetale therapie: foetus met congenitale of genetische afwijkingen
o Maternale geneeskunde: zwangerschappen bij vrouwen met onderliggende aandoeningen
Of een zwangerschap een laagrisico zwangerschap betreft, weet je eigenlijk pas wanneer de
zwangerschap en bevalling ongecompliceerd verlopen zijn … nadien dus.
Module 1 – 3
,1.2. MATERNALE EN PERINATALE MORTALITEIT EN MORBIDITEIT
1.2.1. MATERNALE MORTALITEIT EN MORBIDITEIT
Onder maternale mortaliteit verstaat men de dood van een vrouw terwijl zwanger of binnen de 42 dagen
na het einde van de zwangerschap, ten gevolge van directe en indirecte oorzaken.
• Directe sterfte t.g.v. complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed, van interventies, of
onjuiste behandeling of van een reeks gebeurtenissen die voortvloeien uit deze complicaties
o Voorbeelden: trombose, bloeding (antepartum (bv. placenta previa), peripartum (bv. uterusruptuur) en
postpartum), infectie/sepsis, hypertensie/preeclampsie, vruchtwaterembolie, zelfmoord,
geobstrueerde arbeid, onveilige abortus, extrauteriene zwangerschap
• Indirecte sterfte t.g.v. een voorafbestaande ziekte of een ziekte die zich tijdens de zwangerschap
heeft ontwikkeld en die door de zwangerschap(sfysiologie) dermate ernstig is geworden dat ze tot
het overlijden heeft geleid
o Voorbeelden: hartziekte, epilepsie, HIV/AIDS, malaria, influenza, kanker, diabetes, systeemlupus,
trauma, geweld en drugs
• Van ‘toevallige' sterfte is sprake als de zwangerschap geen invloed had op het beloop; in deze
gevallen wordt niet van moedersterfte gesproken.
De maternale mortaliteitsratio (MMR) drukt het aantal vrouwen uit dat overlijdt direct dan wel indirect
t.g.v. de zwangerschap, bevalling of kraambed, per 100.000 levend geboren kinderen. Opvallend is de
ongelijke geografische distributie van dit probleem waarbij de MMR wereldwijd 211 per 100,000
levendgeboorten bedraagt, doch in de ontwikkelingslanden 462 en in de welvarende landen 11 (0-30) per
100,000 levendgeboorten (in België + 5 per 100.000). Verbetering van het zorgaanbod, toegang tot
gezondheidszorg en correcte informatie in de ontwikkelingslanden zou de maternale sterfte drastisch
kunnen verlagen. Het tegen 2030 reduceren van de MMR naar minder dan 70 per 100 000 levendgeboortes,
waarbij geen enkel land een MMR heeft die dubbel zo hoog is als het wereldwijde gemiddelde, is één van
de Sustainable Development Goals (SDG3) van de UN.
De belangrijkste mortaliteitsoorzaken in Europa zijn voorafbestaand cardiaal lijden, trombo-embolische
complicaties, psychiatrische ziekten (zelfmoord, alcohol/drugs), sepsis, neurologische ziekten (epilepsie,
CVA), postpartumbloeding, preeclampsie, vruchtwaterembool en kanker.
Wereldwijd: verloskundige bloeding (27%), hypertensie/(pre)eclampsie (14%), sepsis (11%), abortus
(8%), trombose (3%), andere directe directe oorzaken (10%), indirecte oorzaken (28%).
Module 1 – 4
,De belangrijkste oorzaken van maternale morbiditeit wereldwijd zijn
• Boedingsgerelateerde complicaties
o DIC (disseminatedintravascular coagulation)
o Bloedtransfusiereactie
o Multiorgaanfalen na hypovolemische shock
o Hysterectomie
• Hypertensieve complicaties
o Hartfalen
o CVA
o Eclampsie
o Cardiomyopathie
• Postpartumdepressie
• PID (pelvic inflammatory disease), sepsis
• Fistels (vesicovaginaal, rectovaginaal), perineumruptuur, uterusprolaps
• Infertiliteit
1.2.2. PERINATALE MORTALITEIT
Perinatale mortaliteit wordt gedefinieerd als de som van de antenatale sterften (na 22 weken of > 500 g)
en de vroege neonatale sterften (eerste levensweek) per 1000 geboorten.
Als oorzaken weerhoudt men
• Immaturiteit
• Prematuriteit
• Congenitale afwijkingen (structureel, chromosomaal, aritmieën, congenitale infectie)
• Infectie / sepsis
• Navelstrengaccident
• Intrapartum asfyxie of trauma
• Abruptio placentae
• IUGR
• (Zwangerschapsafbrekingen)
De grootteorde van de perinatale mortaliteit situeert zich in welvarende landen rond 5 tot 10 per duizend
geboorten, maar ook hier ziet men terug enorme geografische schommelingen.
In Vlaanderen zag men in 2022 een perinatale mortaliteit van 7,2‰ (foetaal 6,0‰ en vroeg-neonataal
1,2‰). Bij éénlingen bedroeg deze 6,7‰ waarvan 5,6‰ foetaal en 1,1‰ vroeg neonataal. Bij meerlingen
bedroeg de perinatale mortaliteit 24,7‰ (18,4‰ foetaal, 6,4‰ vroeg-neonatale sterfte).
Module 1 – 5
,1.3. TERMINOLOGIE
• Abortus (A)
o Miskraam, uitdrijven van een niet levensvatbare vrucht, voor de 22ste zwangerschapsweek.
• Abortus arte provocatus (AAP)
o Zwangerschapsafbreking
• Absolute kinddosis
o Hoeveelheid medicatie die zuigeling via moedermelk binnenkrijgt, uitgedrukt in mg/kg/dag
• Amenorreeduur (AD)
o Tijd verlopen sinds de eerste dag van de laatste regels
• A terme (ook “voldragen” genoemd)
o Op een zwangerschapsduur van 37 tot 42 weken, of tussen 259 en 294 dagen
• Colostrum
o Melk van de eerste dagen
o Bevat relatief veel mineralen, eiwitten en antilichamen, maar minder vet en koolhydraten
• Embryo
o Vrucht van de 3de tot de 10de week na de bevruchting (5de tot 12de week AD)
• Foetus
o Vrucht vanaf 12 weken AD tot de geboorte
• Foetale sterfte
o Ieder doodgeboren kind van ≥ 500 gram
• Galactopoëse
o Instandhouding van melksecretie
• Geboorte
o Het ter wereld komen van een foetus van 500 gram of meer, of van een kind geboren na een
zwangerschapsduur van 22 weken of meer
• Gravida of graviditeit (G)
o Duidt op het aantal zwangerschappen m.i.v. de huidige
o Hierbij is een nulligravida niet zwanger en nog nooit zwanger geweest, een primigravida is voor
het eerst zwanger, en spreekt men van een multigravida vanaf een tweede zwangerschap
• Kiem
o Vrucht in de eerste zwangerschapsmaand
• Lactogenese
o Het op gang komen van de secretie van melk
• Maternale mortaliteit
o Dood van een vrouw terwijl zwanger, of binnen de 42 dagen na het einde van de
zwangerschap, direct obstetrische of indirecte oorzaken
• Maternal mortality rate
o Aantal moedersterftes gedurende een bepaalde periode per 100,000 levendgeboorten
• Mammogenese
o Groei en ontwikkeling van de melkklieren
• MBO
o Microbloedonderzoek
o pH en lactaat bepaling via een druppel bloed afkomstig van de foetale schedel)
Module 1 – 6
,• Meconium
o Darminhoud van fœtus (galkleurstoffen, ingeslikt vruchtwater, mucosacellen, bilirubine)
• Melk/plasma ratio (M/P ratio)
o Verhouding tussen de concentratie van het geneesmiddel in de moedermelk en de
concentratie in het maternale plasma
• Melk/plasma AUC ratio (M/P AUC ratio)
o Verhouding van de area under the curve (AUC) van de melk- en plasmaspiegels
• Menogram
o Een systematische weergave van eigenschappen van een menstruele cyclus van een patiente
(leeftijd menarche, cyclusduur, periode en hoeveelheid bloedverlies, graad van dysmenorree)
o
o
• MIU
o Mors in utero
• Neonaat
o Kind op een leeftijd tussen geboorte en dag 28
• Neonatale sterfte
o Overlijden van een levend geboren kind van ≥ 500 gram
o Tot en met de 28ste dag na de geboorte
• Pariteit (P)
o Aantal baringen (verlossingen) dat een vrouw heeft doorgemaakt
• Perinatale sterfte
o De som van de foetale sterfte en de vroeg-neonatale sterfte
• Post-neonatale sterfte
o Overlijden van een levend geboren kind van ≥ 500 gram
o Vanaf de 29ste dag tot en met de 365ste dag na de geboorte
• Postterm of serotien
o Zwangerschapsduur van meer dan 42 weken of 294 dagen
• Preterm
o Zwangerschapsduur van minder dan 37 weken of 259 dagen
o Men spreekt van very preterm bij een termijn onder 32 weken (224 dagen) en van extreem
preterm onder de 28 weken (196 dagen)
• PROM
o = Prelabor Rupture Of Membranes
o Breken van de vliezen voor de start van regelmatige uteriene contracties
• P-PROM
o = Preterm Prelabor Rupture Of Membranes
o Breken van de vliezen voor de start van regelmatige uteriene contracties
o Op zwangerschapsduur < 37 weken
Module 1 – 7
,• Relatieve kinddosis
o Verhouding weer tussen de geschatte dosis geneesmiddel per kg lichaamsgewicht die het kind via
de borstvoeding binnenkrijgt (mg/kg/dag) en de dosis die de moeder krijgt (mg/kg/dag)
• Sectio caesarea, primair
o Sectio uitgevoerd op een gepland tijdstip, bij een zwangere met intacte vliezen en niet in arbeid
• Sectio caesarea, secundair
o Keizersnede waartoe pas beslist werd tijdens de arbeid of de bevalling
• Verlossing
o Geboorte van één of meer kinderen met een gewicht van ≥ 500 gram uit één moeder
• Vroeggeboorte
o Bevalling vóór de 37ste zwangerschapsweek
• Vroeg-neonataal
o Eerste week na de geboorte
• Vroeg-neonatale sterfte
o Overlijden van een levend geboren kind van ≥ 500 gram, vóór de 8ste dag na de geboorte
• Zuigelingensterfte
o Overlijden van een levend geboren kind van ≥ 500 gram binnen het 1ste levensjaar
• Zwangerschapsduur
o Hiermee wordt in deze cursus amenorroeduur bedoeld tenzij expliciet anders vermeld (dus alleen
als er 'weken na conceptie of ovulatie' geschreven staat wordt geteld vanaf de conceptie)
Module 1 – 8
,MODULE 2: ZWANGERSCHAPSFYSIOLOGIE EN
KLINISCHE IMPLICATIES
OVERZICHTSTABEL
2.1 De menstruele cyclus ........................................................................................................................ 1
2.2 De gametogenese .............................................................................................................................. 2
2.3 De bevruchting .................................................................................................................................. 3
2.4 De innesteling: implantatie – nidatie ................................................................................................ 3
2.5 De placenta........................................................................................................................................ 4
2.5.1 Ontwikkeling............................................................................................................................... 4
2.5.3 Placentaire functies .................................................................................................................... 7
2.6 De navelstreng................................................................................................................................. 12
2.7 De vruchtzak .................................................................................................................................... 13
2.8 De foetus ......................................................................................................................................... 14
2.8.1 Algemene ontwikkeling ............................................................................................................ 14
2.8.2 Foetale groei ............................................................................................................................. 15
2.8.3 Orgaanspecifieke ontwikkeling ................................................................................................ 16
2.9 De zwangere vrouw ......................................................................................................................... 19
2.9.1 De voortplantingsorganen........................................................................................................ 19
2.9.2 Cardiovasculair systeem ........................................................................................................... 20
2.9.3 Longen en ademhaling ............................................................................................................. 22
2.9.4 Nieren en urinewegen .............................................................................................................. 23
2.9.5 Hematologische veranderingen ............................................................................................... 24
2.9.6 Spijsvertering ............................................................................................................................ 27
2.9.7 Immuunsysteem ....................................................................................................................... 28
2.9.8 Musculoskeletaal stelsel........................................................................................................... 29
2.9.9 Huid .......................................................................................................................................... 30
2.9.10 Het endocriene en metabool systeem ................................................................................... 31
2.9.11 Gewicht................................................................................................................................... 33
2.9.12 Borstveranderingen ................................................................................................................ 34
2.9.13 Psychologische veranderingen ............................................................................................... 35
,Het vrouwelijk genitaal stelsel produceert haploide eicellen (oogenese) ter hoogte van de ovaria, maakt
bevruchting mogelijk ter hoogte van de eileiders en voorziet een goede fysische en hormonale omgeving voor
de implanting en ontwikkeling van het embryo in de uterus.
2.1. DE MENSTRUELE CYCLUS
De processen die leiden tot ovulatie, bevruchting en implanting van de bevruchte eicel zijn complex en nog
steeds niet volledig opgehelderd. Ze zijn het gevolg van een samenspel tussen hypothalamus, hypofyse,
ovarium en baarmoederslijmvlies.
2.1.1. OVARIUM
Gonadotrofine-releasing hormonen in de hypothalamus, stimuleren de hypofyse om FSH
(follikelstimulerend hormoon) en LH (luteiniserend hormoon) vrij te zetten, en deze hormonen stimuleren
op hun beurt het ovarium tot productie van oestrogeen en progesteron. Naast deze hormoonproductie
heeft het ovarium de functie om eicellen te produceren (gametogenese).
Bij lage oestrogeenwaarden (begin en eind van cyclus) wordt de hypofyse gestimuleerd tot FSH productie
wat de groei van follikels stimuleert. Door die follikelgroei gaat de aanmaak van oestrogeen toenemen en
gaan de granulosacellen inhibine (en AMH) aanmaken – en deze beide hormoonstijgingen gaan de FSH
productie in de adenohypofyse onderdrukken. Daardoor kan alleen de dominante follikel (= grootste, met
de meeste FSH receptoren) verder groeien, wat leidt tot de oestrogeenpiek.
De oestrogeenpiek stimuleert de adenohypofyse tot een LH piek en kleinere FSH piek, wat de ovulatie
uitlokt. LH stimuleert de lokale productie van PGs en proteolytische enzymen en de ontwikkeling van het
corpus luteum dat progesteron produceert.
2.1.2. ENDOMETRIUM
Cyclische veranderingen in oestrogenen en progesteron zijn verantwoordelijk voor ingrijpende
veranderingen ter hoogte van het endometrium.
In de proliferatieve fase ziet men o.i.v. oestrogenen een toename van de epitheliale en stromale cellen,
met een vergroting van de klierbuizen en van de endometriale dikte van 1-2 mm tot 10-12 mm.
In de secretoire fase ziet men o.i.v. progesteron (tweetal dagen na ovulatie) een vermindering van de
mitotische activiteit en tortueuze uitgezette klierbuizen met accumulatie van glycogeen.
Zo geen bevruchting, dalen de concentraties van oestradiol en progesteron en treedt de menstruatie op.
,