SV respiratoire infecties – Prof. dr. Eva Van Braeckel
INLEIDING RESPIRATOIRE INFECTIES
1.1 normale verdedigingsmechanismen
Normale • Fysiologische afweer
verdedigingsmechanismen • Aspecifieke afweer
• Specifieke afweer
->luchtwegen zijn niet steriel, bij gezonde persoon ook
verdedigingsmechanismen aanwezig
Fysiologische mechanismen Mucociliair transport
- Bevochtiging
- Partikelverwijdering
>10 µm: nasofarynx (vb. pollen)
5-10 µm: carina
<1 µm: airborne (alveoli) vb. virus
- Luchtwegsecreties
Partikelexpulsie
- Respiratoire reflexen: niezen, hoest, bronchospasmen
Respiratoir microbioom
- Microbiële immigratie
- Lokale groeifactoren
- Microbiële eliminatie
->bij chronische aandoeningen: exacerbaties door onevenwicht microbiotica
Aspecifieke mechanismen Solubele factoren
- Alfa-1-antitrypsine
- Antioxidantia, lysozyme, lactoferrine, complement C3 en C5
- Surfactant protein A …
Niet-specifieke cellulaire afweer
- Alveolaire macrofagen (soort stofzuiger)
- Neutrofiele granulocyten → TNF alfa, IL-1, chemokines
Specifieke afweer Humorale afweer
- Proximal: slgA
- Distal: IgG (IgG2)
Cellulaire afweer
- T-lymfocyten: interferon type III / type I
1.2 pathogenese en predisponerende factoren
Pathogenese
Hoe ontstaan respiratoire
infecties
Inoculum = hoeveelheid die je moet binnenkrijgen van bepaald pathogeen
om ziekte te krijgen
Opportunistisch pathogeen = intrinsiek weinig virulent maar gebruik makend van bepaalde
omstandigheden om dan ziekte te veroorzaken
Mechanismen bij • Adhesie aan epitheelcellen: pili, proteasen, ciliaire toxiciteit, adhesie
pathogenen aan specifieke receptoren
Vb. influenza: heel veel ciliaire toxiciteit, legt trilhaartjes lam
• Rechtstreekse pathogeniciteit = rechtstreeks het epitheel aanvallen
,Verminderde Het defect in de verdediging bepaalt vaak het oorzakelijk agens
afweermechanismen
Ciliaire toxiciteit en Bij covid: minder lokale ciliaire toxiciteit, dus minder surinfectie
surinfectie ➔ Bij griep is het anders: verhoogd risico op bacteriële surinfectie!!
Predisponerende factoren !!!
Indeling Epidemiologie en expositie
Kolonisatie/onderliggende aandoeningen
- Immuundeficiënties
- Onderliggend structureel longlijden
Iatrogene risicofactoren
- Immuunsupressie
- Verbroken barrières
Expositie aan micro- Ubiquitair
organismen ➔ Betekent: overal aanwezig in omgeving maar dagdagelijks contact
zonder dat we er ziek van worden
➔ Intrinsiek virulent: pneumokok, mycobacterium tuberculosis
➔ Opportunistisch: pneumocystis jirovecii, cryptococcus neoformans
Specifieke omgevingsbronnen
➔ Nosocomiaal
➔ Community: legionella pneumophila, tularemie
Geografisch beperkte organismen
➔ Endemische mycosen: histoplasma capsulatum
➔ Via excreties van vleermuizen
➔ Binnenkort niet meer ‘endemisch’ door opwarming van de aarde
Epidemisch
➔ Influenza
➔ SARS-CoV-2
Latent
➔ M. tuberculosis, endemische mycosen, virussen (herpes)
Veranderende epidemiologie Meer en meer schimmels & ze worden resistent
Immuundeficiënties en
infecties !!!
Hematoptn in elke categorie!! Door onderliggende aandoening maar ook door
type immuunsupressie
Bronchiëctasieën
Definitie Abnormale en permanent gedilateerde luchtwegen
- Gedilateerde bronchi met verdikte wand, groter dan de naastliggende
arteriën (zegelringteken)
Pathogenese Vicieuze cirkel
- Dysfunctionele mucociliaire klaring (aangeboren of verworven)
- Neutrofiele inflammatie
, - Bacteriële kolonisatie en recurrente infectie
- Verdere luchtwegschade (verdere verbreding van de LW en zo
longfctie verlies)
Heterogene groep aandoeningen
Oorzaak • Idiopathisch of post-infectieus
• Onderliggend long- of systeemlijden
• Wereldwijd: TBC = meest frequent
Etiologie COPD
Gastro-oesofagale reflux en aspiratie
Post-infectieus
- Recurrente pneumonieën
- TBC
Immuundeficiëntie
- Humorale immuundeficiënties (CVID = common variable imm def)
- Geassocieerd aan systeemlijden: RA, IBD
Immunologische overrespons
- Allergische bronchopulmonale aspergillose ABPA
- GvHD
Gestoorde mucociliaire klaring
- Primaire ciliarie dyskinesie PCD
- Mucoviscidose of cystic fibrosis CF
Andere: congenital, corpus alienum
Interstitieel longlijden → tractiebronchiëctasieën (is door fibrose)
Primaire ciliaire dyskinesie Immotile cilia syndroom
= aangeboren ciliaire dysfunctie 1/10 000
Klinische manifestaties:
• Respiratoir: respiratoire distress bij geboorte, productieve hoest,
recurrente LWI, bronchiëctasieën
• NKO: chronische rhinitis/sinusitis, recurrente otitis, glue ear,
gehoorsdaling
• 50%: Kartagener syndroom met dextrocardia en situs inversus (want
trilhaartjes ook rol in embryogenese)
• Fertiliteit: amotile spermatozoa + risico op EUZ want ook trilhaartjes
in tuba
→in bepaalde gemeenschappen komt dit vaker voor door cosanguïniteit
→vaak kindjes die veel ziek zijn op jonge leeftijd, indien niet dan pas diagnose
op latere leeftijd
Cystic fibrosis CF Mucoviscidose = taaislijmziekte
• AR aandoening (meest voorkomende AR aandoening)
• Mutaties in CFTR gen op chromosoom 7
• 1/20 is drager, 1/3700 heeft CF
Pathofysiologie
- Defect CFTR ew = defect chloorkanaal
- Verstoorde Na/Cl balans
- Na en H2O absorptie stijgt
- Depletie airway surface liquid ASL
- Inhibitie ciliaire motiliteit
- Infectie en neutrofiele inflammatie
Diagnose
• Screening: zweettest + neonatale screening
• Bevestiging dmv genetica
INLEIDING RESPIRATOIRE INFECTIES
1.1 normale verdedigingsmechanismen
Normale • Fysiologische afweer
verdedigingsmechanismen • Aspecifieke afweer
• Specifieke afweer
->luchtwegen zijn niet steriel, bij gezonde persoon ook
verdedigingsmechanismen aanwezig
Fysiologische mechanismen Mucociliair transport
- Bevochtiging
- Partikelverwijdering
>10 µm: nasofarynx (vb. pollen)
5-10 µm: carina
<1 µm: airborne (alveoli) vb. virus
- Luchtwegsecreties
Partikelexpulsie
- Respiratoire reflexen: niezen, hoest, bronchospasmen
Respiratoir microbioom
- Microbiële immigratie
- Lokale groeifactoren
- Microbiële eliminatie
->bij chronische aandoeningen: exacerbaties door onevenwicht microbiotica
Aspecifieke mechanismen Solubele factoren
- Alfa-1-antitrypsine
- Antioxidantia, lysozyme, lactoferrine, complement C3 en C5
- Surfactant protein A …
Niet-specifieke cellulaire afweer
- Alveolaire macrofagen (soort stofzuiger)
- Neutrofiele granulocyten → TNF alfa, IL-1, chemokines
Specifieke afweer Humorale afweer
- Proximal: slgA
- Distal: IgG (IgG2)
Cellulaire afweer
- T-lymfocyten: interferon type III / type I
1.2 pathogenese en predisponerende factoren
Pathogenese
Hoe ontstaan respiratoire
infecties
Inoculum = hoeveelheid die je moet binnenkrijgen van bepaald pathogeen
om ziekte te krijgen
Opportunistisch pathogeen = intrinsiek weinig virulent maar gebruik makend van bepaalde
omstandigheden om dan ziekte te veroorzaken
Mechanismen bij • Adhesie aan epitheelcellen: pili, proteasen, ciliaire toxiciteit, adhesie
pathogenen aan specifieke receptoren
Vb. influenza: heel veel ciliaire toxiciteit, legt trilhaartjes lam
• Rechtstreekse pathogeniciteit = rechtstreeks het epitheel aanvallen
,Verminderde Het defect in de verdediging bepaalt vaak het oorzakelijk agens
afweermechanismen
Ciliaire toxiciteit en Bij covid: minder lokale ciliaire toxiciteit, dus minder surinfectie
surinfectie ➔ Bij griep is het anders: verhoogd risico op bacteriële surinfectie!!
Predisponerende factoren !!!
Indeling Epidemiologie en expositie
Kolonisatie/onderliggende aandoeningen
- Immuundeficiënties
- Onderliggend structureel longlijden
Iatrogene risicofactoren
- Immuunsupressie
- Verbroken barrières
Expositie aan micro- Ubiquitair
organismen ➔ Betekent: overal aanwezig in omgeving maar dagdagelijks contact
zonder dat we er ziek van worden
➔ Intrinsiek virulent: pneumokok, mycobacterium tuberculosis
➔ Opportunistisch: pneumocystis jirovecii, cryptococcus neoformans
Specifieke omgevingsbronnen
➔ Nosocomiaal
➔ Community: legionella pneumophila, tularemie
Geografisch beperkte organismen
➔ Endemische mycosen: histoplasma capsulatum
➔ Via excreties van vleermuizen
➔ Binnenkort niet meer ‘endemisch’ door opwarming van de aarde
Epidemisch
➔ Influenza
➔ SARS-CoV-2
Latent
➔ M. tuberculosis, endemische mycosen, virussen (herpes)
Veranderende epidemiologie Meer en meer schimmels & ze worden resistent
Immuundeficiënties en
infecties !!!
Hematoptn in elke categorie!! Door onderliggende aandoening maar ook door
type immuunsupressie
Bronchiëctasieën
Definitie Abnormale en permanent gedilateerde luchtwegen
- Gedilateerde bronchi met verdikte wand, groter dan de naastliggende
arteriën (zegelringteken)
Pathogenese Vicieuze cirkel
- Dysfunctionele mucociliaire klaring (aangeboren of verworven)
- Neutrofiele inflammatie
, - Bacteriële kolonisatie en recurrente infectie
- Verdere luchtwegschade (verdere verbreding van de LW en zo
longfctie verlies)
Heterogene groep aandoeningen
Oorzaak • Idiopathisch of post-infectieus
• Onderliggend long- of systeemlijden
• Wereldwijd: TBC = meest frequent
Etiologie COPD
Gastro-oesofagale reflux en aspiratie
Post-infectieus
- Recurrente pneumonieën
- TBC
Immuundeficiëntie
- Humorale immuundeficiënties (CVID = common variable imm def)
- Geassocieerd aan systeemlijden: RA, IBD
Immunologische overrespons
- Allergische bronchopulmonale aspergillose ABPA
- GvHD
Gestoorde mucociliaire klaring
- Primaire ciliarie dyskinesie PCD
- Mucoviscidose of cystic fibrosis CF
Andere: congenital, corpus alienum
Interstitieel longlijden → tractiebronchiëctasieën (is door fibrose)
Primaire ciliaire dyskinesie Immotile cilia syndroom
= aangeboren ciliaire dysfunctie 1/10 000
Klinische manifestaties:
• Respiratoir: respiratoire distress bij geboorte, productieve hoest,
recurrente LWI, bronchiëctasieën
• NKO: chronische rhinitis/sinusitis, recurrente otitis, glue ear,
gehoorsdaling
• 50%: Kartagener syndroom met dextrocardia en situs inversus (want
trilhaartjes ook rol in embryogenese)
• Fertiliteit: amotile spermatozoa + risico op EUZ want ook trilhaartjes
in tuba
→in bepaalde gemeenschappen komt dit vaker voor door cosanguïniteit
→vaak kindjes die veel ziek zijn op jonge leeftijd, indien niet dan pas diagnose
op latere leeftijd
Cystic fibrosis CF Mucoviscidose = taaislijmziekte
• AR aandoening (meest voorkomende AR aandoening)
• Mutaties in CFTR gen op chromosoom 7
• 1/20 is drager, 1/3700 heeft CF
Pathofysiologie
- Defect CFTR ew = defect chloorkanaal
- Verstoorde Na/Cl balans
- Na en H2O absorptie stijgt
- Depletie airway surface liquid ASL
- Inhibitie ciliaire motiliteit
- Infectie en neutrofiele inflammatie
Diagnose
• Screening: zweettest + neonatale screening
• Bevestiging dmv genetica