1. ALGEMENE INLEIDING
Meubelbeslag: alle toebehoren van scharnieren, draai- en schuifbeslag tot en met deur- en
ladegrepen voor meubels. (+ Spijkers, schroeven, vijzen, bouten en moeren)
à hetgeen wordt toegevoegd om een meubel multifunctioneel te maken.
à nieuwe materialen en beslag: nieuwe ontwerpen zonder het bestaande ontwerp te
vergeten.
o Mode en het veranderen van functies: spelen een rol in het uitzicht van een meubel
à geen invloed op de contructie elementen
1.1 INLEIDING
o Elk materiaal heeft zijn typische constructie- en verwerkingsmethodes die voortkomen uit de
specifieke eigenschappen van dat materiaal
à constructie is niet los te denken van materialenkennis
à Het materiaal bepaalt mee de vorm
à constructie is een deel van een creatief proces
o Processen
- Behoefte – functie = functioneel
- Ontwerp – denken over = creeren
- Realiseren – uitvoeren = construeren
à om te realiseren moet men eerst construeren
o Vorm volgt functie (FVC zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden)
F= functie
V= vorm C= construeren
- Constructie: techniek, materiaal beheersing of materiaal kennis
à onontbeerlijk voor het verwezelijken of realiseren van een ontwerp
- Constructie van een meubel, industrieel product of bouwwerk: logisch, eenvoudig en
economisch (milieuverloedering en verspilling)
à noodzakelijk:
• Kennis van het materiaal, zijn mogelijkheden en beperkingen
• Experimenteren kan, mag en moet
à tijd en materiaalverlies bepereken: tijd en materiaal kosten geld
2. MASSIEF HOUT EN AFGELEIDE PRODUCTEN
o Massief hout is duur door de lange droogtijden en vakmannen
à dossenstructuur: vlamtekening
à kwartiers: rustigere houttekening
1
,2.1 NAALDHOUT (vb: scandinavische interieurs)
o Afkomst: coniferen met naaldachtige bladeren
o Productie: gezaagd of geschaafd
à gezaagd: ruw hout (rekening houden met krimp)
à geschaafd: machinaal glad gemaakt (rekening houden met krimp)
o Vergrijzing van het hout voorkomen: afdekken met een beschermende beits, vernis of verf
o Bevatten vaak hars (grenen of vuren) + vaak scheuren in de uiteinden van de planken =
snijverlies van 5 à 10%
2.2 LOOFHOUT
o Gebruik: meubels
o Harder, duurder en beter bestand tegen beschadiging aan het opervlak. Duurzaamheid
is groter
o Productie: spint + hart moet men verwijderen
- spint: zacht gedeelte onder de schors
à minder duurzaam en meestal grauwer van kleur dan dieper in de stam
- hart: splijt, krimpt of draait
o kwaliteit: afhankelijk van hoe het hout is gedroogd en is opgeslagen.
à beste manier: onder een afdak stapelen van het blok op latten (min. 3-4 jaar)
à hoe ouder/vuiler: hoe droger het houd
o hout kiezen in functie van je ontwerp, stroming, persoonlijkheid
à tekening, kleur, nerf, draadrichting,…
à voor gebruik: technische fiche van het materiaal nalezen (fysiche en mechanische
eigenschappen)
2.3 FOUTEN IN HET HOUT
o vocht, kwasten en scheuren (krimpen/uitzetten in voornamelijk breedte)
à vochtig hout: krimpen en kromtrekken à lijm kan loslaten bij het drogen van het hout
o hout afkomstig van een open opslagplaats bevat 17% van zijn gewicht aan water
à hout in een verwarmde, ruimte heeft een vochtgehalte van 8%
o oud, goed gedroogd hout is niet noodzakelijk beter dan nieuw hout
à oud hout trekt ook bij het opnieuwzagen
o risico ontlopen: hout 3-4 weken voor gebruik op te slaan in de ruimte waar het gebruikt
moet worden en dan op maat verzagen
2.4 BEWERKINGEN VAN HET HOUT
2.4.1 HET ZAGEN
o vezelrichting –dwars op vezels! (langs is moeilijker te zagen)
o tandvorm zaag = afhankelijk van de hardheid van het hout
2.4.2 HET SCHAVEN
o Handschaven: met een beitel met een bepaalde durk over het hout schuiven zodat de
vezels eraf gesneden worden
à in de vezelrichting van het hout!
à warrig hout en draaigroei worden met de draaizin mee geschaafd
2
, o Mechanisch schaven: snel ronddraaiende af met beitels waartegen het hout wordt
gedrukt
à schaven met de houtdraad
à Na schuren: wegkrijgen van golfpatroon van de schaafmachine
2.4.3 HET SCHUREN
o Glad maken van het oppervlak = verdwijnen van zaag- of schaaftekens
o Nadelig: dwars op vezels schuren = verkrijgen van ruwer oppervlak (strepen en groeven)
à schuren in vezelrichting, eerst grof daarna fijn schuurpapier
2.4.4 HET BOREN EN FREZEN
o Gat maken in een stuk hout vb. scharnieren
2.4.5 HET DRAAIEN
o Maken van omwentelingslichamen (ronde vormen: cilinders, kegels, halve of hele
bollen,…)
2.4.6 HET BEITELEN EN GUTSEN
o Maken van uitsparingen
à Gutsen: specifiek voor het snijden en gladsteken van holle en bolle groeven, hoeken
en zijden
2.4.7 HET VIJLEN EN RASPEN
o Vijlen: fijnere vertanding dan raspen = minder materiaal wegnemen
à gladdere afwerking dan met rasp
2.5 VAN HOUT AFGELEIDE PRODUCTEN
o Hout vervaardigde materialen: zodanig bewerkt dat de oorspronkelijke eigenschappen
gewijzigd worden
à combinatie van hout en kunsstoflijmen
o osb-plaat spaanderplaat MDF-plaat
o plaatmateriaal komt onder verschillende samenstellingen voor (binnen + buiten)
à lengte en breedte: afhankelijk van fabricatieinirichting, vraag van de gebruiker en het
land van herkomst
3