H1 basisprincipes en basisbegrippen van wetenschappelijk onderzoek
https://canvas.vub.be/courses/35440/files/1748695?module_item_id=372432
Methodologie= Studie van de wetenschappelijke methoden,...
vb, mondmaskers: eerst wouden mensen deze niet dragen omdat er geen bewijs was dat
deze effectief werkten. Na verder onderzoek -> nieuwe kennis -> wel dragen
(=voortschrijdend inzicht)
● doelen:
○ problemen oplossen
○ verklaringen vinden
○ waarnemingen veralgemenen
○ evidence-based practice (de basis is evidence)
klinische beslissing: diagnose, praten, begrijpen,...
gebaseerd op: eigen ervaring
voorkeur patiënt
klinische omstandigheden
evidence based uit wetenschappelijk onderzoek
(psychosociale wordt belangrijker)
● PICO/PECO:
P: probleem, populatie, patient
I/E: Intervention, Exposure (observationeel)(behandeling, diagnose test of
zorgproces)
C: controle, comparison (vergelijken)
O: outcome, resultaat
(S: Study design)
● revalidatie wetenschappen:
behoort tot de toegepaste wetenschappen en is multidisciplinair vakgebied
(biomedische wetenschappen en gedragswetenschappen)
KRITISCHE GEEST + WAAROM!!
❖ onwetenschappelijk:
➢ vasthouden aan gewoontes
➢ vertrouwen op intuïtie
➢ vertrouwen op eigen ervaring
➢ vertrouwen op oordeel van grote autoriteit
➢ verkeerde conclusie bij redenering
❖ wetenschappelijk redeneren:
➢ :deductief (top-bottom): Vanuit een theorie en toetsen via observatie
(bestaande kennis als basis voor hypothese) (geen echte nieuwe
kennis)
➢ inductief: vanuit observatie -> veralgemening naar populatie
goed voor ontwikkeling van nieuwe kennis
, beide kunnen binnen eenzelfde onderzoek toegepast worden (zie
slide)
❖ eigenschappen wetenschappelijk onderzoek:
➢ systematiek
➢ repliceerbaar
➢ gecontroleerd (hoe meer controle hoe beter)
➢ logisch
➢ uhfiufhf (een algemeen gegeven, besluit)
❖ 10 stappen:
➢ planningsfase: 1 tot en met 7
➢ uitvoeringsfase 7-10
❖ 2 categorien:
➢ kwalitatieve meetschaal:
■ nominale schaal (categorisch, niks van rangorde)
■ Ordinaal (rangorde, geen gelijke intervallen)
➢ Kwantitatieve meetschaal:
■ interval schaal (gelijke intervallen, geen absoluut nulpunt = er is altijd
temp/dagen/…
■ Ratio schaal (gelijke intervallen, wel absoluut nulpunt)
❖ likertschaal: schaal van 1 tot min 5
H2: sampling
https://canvas.vub.be/courses/35440/files/1748696?module_item_id=372434
Hoe gaan we mensen rekruteren/verzamelen (steekproef samenstellen)(stap 6)
1. populatie versus steekproef
steekproef= groep die we samenstellen die representatief is voor de populatie
doel van elk onderzoek: iets te weten komen over de populatie
populatie parameter schatten op basis van steekproef BELANG
REPRESENTATIVITEIT
(nooit exact, gaat om een schatting)
(beter kleine representatieve groep dan een grote die niet representatief)
2. grootte van de steekproef
hoe groter u steekproef, hoe gedetailleerder
niet representatief= biased sample
power analyse= hoe groot moet de steekproef zijn om een voldoende zekerheid iets
te kunnen aantonen
3. sampling strategieën
1. random sampling (toeval laten beslissen) (=representatieve groep>)
iedereen evenveel kans om uitgekozen te worden
eens een persoon gekozen is, kan deze niet meer uitgesloten worden
voordeel: alle statistische technieken mogelijk
, zeer representatief
nadeel: praktisch moeilijk uit te voeren (Ppn= populatie)
2. gestratificeerde random sampling
eerst populatie in strata of subgroepen verdeeld
best proportionele groepen
voordelen: voldoende vertegenwoordiger diging van essentiële subgroepen (meer
kans op representativiteit)
voldoende willekeurig
nadelen: populatie lijst
soms onvoldoende info
3. cluster (random) sampling
random selectie van een aantal clusters -> binnen de cluster een random cluster
voordelen: direct heel veel individuen vast + vaste lijsten
kan ook binnen de cluster zelf ook at random werken (-> representativiteit
verhoogd)
nadelen: minder variatie binnen 1 cluster, minder goede schatting
kans op kleine representativiteit
beter groot aantal kleine clusters, dan klein aantal grote clusters (zorgt voor variatie
en dus meer representativiteit, balans tussen de verschillende soorten)
(kan ook een combinatie van 2 en 3 zijn)
4. Quota sampling (niet-random: minder representativiteit)
vrijwilligers (geen random selectie): onrechtstreeks bepaal je toch een bepaalde
proefpersonen (selectie bias)
voordelen: geen populatie lijst nodig
gemakkelijk proefpersonen te bereiken
nadelen: selectiebias = de eerste die zich aanmelden (-> onderschat niet
representatief) (geen externe validiteit: geen veralgemening mogelijk)
5. theoretische steekproeftrekking (vooral kwalitatief)
doelbewust gespecialiseerde/ mensen die kennis over het onderwerp selecteren
voordelen: minimale kost
gemotiveerde proefpersonen
nadelen: selectiebias, niet echt representatief
vrijwilligers
nadelen: zelfselectie, selectie-bias: niet echt representatief
zie verder ppt
H3: beschrijvend onderzoek (observationeel onderzoek: we bestuderen de natuurlijke
situatie)
H4: evidance bases practice
Def= eigen individuele klinische expertise, beste externe bewijsmateriaal, patiënt
-> hoe vind ik nu het beste bewijs/artikel?
https://canvas.vub.be/courses/35440/files/1748695?module_item_id=372432
Methodologie= Studie van de wetenschappelijke methoden,...
vb, mondmaskers: eerst wouden mensen deze niet dragen omdat er geen bewijs was dat
deze effectief werkten. Na verder onderzoek -> nieuwe kennis -> wel dragen
(=voortschrijdend inzicht)
● doelen:
○ problemen oplossen
○ verklaringen vinden
○ waarnemingen veralgemenen
○ evidence-based practice (de basis is evidence)
klinische beslissing: diagnose, praten, begrijpen,...
gebaseerd op: eigen ervaring
voorkeur patiënt
klinische omstandigheden
evidence based uit wetenschappelijk onderzoek
(psychosociale wordt belangrijker)
● PICO/PECO:
P: probleem, populatie, patient
I/E: Intervention, Exposure (observationeel)(behandeling, diagnose test of
zorgproces)
C: controle, comparison (vergelijken)
O: outcome, resultaat
(S: Study design)
● revalidatie wetenschappen:
behoort tot de toegepaste wetenschappen en is multidisciplinair vakgebied
(biomedische wetenschappen en gedragswetenschappen)
KRITISCHE GEEST + WAAROM!!
❖ onwetenschappelijk:
➢ vasthouden aan gewoontes
➢ vertrouwen op intuïtie
➢ vertrouwen op eigen ervaring
➢ vertrouwen op oordeel van grote autoriteit
➢ verkeerde conclusie bij redenering
❖ wetenschappelijk redeneren:
➢ :deductief (top-bottom): Vanuit een theorie en toetsen via observatie
(bestaande kennis als basis voor hypothese) (geen echte nieuwe
kennis)
➢ inductief: vanuit observatie -> veralgemening naar populatie
goed voor ontwikkeling van nieuwe kennis
, beide kunnen binnen eenzelfde onderzoek toegepast worden (zie
slide)
❖ eigenschappen wetenschappelijk onderzoek:
➢ systematiek
➢ repliceerbaar
➢ gecontroleerd (hoe meer controle hoe beter)
➢ logisch
➢ uhfiufhf (een algemeen gegeven, besluit)
❖ 10 stappen:
➢ planningsfase: 1 tot en met 7
➢ uitvoeringsfase 7-10
❖ 2 categorien:
➢ kwalitatieve meetschaal:
■ nominale schaal (categorisch, niks van rangorde)
■ Ordinaal (rangorde, geen gelijke intervallen)
➢ Kwantitatieve meetschaal:
■ interval schaal (gelijke intervallen, geen absoluut nulpunt = er is altijd
temp/dagen/…
■ Ratio schaal (gelijke intervallen, wel absoluut nulpunt)
❖ likertschaal: schaal van 1 tot min 5
H2: sampling
https://canvas.vub.be/courses/35440/files/1748696?module_item_id=372434
Hoe gaan we mensen rekruteren/verzamelen (steekproef samenstellen)(stap 6)
1. populatie versus steekproef
steekproef= groep die we samenstellen die representatief is voor de populatie
doel van elk onderzoek: iets te weten komen over de populatie
populatie parameter schatten op basis van steekproef BELANG
REPRESENTATIVITEIT
(nooit exact, gaat om een schatting)
(beter kleine representatieve groep dan een grote die niet representatief)
2. grootte van de steekproef
hoe groter u steekproef, hoe gedetailleerder
niet representatief= biased sample
power analyse= hoe groot moet de steekproef zijn om een voldoende zekerheid iets
te kunnen aantonen
3. sampling strategieën
1. random sampling (toeval laten beslissen) (=representatieve groep>)
iedereen evenveel kans om uitgekozen te worden
eens een persoon gekozen is, kan deze niet meer uitgesloten worden
voordeel: alle statistische technieken mogelijk
, zeer representatief
nadeel: praktisch moeilijk uit te voeren (Ppn= populatie)
2. gestratificeerde random sampling
eerst populatie in strata of subgroepen verdeeld
best proportionele groepen
voordelen: voldoende vertegenwoordiger diging van essentiële subgroepen (meer
kans op representativiteit)
voldoende willekeurig
nadelen: populatie lijst
soms onvoldoende info
3. cluster (random) sampling
random selectie van een aantal clusters -> binnen de cluster een random cluster
voordelen: direct heel veel individuen vast + vaste lijsten
kan ook binnen de cluster zelf ook at random werken (-> representativiteit
verhoogd)
nadelen: minder variatie binnen 1 cluster, minder goede schatting
kans op kleine representativiteit
beter groot aantal kleine clusters, dan klein aantal grote clusters (zorgt voor variatie
en dus meer representativiteit, balans tussen de verschillende soorten)
(kan ook een combinatie van 2 en 3 zijn)
4. Quota sampling (niet-random: minder representativiteit)
vrijwilligers (geen random selectie): onrechtstreeks bepaal je toch een bepaalde
proefpersonen (selectie bias)
voordelen: geen populatie lijst nodig
gemakkelijk proefpersonen te bereiken
nadelen: selectiebias = de eerste die zich aanmelden (-> onderschat niet
representatief) (geen externe validiteit: geen veralgemening mogelijk)
5. theoretische steekproeftrekking (vooral kwalitatief)
doelbewust gespecialiseerde/ mensen die kennis over het onderwerp selecteren
voordelen: minimale kost
gemotiveerde proefpersonen
nadelen: selectiebias, niet echt representatief
vrijwilligers
nadelen: zelfselectie, selectie-bias: niet echt representatief
zie verder ppt
H3: beschrijvend onderzoek (observationeel onderzoek: we bestuderen de natuurlijke
situatie)
H4: evidance bases practice
Def= eigen individuele klinische expertise, beste externe bewijsmateriaal, patiënt
-> hoe vind ik nu het beste bewijs/artikel?