Samenvatting psychologie
Inhoud
Inleiding tot de sociale psychologie.............................................................3
Onderzoeksmethoden in de sociale psychologie.........................................5
Ideeën ontwikkelen...................................................................................5
Ideeën verfijnen........................................................................................5
ideeën testen............................................................................................6
Ethiek en waarden....................................................................................8
Conditionering en leren................................................................................9
Klassieke conditionering...........................................................................9
Operante/ instrumentele conditionering.................................................10
observerend of sociaal leren...................................................................11
Het sociale zelf...........................................................................................11
Wat is het sociale zelf?............................................................................11
Narcisme.................................................................................................12
Narcisme in machtsposities....................................................................13
Politieke voorkeuren:...............................................................................13
Zelfschema’s...........................................................................................13
Zelfregulatie............................................................................................14
Ego Depletion..........................................................................................16
Zelfconcept.............................................................................................16
Zelfwaardering........................................................................................17
Zelfpresentatie........................................................................................19
Sociale perceptie (= hoe kijken we nr mensen).........................................20
Observatie – eerste indruk......................................................................20
attributie.................................................................................................21
Integraties...............................................................................................25
confirmatievertekeningen.......................................................................26
Sociale beïnvloeding..................................................................................28
Automatische sociale invloed.................................................................28
Conformiteit............................................................................................29
Inwilligen/ instemmen.............................................................................32
1
, Gehoorzaamheid.....................................................................................34
Anderen helpen..........................................................................................35
waarom helpen we niet?.........................................................................36
In welke omstandigheden helpen we niet?.............................................37
Wie helpt anderen?.................................................................................39
Interpersoonlijke factoren: Wie helpt men?............................................40
Attitudes.....................................................................................................40
Attitudes.................................................................................................40
Overreding door communicatie..............................................................44
Overtuiging door eigen gedrag...............................................................46
Duurzaamheid............................................................................................47
Agressie.....................................................................................................51
Agressie: kernelementen........................................................................51
Casus 1: Media en agressie.....................................................................52
De hoeveelheid bloed in gewelddadige videogames heeft een directe
invloed op de fysiologische opwinding, agressief gedrag en vijandigheid,
waarbij meer bloed leidt tot sterkere reacties........................................54
Casus 2: interfamiliaal/ integraal geweld................................................54
Casus 3: armoede en agressie................................................................56
Groepen.....................................................................................................57
Wat zijn groepen?...................................................................................57
Waarom vormen we groepen?................................................................57
Kenmerken van groepen.........................................................................58
Leiderschap van groepen........................................................................60
Aanwezigheid van andere groepen.........................................................63
Stereotypen, vooroordelen en discriminatie..............................................64
Kernbegrippen.........................................................................................64
Wat draagt hieraan bij?...........................................................................65
Hoe ontstaan deze?................................................................................65
In welke verschijnselen uiten ze zich?....................................................66
Multiculturele samenleving........................................................................68
Diversiteit...............................................................................................68
Interetnisch contact................................................................................69
2
, Problemen met interetnisch contact.......................................................72
Effecten van goedbedoelde maatregelen, media en wetten en regels...75
Politieke wereld..........................................................................................77
Politieke kennis en attitudes...................................................................77
Ideologische attitudes.............................................................................79
Persoonlijkheidsprofielen van politici......................................................81
Terrorisme...............................................................................................83
Inleiding tot de sociale psychologie
psychologie = wetenschappelijke studie van menselijk gedrag en de
interne processen die hieraan ten grondslag liggen
- Methoden uit de exacte wetenschap gebruiken, maar er is een
beperking want mensen zijn niet voorspelbaar
3
, - Systematische methodologie om het gedrag van mensen te
bestuderen: verschillende fasen
1. observatie of beschrijving
2. Stellen van de hypothese
3. Onderzoeksplan
4. Dataverzameling en verwerking
5. Interpretatie en hypothesen voor verder onderzoek
Vaak cyclisch onderzoek
Verschillende soorten gedrag:
- Overt (waarneembaar)
- Covert (atitudes, emoties, opinies…)
Psychologie vs. Sociologie:
Bij sociologie kijken we nr de volledige maatschappij (grootschalig
bevolkingsonderzoek), bij psychologie nr een sociale context
(experimenteel onderzoek bij het individu).
Sociale psychologie = studie naar hoe gedachten, gevoelens, motivaties
en het gedrag van mensen wordt beïnvloed door aanwezigheid van
anderen en hoe we zelf invloed hebben op anderen.
- De feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van
anderen: we maken keuzes rekening houdend met de mening van de
personen die niet aanwezig zijn; gedrag wordt meegestuurd door
onzichtbare instanties (veronderstelde aanwezigheid,
maatschappelijke norm, sociale afkeuring)
- Verkiezingscampagnes: (mensen lachen met uitspraken van
kandidaten, hierdoor meer kans om te overwinnen) – toont aan dat
de manier waarop anderen reageren op iets, een invloed heeft op
onze attitudes
Evolutie van sociale psychologie doorheen de tijd:
Na WOII sociale psychologie gestegen, veel onderzoek gedaan naar hoe
het mogelijk is dat mensen Hitler volgen + beurscrash zorgde voor meer
psychologen
Negatieve maatschappelijke tendensen verklaren
4
,Vanaf 1960: groei en debat:
Veel experimenten, zorgde voor enorme groei van kennis, maar opende
ook debat over de ethische correctheid van de experimenten
Vanaf 1975: methodologisch en inhoudelijk pluralisme
Welke bevolkingsgroepen, welke methodologie, welke thema’s, diversiteit
Onderzoeksmethoden in de sociale
psychologie
Onderzoeksmethoden om een kritische blik te ontwikkelen op
- Persuasieve communicatie
- Verkleurd media-onderzoek
- (nep) wetenschappelijke studies
Onderscheid maken tussen gezond verstand en psychologie als
wetenschap
Blind peer review = onafhankelijke en anonieme onderzoekers die je
onderzoek beoordelen
Verkeerde onderzoeksmethoden kunnen zorgen voor grote problemen
(spinazie)
Cyclisch onderzoek :
Ideeën ontwikkelen: hypothesen ideeën verfijnen, operationaliseren
ideeën testen , onderzoeksplan (en opnieuw)
Ideeën ontwikkelen
- Vertrekken van observatie, praktijkervaring
- Vertrekken uit theorie
- Vertrekken uit wetenschappelijke literatuur
Ideeën verfijnen
Stap 1: operationaliseren van variabelen (= meetbaar maken)
1. Hypothese opstellen
2. Conceptuele variabelen omzetten naar operationele variabelen
5
, a. Conceptuele variabelen = abstracte aspecten (vb. mate van
impulsiviteit)
b. Operationele variabelen = meetbare of manipuleerbare
variabelen (vb. wel of niet opeten van de marshmellow)
“Begripsvaliditeit”: meet de variabele wat het moet meten?
Stap 2: meten van de variabelen
- Zelfrapportering = onderzoeksdeelnemer rapporteert zelf
o Single item schalen: vb. ja/ nee
o meervoudige schalen: vb. op 10
- type variabelen:
o nominale of categoriale variabele: rood, wit, zwart
o ordinaal: klein – gemiddeld – groot
o interval: 1,2,3,4
o ratio: inkomen, lengte
beperkingen van zelfreportageschalen: sociale wenselijkheid
beïnvloed keuzes, inwillingstendens, suggestieve vragen,
herinnerings-vertekening, effect antwoordschaal
- observatie:
o codeerschema en interbeoodelaar-betrouwbaarheid
o uitdaging validiteit: mensen gedragen zich soms anders als ze
weten dat er een beoordeellaar is, beoordelaars worden
minder streng tegen het einde
observatie en zelfrapportering samen gebruiken om het beste
resultaat te hebben
ideeën testen
beschrijvend onderzoek = zoeken naar trends en tendensen
drie vormen van beschrijvend onderzoek:
1. observationeel: systematisch observeren van personen in natuurlijke
situaties
6
, validiteit verhogen: meerdere observatoren, objectieve registratie
(vb. camerabeelden)
2. archiefonderzoek: bestaande verslagen en documenten bestuderen
zinvol voor bestuderen van impact van beleidsmaatregelen
3. opiniepeiling/ enquêtes: vragen over attitudes, meningen,
gedragingen
validiteit afhankelijk van vraagstelling en steekproef
correlationeel onderzoek = zoeken naar verbanden en inzichten bij
continue variabele (= hoe meer het één, hoe meer het ander)
mate van overeenkomst van continue variabelen: correlatiecoëfficiënt
tussen -1 en +1
- 0: geen verband
- -1: negatief verband
- +1: positief verband
Kan alleen met ordinale/ continue variabelen die op een continuüm kunnen
worden gemeten.
Niet met categorische variabelen, hiermee kan je wel een interactie-effect
toepassen: vb. mannen worden minder snel boos dan mannen
Nadelen:
- stelt geen oorzaak-gevolgverband (causaal) vast, wel correlatie
- enkel lineair verband
- longitudinaal correlationeel onderzoek (minstens 2 tijdsmomenten)
experimenteel onderzoek = legt oorzaak-gevolg relaties vast
door controle en volledig toevallige toewijzing elimineert de onderzoeker
de invloed van alle andere variabelen, met uitzondering van de
experimentele manipulatie.
- Controle: enkel de variabelen die gemanipuleerd (waarvan het effect
op andere gemeten moet worden) moeten worden veranderd, de
rest blijft hetzelfde
7
, o In labo-condities: makkelijk om invloed van andere variabelen
uit te schakelen, maar de onnatuurlijke setting kan voor
vertekening zorgen
o In natuurlijke omgeving: minder controle, maar wel
natuurlijkere reacties
- Volledige toevallige toewijzing: mensen worden at random gekozen
“subjectvariabelen”: bestaande verschillen tussen individuen die niet
manipuleerbaar zijn (vb. geslacht), co-variabelen zijn variabelen die je
moet meenemen omdat ze één zijn met de persoon
Interne vs. Externe validiteit
- Interne validiteit = mate waarin we zeker weten dat het effect op de
afhankelijke variabele veroorzaakt wordt door veranderingen in de
onafhankelijke variabele
Uitdagingen:
- Externe validiteit = mate waarin resultaten kunnen veralgemeend
worden in een andere groep op een ander moment (vb. in de
realiteit)
Bedreigingen:
o lage representativiteit van deelnemers: vb.
gelegenheidssteekproeven
o werelds realisme: mate waarin het onderzoek overeenstemt
met de werkelijkheid
o experimenteel realisme (= mate waarin een experiment als de
werkelijkheid wordt ervaren) vaak gebruik gemaakt van
deceptie (= mensen misleiden over de studie)
meta-analyse: resultaten van verschillende onderzoeken combineren via
statistische analyses
doel: tot 1 conclusie komen, verklaren waarom er verschillen zijn in studies
Ethiek en waarden
- voorlegging van het experiment aan institutionele
beoordelingscommissies
- toestemming van deelnemers, na dat ze zijn geïnformeerd
- debriefing: achteraf duidelijkheid over het onderzoek verschaffen
(zeker als er sprake was van deceptie)
8
,Conditionering en leren
Conditionering = manier van leren
Klassieke conditionering
= dingen leren doen of stoppen met doen op basis van gevolgen die je in
het verleden hebt ervaren
Leren over de samenhang tussen gebeurtenissen, zonder eigen controle
(stimulus – respons)
Hond van Pavlov
- ongeconditioneerde respons OR = reflexmatige processen die
automatisch uitgelokt worden door een stimulus. Zonder
voorafgaand leerproces. Worden uitgelokt door een
ongeconditioneerde stimulus (OS)
- geconditioneerde respons (GR) = een respons die aangeleerd is door
een geconditioneerde stimulus (GS) die eerst een neutrale stimulus
was
Verweringsfase: herhaalde combinatie tussen OS en neutrale stimulus
Duur van de fase is afhankelijk van: intensiteit van OS, contiguïteit
(= kort interval tussen neutralen en OS)
Extinctiefase: CR daalt wanneer CS herhaaldelijk zonder de OS
aangeboden wordt
9
, Spontaan herstel: als het voorval al lang niet meer heeft
voorgedaan, zal de GR er nog altijd zijn.
Snel opnieuw conditioneerbaar: als de verwerinsfase na de
extinctiefase terug wordt toegepast zal je het effect sneller krijgen
Interpretaties van klassieke conditionering (kritiek) vanuit de cognitieve
psychologie:
(S-S theorie)
Veronderstellen dat de CS geen associatie maakt met de CR, maar dat de
CS een associatie maakt met de OS.
De CS roept een mentaal beeld op van de OS die dan de OR uitlokt. Dus
CS is een voorspeller van OS.
- Niet meer: stimulus -> respons
- Wel: stimulus -> denken aan de volgende stimulus -> respons
Operante/ instrumentele conditionering
Een gedrag wordt gevolgd door een consequentie, de gedragen
veranderen op basis van de gevolgen die ze hebben gehad in het
verleden. (respons – consequentie)
Thorndike’s wet van effect: responsen die leiden tot gevolgen die
voldoening geven, zullen vaker, sneller en efficiënter uitgevoerd worden
dan responsen die tot onbevredigende gevolgen leiden (puzzelkooi van
kat)
Twee gevolgen van gedragingen
- Bekrachtiging: gevolg waardoor het gedrag meer wordt gesteld
o Positieve bekrachtiging: aangenaam gevolg wordt toegediend
Vb. loon
o Negatieve bekrachtiging: onaangenamen stimulus wordt
weggenomen
Vb. partner die zaagt
o Primaire bekrachtigers: basisbehoeften van de mens en is
hierdoor inherent bekrachtigend
o Secundaire bekrachtigers: ontlenen hun effect aan een
associatie met een primaire bekrachtiger (vb. geld, prestige)
10
Inhoud
Inleiding tot de sociale psychologie.............................................................3
Onderzoeksmethoden in de sociale psychologie.........................................5
Ideeën ontwikkelen...................................................................................5
Ideeën verfijnen........................................................................................5
ideeën testen............................................................................................6
Ethiek en waarden....................................................................................8
Conditionering en leren................................................................................9
Klassieke conditionering...........................................................................9
Operante/ instrumentele conditionering.................................................10
observerend of sociaal leren...................................................................11
Het sociale zelf...........................................................................................11
Wat is het sociale zelf?............................................................................11
Narcisme.................................................................................................12
Narcisme in machtsposities....................................................................13
Politieke voorkeuren:...............................................................................13
Zelfschema’s...........................................................................................13
Zelfregulatie............................................................................................14
Ego Depletion..........................................................................................16
Zelfconcept.............................................................................................16
Zelfwaardering........................................................................................17
Zelfpresentatie........................................................................................19
Sociale perceptie (= hoe kijken we nr mensen).........................................20
Observatie – eerste indruk......................................................................20
attributie.................................................................................................21
Integraties...............................................................................................25
confirmatievertekeningen.......................................................................26
Sociale beïnvloeding..................................................................................28
Automatische sociale invloed.................................................................28
Conformiteit............................................................................................29
Inwilligen/ instemmen.............................................................................32
1
, Gehoorzaamheid.....................................................................................34
Anderen helpen..........................................................................................35
waarom helpen we niet?.........................................................................36
In welke omstandigheden helpen we niet?.............................................37
Wie helpt anderen?.................................................................................39
Interpersoonlijke factoren: Wie helpt men?............................................40
Attitudes.....................................................................................................40
Attitudes.................................................................................................40
Overreding door communicatie..............................................................44
Overtuiging door eigen gedrag...............................................................46
Duurzaamheid............................................................................................47
Agressie.....................................................................................................51
Agressie: kernelementen........................................................................51
Casus 1: Media en agressie.....................................................................52
De hoeveelheid bloed in gewelddadige videogames heeft een directe
invloed op de fysiologische opwinding, agressief gedrag en vijandigheid,
waarbij meer bloed leidt tot sterkere reacties........................................54
Casus 2: interfamiliaal/ integraal geweld................................................54
Casus 3: armoede en agressie................................................................56
Groepen.....................................................................................................57
Wat zijn groepen?...................................................................................57
Waarom vormen we groepen?................................................................57
Kenmerken van groepen.........................................................................58
Leiderschap van groepen........................................................................60
Aanwezigheid van andere groepen.........................................................63
Stereotypen, vooroordelen en discriminatie..............................................64
Kernbegrippen.........................................................................................64
Wat draagt hieraan bij?...........................................................................65
Hoe ontstaan deze?................................................................................65
In welke verschijnselen uiten ze zich?....................................................66
Multiculturele samenleving........................................................................68
Diversiteit...............................................................................................68
Interetnisch contact................................................................................69
2
, Problemen met interetnisch contact.......................................................72
Effecten van goedbedoelde maatregelen, media en wetten en regels...75
Politieke wereld..........................................................................................77
Politieke kennis en attitudes...................................................................77
Ideologische attitudes.............................................................................79
Persoonlijkheidsprofielen van politici......................................................81
Terrorisme...............................................................................................83
Inleiding tot de sociale psychologie
psychologie = wetenschappelijke studie van menselijk gedrag en de
interne processen die hieraan ten grondslag liggen
- Methoden uit de exacte wetenschap gebruiken, maar er is een
beperking want mensen zijn niet voorspelbaar
3
, - Systematische methodologie om het gedrag van mensen te
bestuderen: verschillende fasen
1. observatie of beschrijving
2. Stellen van de hypothese
3. Onderzoeksplan
4. Dataverzameling en verwerking
5. Interpretatie en hypothesen voor verder onderzoek
Vaak cyclisch onderzoek
Verschillende soorten gedrag:
- Overt (waarneembaar)
- Covert (atitudes, emoties, opinies…)
Psychologie vs. Sociologie:
Bij sociologie kijken we nr de volledige maatschappij (grootschalig
bevolkingsonderzoek), bij psychologie nr een sociale context
(experimenteel onderzoek bij het individu).
Sociale psychologie = studie naar hoe gedachten, gevoelens, motivaties
en het gedrag van mensen wordt beïnvloed door aanwezigheid van
anderen en hoe we zelf invloed hebben op anderen.
- De feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van
anderen: we maken keuzes rekening houdend met de mening van de
personen die niet aanwezig zijn; gedrag wordt meegestuurd door
onzichtbare instanties (veronderstelde aanwezigheid,
maatschappelijke norm, sociale afkeuring)
- Verkiezingscampagnes: (mensen lachen met uitspraken van
kandidaten, hierdoor meer kans om te overwinnen) – toont aan dat
de manier waarop anderen reageren op iets, een invloed heeft op
onze attitudes
Evolutie van sociale psychologie doorheen de tijd:
Na WOII sociale psychologie gestegen, veel onderzoek gedaan naar hoe
het mogelijk is dat mensen Hitler volgen + beurscrash zorgde voor meer
psychologen
Negatieve maatschappelijke tendensen verklaren
4
,Vanaf 1960: groei en debat:
Veel experimenten, zorgde voor enorme groei van kennis, maar opende
ook debat over de ethische correctheid van de experimenten
Vanaf 1975: methodologisch en inhoudelijk pluralisme
Welke bevolkingsgroepen, welke methodologie, welke thema’s, diversiteit
Onderzoeksmethoden in de sociale
psychologie
Onderzoeksmethoden om een kritische blik te ontwikkelen op
- Persuasieve communicatie
- Verkleurd media-onderzoek
- (nep) wetenschappelijke studies
Onderscheid maken tussen gezond verstand en psychologie als
wetenschap
Blind peer review = onafhankelijke en anonieme onderzoekers die je
onderzoek beoordelen
Verkeerde onderzoeksmethoden kunnen zorgen voor grote problemen
(spinazie)
Cyclisch onderzoek :
Ideeën ontwikkelen: hypothesen ideeën verfijnen, operationaliseren
ideeën testen , onderzoeksplan (en opnieuw)
Ideeën ontwikkelen
- Vertrekken van observatie, praktijkervaring
- Vertrekken uit theorie
- Vertrekken uit wetenschappelijke literatuur
Ideeën verfijnen
Stap 1: operationaliseren van variabelen (= meetbaar maken)
1. Hypothese opstellen
2. Conceptuele variabelen omzetten naar operationele variabelen
5
, a. Conceptuele variabelen = abstracte aspecten (vb. mate van
impulsiviteit)
b. Operationele variabelen = meetbare of manipuleerbare
variabelen (vb. wel of niet opeten van de marshmellow)
“Begripsvaliditeit”: meet de variabele wat het moet meten?
Stap 2: meten van de variabelen
- Zelfrapportering = onderzoeksdeelnemer rapporteert zelf
o Single item schalen: vb. ja/ nee
o meervoudige schalen: vb. op 10
- type variabelen:
o nominale of categoriale variabele: rood, wit, zwart
o ordinaal: klein – gemiddeld – groot
o interval: 1,2,3,4
o ratio: inkomen, lengte
beperkingen van zelfreportageschalen: sociale wenselijkheid
beïnvloed keuzes, inwillingstendens, suggestieve vragen,
herinnerings-vertekening, effect antwoordschaal
- observatie:
o codeerschema en interbeoodelaar-betrouwbaarheid
o uitdaging validiteit: mensen gedragen zich soms anders als ze
weten dat er een beoordeellaar is, beoordelaars worden
minder streng tegen het einde
observatie en zelfrapportering samen gebruiken om het beste
resultaat te hebben
ideeën testen
beschrijvend onderzoek = zoeken naar trends en tendensen
drie vormen van beschrijvend onderzoek:
1. observationeel: systematisch observeren van personen in natuurlijke
situaties
6
, validiteit verhogen: meerdere observatoren, objectieve registratie
(vb. camerabeelden)
2. archiefonderzoek: bestaande verslagen en documenten bestuderen
zinvol voor bestuderen van impact van beleidsmaatregelen
3. opiniepeiling/ enquêtes: vragen over attitudes, meningen,
gedragingen
validiteit afhankelijk van vraagstelling en steekproef
correlationeel onderzoek = zoeken naar verbanden en inzichten bij
continue variabele (= hoe meer het één, hoe meer het ander)
mate van overeenkomst van continue variabelen: correlatiecoëfficiënt
tussen -1 en +1
- 0: geen verband
- -1: negatief verband
- +1: positief verband
Kan alleen met ordinale/ continue variabelen die op een continuüm kunnen
worden gemeten.
Niet met categorische variabelen, hiermee kan je wel een interactie-effect
toepassen: vb. mannen worden minder snel boos dan mannen
Nadelen:
- stelt geen oorzaak-gevolgverband (causaal) vast, wel correlatie
- enkel lineair verband
- longitudinaal correlationeel onderzoek (minstens 2 tijdsmomenten)
experimenteel onderzoek = legt oorzaak-gevolg relaties vast
door controle en volledig toevallige toewijzing elimineert de onderzoeker
de invloed van alle andere variabelen, met uitzondering van de
experimentele manipulatie.
- Controle: enkel de variabelen die gemanipuleerd (waarvan het effect
op andere gemeten moet worden) moeten worden veranderd, de
rest blijft hetzelfde
7
, o In labo-condities: makkelijk om invloed van andere variabelen
uit te schakelen, maar de onnatuurlijke setting kan voor
vertekening zorgen
o In natuurlijke omgeving: minder controle, maar wel
natuurlijkere reacties
- Volledige toevallige toewijzing: mensen worden at random gekozen
“subjectvariabelen”: bestaande verschillen tussen individuen die niet
manipuleerbaar zijn (vb. geslacht), co-variabelen zijn variabelen die je
moet meenemen omdat ze één zijn met de persoon
Interne vs. Externe validiteit
- Interne validiteit = mate waarin we zeker weten dat het effect op de
afhankelijke variabele veroorzaakt wordt door veranderingen in de
onafhankelijke variabele
Uitdagingen:
- Externe validiteit = mate waarin resultaten kunnen veralgemeend
worden in een andere groep op een ander moment (vb. in de
realiteit)
Bedreigingen:
o lage representativiteit van deelnemers: vb.
gelegenheidssteekproeven
o werelds realisme: mate waarin het onderzoek overeenstemt
met de werkelijkheid
o experimenteel realisme (= mate waarin een experiment als de
werkelijkheid wordt ervaren) vaak gebruik gemaakt van
deceptie (= mensen misleiden over de studie)
meta-analyse: resultaten van verschillende onderzoeken combineren via
statistische analyses
doel: tot 1 conclusie komen, verklaren waarom er verschillen zijn in studies
Ethiek en waarden
- voorlegging van het experiment aan institutionele
beoordelingscommissies
- toestemming van deelnemers, na dat ze zijn geïnformeerd
- debriefing: achteraf duidelijkheid over het onderzoek verschaffen
(zeker als er sprake was van deceptie)
8
,Conditionering en leren
Conditionering = manier van leren
Klassieke conditionering
= dingen leren doen of stoppen met doen op basis van gevolgen die je in
het verleden hebt ervaren
Leren over de samenhang tussen gebeurtenissen, zonder eigen controle
(stimulus – respons)
Hond van Pavlov
- ongeconditioneerde respons OR = reflexmatige processen die
automatisch uitgelokt worden door een stimulus. Zonder
voorafgaand leerproces. Worden uitgelokt door een
ongeconditioneerde stimulus (OS)
- geconditioneerde respons (GR) = een respons die aangeleerd is door
een geconditioneerde stimulus (GS) die eerst een neutrale stimulus
was
Verweringsfase: herhaalde combinatie tussen OS en neutrale stimulus
Duur van de fase is afhankelijk van: intensiteit van OS, contiguïteit
(= kort interval tussen neutralen en OS)
Extinctiefase: CR daalt wanneer CS herhaaldelijk zonder de OS
aangeboden wordt
9
, Spontaan herstel: als het voorval al lang niet meer heeft
voorgedaan, zal de GR er nog altijd zijn.
Snel opnieuw conditioneerbaar: als de verwerinsfase na de
extinctiefase terug wordt toegepast zal je het effect sneller krijgen
Interpretaties van klassieke conditionering (kritiek) vanuit de cognitieve
psychologie:
(S-S theorie)
Veronderstellen dat de CS geen associatie maakt met de CR, maar dat de
CS een associatie maakt met de OS.
De CS roept een mentaal beeld op van de OS die dan de OR uitlokt. Dus
CS is een voorspeller van OS.
- Niet meer: stimulus -> respons
- Wel: stimulus -> denken aan de volgende stimulus -> respons
Operante/ instrumentele conditionering
Een gedrag wordt gevolgd door een consequentie, de gedragen
veranderen op basis van de gevolgen die ze hebben gehad in het
verleden. (respons – consequentie)
Thorndike’s wet van effect: responsen die leiden tot gevolgen die
voldoening geven, zullen vaker, sneller en efficiënter uitgevoerd worden
dan responsen die tot onbevredigende gevolgen leiden (puzzelkooi van
kat)
Twee gevolgen van gedragingen
- Bekrachtiging: gevolg waardoor het gedrag meer wordt gesteld
o Positieve bekrachtiging: aangenaam gevolg wordt toegediend
Vb. loon
o Negatieve bekrachtiging: onaangenamen stimulus wordt
weggenomen
Vb. partner die zaagt
o Primaire bekrachtigers: basisbehoeften van de mens en is
hierdoor inherent bekrachtigend
o Secundaire bekrachtigers: ontlenen hun effect aan een
associatie met een primaire bekrachtiger (vb. geld, prestige)
10