Algemene biologie en
weefselleer
5. Spierweefsel
Spiercellen bevatten contractiele eiwitten => voor beweging binnenin de
cellen, beweging van het lichaam
Morfologisch en functioneel zijn er 3 types:
Skeletspier:
- Cellen in bundels: lang, cilindrisch
- Meerkernig, kern tegen membraan
- Dwars streping
- Contractie: snel, krachtig, wilsafhankelijk => gaat tegelijk
samentrekken
Hartspierweefsel:
- Lange, vertakte individuele cellen
- Celkern in het midden
- Parallelle cellen met intercalaire schijven (zorgen voor
communiceren tussen verschillende hartspiercellen en hechten
ene hartspiercel aan de andere dmv desmosomen)
- Dwarsstreping
- Contractie: ritmisch, krachtig, autonoom => gaat elk op zijn toer
samentrekken voor pompfunctie (door intercalaire schijven)
Gladde spiercellen:
- Spoelvormige cellen
- Kern in het midden
- Geen dwarsstreping -> want minder actine en myosine
- Contractie: traag, niet-wilsafhankelijk
, Begrippen:
- Cytoplasma = sarcoplasma
- Celmembraan = sarcolemma
- SER = sacroplasmatisch reticulum (heeft een belangrijke functie
bij polariseren/verdelen van calcium over sarcomeer)
5.1 Skeletspier
Bestaat uit spiervezels
- Vezels vormen lange bundels
- Meerkernige cellen (syncytium)
Ovale nuclei
Net onder het sarcolemma (in tegenstelling tot hart en
gladspierweefsel)
Organisatie van de skeletspier
Epimysium: straf bindweefsel rond de spier
Perimysium: septa of tussenschotten van bindweefsel (rond
vezelbundels, bloedvezels (capillairen)
Endomysium: laag bindweefsel rond spiercellen (lamina basalis en
reticulaire vezels)
Functie: van bindweefsel: overbrengen van krachten gegenereerd
in de spieren
- Collagenen in plooien van het plasmalemma van de spiervezels
(in deze plooien komen de collagene vezels van de pezen)
Bloedvaten: in de septa van het perimysium -> rijk capillair netwerk =
netwerk van bloedvaatjes want er moeten voedingstoffen, aangevoerd
worden en CO2 afgevoerd
weefselleer
5. Spierweefsel
Spiercellen bevatten contractiele eiwitten => voor beweging binnenin de
cellen, beweging van het lichaam
Morfologisch en functioneel zijn er 3 types:
Skeletspier:
- Cellen in bundels: lang, cilindrisch
- Meerkernig, kern tegen membraan
- Dwars streping
- Contractie: snel, krachtig, wilsafhankelijk => gaat tegelijk
samentrekken
Hartspierweefsel:
- Lange, vertakte individuele cellen
- Celkern in het midden
- Parallelle cellen met intercalaire schijven (zorgen voor
communiceren tussen verschillende hartspiercellen en hechten
ene hartspiercel aan de andere dmv desmosomen)
- Dwarsstreping
- Contractie: ritmisch, krachtig, autonoom => gaat elk op zijn toer
samentrekken voor pompfunctie (door intercalaire schijven)
Gladde spiercellen:
- Spoelvormige cellen
- Kern in het midden
- Geen dwarsstreping -> want minder actine en myosine
- Contractie: traag, niet-wilsafhankelijk
, Begrippen:
- Cytoplasma = sarcoplasma
- Celmembraan = sarcolemma
- SER = sacroplasmatisch reticulum (heeft een belangrijke functie
bij polariseren/verdelen van calcium over sarcomeer)
5.1 Skeletspier
Bestaat uit spiervezels
- Vezels vormen lange bundels
- Meerkernige cellen (syncytium)
Ovale nuclei
Net onder het sarcolemma (in tegenstelling tot hart en
gladspierweefsel)
Organisatie van de skeletspier
Epimysium: straf bindweefsel rond de spier
Perimysium: septa of tussenschotten van bindweefsel (rond
vezelbundels, bloedvezels (capillairen)
Endomysium: laag bindweefsel rond spiercellen (lamina basalis en
reticulaire vezels)
Functie: van bindweefsel: overbrengen van krachten gegenereerd
in de spieren
- Collagenen in plooien van het plasmalemma van de spiervezels
(in deze plooien komen de collagene vezels van de pezen)
Bloedvaten: in de septa van het perimysium -> rijk capillair netwerk =
netwerk van bloedvaatjes want er moeten voedingstoffen, aangevoerd
worden en CO2 afgevoerd