1. Thermisch comfort: invloedsfactoren
Invloedsfactoren voor comfort waarop we als ontwerper geen invloed op hebben, zijn de
verschillen bij de gebruikers: - kleding (vb. in kantoor: vrouw in rokje >< man in kostuum)
- activiteit
- leeftijd (vb. school >< rusthuizen)
- geslacht (vrouwen hebben iets sneller warm dan mannen)
- karakter
-…
Invloedsfactoren voor comfort waarop we als ontwerper wel kunnen ingrijpen, zijn de
verschillen in omgeving: - luchtsnelheid (vb. wind voelt koeler aan)
- stralingstemperatuur (vb. zonwering)
- luchtvochtigheid (vb. ventilatie)
2. Invloed van kleding: CLO-index
Wat? Staat eigenlijk voor de gemiddelde isolatiewaarde van onze kleding per m²
lichaamsoppervlak. Hoe hoger het cijfer, hoe meer kledingslagen men draagt.
Formule: 1 CLO = 0,155 m²K/W
3. Metabolisme: activiteiten van ons lichaam en energie die ervoor nodig is
Onze eigen energieproductie van ons lichaam is afhankelijk van het soort activiteit dat we
uitoefenen. Bij elk van deze
activiteiten geven we
(warmte)energie af om ons bloed op
± 37°C te houden.
We kunnen meer energie afgeven,
naarmate het temperatuurverschil
Metabolisme: Activiteit
tussen ons lichaam en de
omgevingslucht groter is. Een
intensievere activiteit doen we liever
bij een lagere temperatuur.
In de tabel zie je bij welke CLO-index
(x-as) in combinatie met welke
activiteit men uitvoert (y-as), een comforttemperatuur bekomt die aangenaam is voor die CLO-index
situatie.
4. Gauss(-curve)
Het was Carl Friedrich Gauss die vast stelde dat zeer veel verschijnselen zich zogenaamd
‘normaal’ gedragen, dat ze in een symmetrische gausscurve kunnen samengevat worden. Het
merendeel van de mensen zal een bepaalde comfortsituatie gemiddeld als aangenaam
ervaren, terwijl er altijd een paar zijn die hiermee niet akkoord gaan. Het is onmogelijk om
100% van de mensen tevreden te stellen.
Vb. in het midden zijn een grote groep
mensen tevreden met te temperatuur in het
lokaal, maar er zijn altijd uitzonderingen:
links bevinden zich de mensen die te koud
hebben en rechts bevinden zich de mensen
1
, die te warm hebben. Je kan nooit iedereen tevreden stellen, er is altijd 5% dat lastig
doet.
5. Luchtsnelheid
Wanneer lucht ons lichaam passeert, neemt deze altijdLuchttemperatuur
dat dunne isolatielaagje stilstaande lucht rond ons
lichaam mee.
~overgangscoëfficiënt Ri en Re (= warmtestroom door
wand)
De grafiek geeft bij een bepaalde lichaamstemperatuur Gevoelstemperatuur
(y-as) en een bepaalde luchtsnelheid (schuine lijn) aan
met welke gevoelstemperatuur dit overeenstemt. Bij
Luchtsnelheid
37°C maakt het niet uit of er wel of geen wind is, de
lucht neemt onze isolatielaag weg maar vervangt ze met
lucht op lichaamstemperatuur.
6. Theorie van Fanger
Het was P. Ole Fanger die ging
voorspellen welke temperatuur
mensen in een bepaalde situatie
comfortabel zouden vinden. Hierbij
is de kledingsweerstand, lichaams-
PPD: predicted percentage of dissatisfied
temperatuur, ruimtetemperatuur,
het metabolisme in evenwicht. De
waarde die hij uitkwam was de
‘voorspelde gemiddelde voorkeur’ =
‘predicted mean vote’ PMV.
Theorie werkt enkel bij volgende
condities: ΔPMV: predicted mean vote
- RV tussen 30% - 70%
- Luchtsnelheid max. 0,35 m/s
- Na een verblijf in de ruimte van ± 1u
Op basis hiervan zijn er dan
curves ontworpen voor alle
mogelijke situaties waarmee
een ontwerper aan de slag
kan. =>
Minder ontevredenen = hoog
energieverbruik!
7. Luchtcomfort
Luchtcomfort omvat de kwaliteit van de lucht. De lucht die toegevoerd wordt in de lokalen
waar persoenen te werk zijn gesteld mag max. 800 ppm CO2 bevatten. Ventileren is
noodzakelijk om het overleven van de gebruikers van een gebouw + de CO 2-eis te garanderen
(omdat wij zelf 0,04% CO2 inademen en 4,00% CO2 uitademen).
Ventilatie ontwerpdebiet (3,6 m³/u/m²):
- Plaatsen waar men tewerk is gesteld: min. 30 m³/u verse lucht per persoon
2