Examenvragen Plantkunde:
1. Besreek het aspect van dubbele bevruchting
A. Gynoecium ontwikkeld macrospore die een embryozak (de vrouwelijke gemetofyt)
ontwikkeld. De embryo zak heeft een eicel & 2 synergieden, 2 poolkernen en 3 antipoden.
B. Androecium ontwikkeld microspore => 2- 3 cellige pollenkorrel (mannelijke gametofyt)
met generatieve kern en pollenbuis kern => bij bevruchting groeit de vegetatieve cel een
pollenbuis met daarin 2 spermacellen
C. DUBBELE BEVRUCHTING:
1 eicel + 1 spermawel => zygote => embryo
2 poolkernen + 1 spermacel => triploïde kern => secundair endosperm =
triplosperm
Integrumenten vormen de zaadhuid
Nucellusweefsel vormt eventueel perisperm
- bij angiospermen (bedektzadigen / bloemplanten)
- Is een uniek aspect:
Reserve voedsel wordt aangelegd voor embryo met als voordeel dat er enkel geïnvesteerd
word in het opslaan van resevestoffen er bevruchting heeft plaatsgevonden
(triplosperm = reserveweefsel)
2. Diatomeën volledig uitleggen (voortplanten, voorkomen, morfologie, gebruik,nut..)
3. Stekels VS doorns (en van wortel, blad , stengel,..)
- Worteldoorn: doorn op wortels, ter bescherming
- Bladdoorn: doorn bij okselknop, bv. Zuurbes
- Stipulaire doorn: stipulen die verhouten en scherp worden
- Doorn:
omgevormde takken / bladeren
orgaan met bepaalde posities op de plant
bv. Duindoorn
- Stekel:
Uitgroeisels van de epidermis
Willekeurig verspreid
Afdrukbaar
Bv. Roos
4. Kastanje VS de tamme kastanje
- Vrucht = Het geen wat na bevruchting uitgroeit uit het vruchtbeginsel
Draagt de zaden
Beschermen, helpen overleven, helpen verspreiden van zaden als f(x)
- Zaad = hetgeen wat na bevruchting uitgroeit uit ovulum (zaadknop)
- Zie voor verschil de afbeelding
5. Levencyclus van oomcyta, purperwier, ectocarpales, charales, marsileales, polypodiales, varenpalm
, 6. Bespreek de nieuw verworven kenmerken van de angiospermen waardoor deze nu nog steeds zo
talrijk aanwezig zijn.
- Angiospermie
De vruchtbladeren / carpellen sluiten en er wordt een vrucht gevormd die de
zaden beschermen, de carpellen ontwikkelen zich tot stijlen en stempels
- Dubbele bevruchting
Verder reductie van de gametofyten:
- Mannelijke gametofyt: pollenkorrel (2-3celllig) met vegetatieve cel & twee
spermacellen
- Vrouwelijke gametofyt: Zaadknop zonder macroprothallium, archogonia..
( embryozak met 8 cellen, waarvan slecht 1 een eicel wordt)
Dubbele bevruchting:
- Eicel + spermacel => zygote => embryo
- Poolkernen + spermacel => triploïde kern => triplosperm
- Co-evolutie met dieren
De bestuiving gebeurd vaak met medewerking van dieren
Tweeslachtige bloemen
Geuren als lokmiddel
Gekleurde bladeren
Voedselaanbod (vrucht bv)
- Verhoogde differentiatie van weefsels
Xyleem: tracheiden & tracheeën
Floeëm: zeefvaten & zustercellen
- Veelvormigheid van diasporen:
Sexuele diasporen
- Zaden, vruchten, sporen,..
Aseksuele diasporen
- Vegetatieve vermenigvuldiging
- Agamospermie (ontstaan van zaden zonder bevruchting)
7. Geef twee voorbeelden van karyogamie en bespreek
- Geslachtelijke of seksuele voortplanting in “2 stappen”:
1. Plasmogamie: het versmelten van cytoplasma
2. Karyogamie: het versmelten van de kernen (van gameten)
Gametogamie (= planogamie) : versmelten van beweeglijke gamenten
- Isogamie: m gameet = v gameet
- Anisogamie: m gameet << v gameet (bewegen wel beiden)
- Oögamie: m gameet (zaadcel) << v gameet (eicel) (v gameet beweegt niet!)
Kystogamie (= gametangiogamie) : gameten komen niet meer vrij => gametokysten
groeien naar elkaar toe
- Indien er geen verschil is tss spermatokysten & gametokysten: Zygogamie
1. Besreek het aspect van dubbele bevruchting
A. Gynoecium ontwikkeld macrospore die een embryozak (de vrouwelijke gemetofyt)
ontwikkeld. De embryo zak heeft een eicel & 2 synergieden, 2 poolkernen en 3 antipoden.
B. Androecium ontwikkeld microspore => 2- 3 cellige pollenkorrel (mannelijke gametofyt)
met generatieve kern en pollenbuis kern => bij bevruchting groeit de vegetatieve cel een
pollenbuis met daarin 2 spermacellen
C. DUBBELE BEVRUCHTING:
1 eicel + 1 spermawel => zygote => embryo
2 poolkernen + 1 spermacel => triploïde kern => secundair endosperm =
triplosperm
Integrumenten vormen de zaadhuid
Nucellusweefsel vormt eventueel perisperm
- bij angiospermen (bedektzadigen / bloemplanten)
- Is een uniek aspect:
Reserve voedsel wordt aangelegd voor embryo met als voordeel dat er enkel geïnvesteerd
word in het opslaan van resevestoffen er bevruchting heeft plaatsgevonden
(triplosperm = reserveweefsel)
2. Diatomeën volledig uitleggen (voortplanten, voorkomen, morfologie, gebruik,nut..)
3. Stekels VS doorns (en van wortel, blad , stengel,..)
- Worteldoorn: doorn op wortels, ter bescherming
- Bladdoorn: doorn bij okselknop, bv. Zuurbes
- Stipulaire doorn: stipulen die verhouten en scherp worden
- Doorn:
omgevormde takken / bladeren
orgaan met bepaalde posities op de plant
bv. Duindoorn
- Stekel:
Uitgroeisels van de epidermis
Willekeurig verspreid
Afdrukbaar
Bv. Roos
4. Kastanje VS de tamme kastanje
- Vrucht = Het geen wat na bevruchting uitgroeit uit het vruchtbeginsel
Draagt de zaden
Beschermen, helpen overleven, helpen verspreiden van zaden als f(x)
- Zaad = hetgeen wat na bevruchting uitgroeit uit ovulum (zaadknop)
- Zie voor verschil de afbeelding
5. Levencyclus van oomcyta, purperwier, ectocarpales, charales, marsileales, polypodiales, varenpalm
, 6. Bespreek de nieuw verworven kenmerken van de angiospermen waardoor deze nu nog steeds zo
talrijk aanwezig zijn.
- Angiospermie
De vruchtbladeren / carpellen sluiten en er wordt een vrucht gevormd die de
zaden beschermen, de carpellen ontwikkelen zich tot stijlen en stempels
- Dubbele bevruchting
Verder reductie van de gametofyten:
- Mannelijke gametofyt: pollenkorrel (2-3celllig) met vegetatieve cel & twee
spermacellen
- Vrouwelijke gametofyt: Zaadknop zonder macroprothallium, archogonia..
( embryozak met 8 cellen, waarvan slecht 1 een eicel wordt)
Dubbele bevruchting:
- Eicel + spermacel => zygote => embryo
- Poolkernen + spermacel => triploïde kern => triplosperm
- Co-evolutie met dieren
De bestuiving gebeurd vaak met medewerking van dieren
Tweeslachtige bloemen
Geuren als lokmiddel
Gekleurde bladeren
Voedselaanbod (vrucht bv)
- Verhoogde differentiatie van weefsels
Xyleem: tracheiden & tracheeën
Floeëm: zeefvaten & zustercellen
- Veelvormigheid van diasporen:
Sexuele diasporen
- Zaden, vruchten, sporen,..
Aseksuele diasporen
- Vegetatieve vermenigvuldiging
- Agamospermie (ontstaan van zaden zonder bevruchting)
7. Geef twee voorbeelden van karyogamie en bespreek
- Geslachtelijke of seksuele voortplanting in “2 stappen”:
1. Plasmogamie: het versmelten van cytoplasma
2. Karyogamie: het versmelten van de kernen (van gameten)
Gametogamie (= planogamie) : versmelten van beweeglijke gamenten
- Isogamie: m gameet = v gameet
- Anisogamie: m gameet << v gameet (bewegen wel beiden)
- Oögamie: m gameet (zaadcel) << v gameet (eicel) (v gameet beweegt niet!)
Kystogamie (= gametangiogamie) : gameten komen niet meer vrij => gametokysten
groeien naar elkaar toe
- Indien er geen verschil is tss spermatokysten & gametokysten: Zygogamie