Algemene muziekgeschiedenis (2019)
DEEL I: De componenten van muziek
1. Eenvoudige componenten of parameters (en hun notatiewijze)
= objectieve klankeigenschappen die iedere individuele toon karakteristieken ongeacht de context
waarin deze toon zich bevindt. Iedere toon heeft een bepaalde toonhoogte, duur, sterkte, kleur.
1.1 Toonhoogte
Iedere toon heeft een bepaalde toonhoogte:
Uitgedrukt in trillingen per seconde (hertz, Hz) (440 Hz = standaard)
Tonen met hogere frequentie = klinken hoger
Tonen met een lagere frequentie = klinken lager
Bij halvering of verdubbeling van de frequentie = krijg je dezelfde toon in octaaf
o Octaaf kan verder onderverdeel worden in toontrappen (Westers = 8 toontrappen,
vandaar octaaf) (toonladder = opeenvolging van verschillende toontrappen binnen
een octaaf.
o Toonladder van do = do, re, mi, fa, sol, la, si en do (do = grondnoot)
1.2 Toonduur
Iedere toon heeft een bepaalde
lengte of duur in een relatief systeem
van ritmische waarden:
Noten met 'stok' zijn korter dan
zonder stok; noten met een zwarte
'kop' zijn korter dan noten met een
witte kop; en noten zijn korter
naarmate ze meer 'vlaggetjes'
hebben. Binnen een en hetzelfde
referentiekader betekent dit dat de
muziek sneller verloopt naarmate ze
zwarter oogt.
, 1.3 Klanksterkte
Iedere noot heeft een bepaalde sterkte. Wordt uitgegaan van de tegenstelling tussen luid en zacht:
Zacht = piano (p)
Luid = forte (f)
Half = mezzo (de neutrale dynamiek, het gewone volume)
Dynamische spectrum kan in 2 richtingen uitbreiden:
o Langs zachte kant (pianissimo) (zeer zacht – pp) (ppp, pppp, ….)
o Langs luide kant (fortissimo) (zeer luid – ff) (fff, ffff, …)
1.4 Klankkleur
Iedere klank heeft een bepaalde klankkleur. Hangt af van klankbron.
Als instrument toon voortbrengt, produceert dit instrument niet alleen de grondtoon maar
ook een reeks boventonen die met deze toon meeklinken. Zijn zowel harmonische (tonen
warvan de frequentie een veelvoud is van de grondtoon) als delen (veelvoud niet geval)
Verder produceert ieder instrument ook resonanties (afhankelijk van structuur instrument)
dat een impact heeft op klankkleur (manier van bespelen ook)
Klankkleuren verschillen van instument tot instrument, indeling instrumenten obv klankbron:
Aërofonen (trillende luchtzuil) (hoorn, hobo, orgel, stem)
Chordofonen (trillende snaren) (viool, gitaar, piano)
Idiofonen (klinken van klankrijk materiaal) (slaginstrumenten zoals xylofoon)
Membranofonen (trillen van vlies) (pauken)
Elektrofonen (elektronisch) (synthesizer)
Indeling instrumenten obv bespeelwijze:
De strijkinstrumenten
De blaasinstrumenten (verdeeld in koper- en houtblaasinstrumenten)
De toetsinstrumenten
De tokkelinstrumenten
De slaginstrumenten.
2. Complexe parameters
= parameters die voortkomen uit de combinatie van meerdere muzikale componenten.
DEEL I: De componenten van muziek
1. Eenvoudige componenten of parameters (en hun notatiewijze)
= objectieve klankeigenschappen die iedere individuele toon karakteristieken ongeacht de context
waarin deze toon zich bevindt. Iedere toon heeft een bepaalde toonhoogte, duur, sterkte, kleur.
1.1 Toonhoogte
Iedere toon heeft een bepaalde toonhoogte:
Uitgedrukt in trillingen per seconde (hertz, Hz) (440 Hz = standaard)
Tonen met hogere frequentie = klinken hoger
Tonen met een lagere frequentie = klinken lager
Bij halvering of verdubbeling van de frequentie = krijg je dezelfde toon in octaaf
o Octaaf kan verder onderverdeel worden in toontrappen (Westers = 8 toontrappen,
vandaar octaaf) (toonladder = opeenvolging van verschillende toontrappen binnen
een octaaf.
o Toonladder van do = do, re, mi, fa, sol, la, si en do (do = grondnoot)
1.2 Toonduur
Iedere toon heeft een bepaalde
lengte of duur in een relatief systeem
van ritmische waarden:
Noten met 'stok' zijn korter dan
zonder stok; noten met een zwarte
'kop' zijn korter dan noten met een
witte kop; en noten zijn korter
naarmate ze meer 'vlaggetjes'
hebben. Binnen een en hetzelfde
referentiekader betekent dit dat de
muziek sneller verloopt naarmate ze
zwarter oogt.
, 1.3 Klanksterkte
Iedere noot heeft een bepaalde sterkte. Wordt uitgegaan van de tegenstelling tussen luid en zacht:
Zacht = piano (p)
Luid = forte (f)
Half = mezzo (de neutrale dynamiek, het gewone volume)
Dynamische spectrum kan in 2 richtingen uitbreiden:
o Langs zachte kant (pianissimo) (zeer zacht – pp) (ppp, pppp, ….)
o Langs luide kant (fortissimo) (zeer luid – ff) (fff, ffff, …)
1.4 Klankkleur
Iedere klank heeft een bepaalde klankkleur. Hangt af van klankbron.
Als instrument toon voortbrengt, produceert dit instrument niet alleen de grondtoon maar
ook een reeks boventonen die met deze toon meeklinken. Zijn zowel harmonische (tonen
warvan de frequentie een veelvoud is van de grondtoon) als delen (veelvoud niet geval)
Verder produceert ieder instrument ook resonanties (afhankelijk van structuur instrument)
dat een impact heeft op klankkleur (manier van bespelen ook)
Klankkleuren verschillen van instument tot instrument, indeling instrumenten obv klankbron:
Aërofonen (trillende luchtzuil) (hoorn, hobo, orgel, stem)
Chordofonen (trillende snaren) (viool, gitaar, piano)
Idiofonen (klinken van klankrijk materiaal) (slaginstrumenten zoals xylofoon)
Membranofonen (trillen van vlies) (pauken)
Elektrofonen (elektronisch) (synthesizer)
Indeling instrumenten obv bespeelwijze:
De strijkinstrumenten
De blaasinstrumenten (verdeeld in koper- en houtblaasinstrumenten)
De toetsinstrumenten
De tokkelinstrumenten
De slaginstrumenten.
2. Complexe parameters
= parameters die voortkomen uit de combinatie van meerdere muzikale componenten.