RNA TYPES
EIWITCODEREND
• Promotor, expressed en intervening regions
• Bepaalde genen hebben alleen exons
1. mRNA • Altijd eerst procursor-RNA
=messenger => matuur als introns eruit
• Intergenische gebieden = stukken tussen genen
NIET CODEREND RNA
A. RECHTSTREEKS BETROKKEN (BIJ TRANSLATIE)
• In nucleolus, verdwijnt tijdens celdeling
• 2 genen: 45S en 5S => eukaryoten
2. rRNA • Beide meer dan 100 kopijen in clusters
=ribosomaal • Bouw:
o Promotor, bruin = exons
o Internal & external transcriptase sequence
• Cytoplasmatisch tRNA: 50 types
o TR – code aminozuur – anticodon
o TRG-CCC, TRG-GCC
3. tRNA • Mitochondriale tRNA: 22 types
=transfer • Nucleaire tRNA = pseudogenen
• Meeste alleen exons
B. ONRECHTSTREEKS BETROKKEN
Rol splicing
4. snRNA • Zitten en blijven in kern
=small nucear • Clusters van 10-tallen
• SNURP => verwijderen introns
Rol RNA processing
5. snoRNA • translatie
=small nucleolar • Modificeren rRNA
Rol regulatie
6. miRNA • Zit overal , soms clusters
=micro • Inhibitoren translatie eiwit coderende genen
Inhibeert transposons
7. piRNA • Grote clusters
=piwi-interaction • Tijdens spermatogenese
Rol regulatie
8. lncRNA • Minstens 200 nucleotiden lang, geen ORF: open reading frame
=long non coding • Overal, overlappend met eiwit coderende genen (ook gelijkaardig opgebouwd)
• Genen maken RNA, GEEN EIWIT
Rol regulatie
• Gen in 1 van de 2 DNA strengen
• 5 types:
9. circRNA o Ecirc: exon – circulair
=circulair o Ocirc: overlapping: exon als intron
o Igcirc: inter-genic: tussen 2 genen
o Icirc: intron – circulair
o Acirc: anti-sens= andere DNA-streng