Motorisch leren
Tentamen H1 19/20
De paarse blokken zijn wat je kunt leren, waarin je je kunt ontwikkelen als docent LO.
De blauwe blokken staan voor de manieren waarop je het leerproces van de leerlingen kunt
beïnvloeden. Welke keuzes kun je maken, en wat voor effect hebben die?
Propedeuse: leerproces, hoe leer je bewegen zien en handelen, communicatie, iets overbrengen
Hoofdfase 1: hoe ga je hiermee om als docent organiseren, passend onderwijs, baseren op kennis
Doel van dit vak:
- de complete les lessenserie - grote ‘gereedschapskist’ aan mogelijkheden (theorie)
- keuze voor oefeningen/spelvormen - keuzes verantwoorden (theorie)
- betekenisvol onderwijs (doelgroep, doel van de les)
- bijdragen aan optimale ontwikkeling van kind (in brede zin)
1
, College 1: leren en methodieken
In ‘Genesis of The Expert’ zien we
een beweger die zich geleidelijk
ontwikkelt tot expert steeds minder
hersencapaciteit nodig voor het
bewegen en dus nog vrij voor andere
taken.
Belangrijk om efficiënt en creatief een les te geven: docent moet een leeromgeving creëren waarin elke
leerling een stijgende persoonlijke ontwikkeling kan doormaken. Beperkte lestijd dus oneindig oefenen
kan niet, daarom de lessen efficiënt inrichten. Mensen leren sprongsgewijs en ervaren daarbij plateaus.
(Pauze momenten om nieuwe zaken te laten integreren in het systeem). Men moet een gevarieerd
aanbod krijgen, zodat in een bepaalde context een passende oplossing toegepast kan worden. Herhalen
zonder herhalen (differentieel leren) is daarbij het devies. Handig is dan om onderwerpen te kiezen;
beweeg en regelthema’s, die in meerdere bewegingsdomeinen en vooral takken van sport naar voren
komen. Zo kan bv het vrijlopen, dat wordt geoefend in een tienbalspel, transfereren naar diverse
doelspelen.
Leren: Niet lineair
Sprongsgewijze ontwikkeling afhankelijk
van factoren
Bij een bepaalde trigger men ander gedrag
gaan vertonen.
interactionisme omgeving- als
persoonseigenschappen beïnvloedt de
ontwikkeling.
DLTC model docent, leerling, taak en
docent beïnvloeden elkaar.
2
,-Docent is de facilitator persoon die de (rand) voorwaarden schept en onderhoudt waardoor de
processen op gang komen
- Plateau koesteren
- Transitie uitlokken structurele verandering die het resultaat is van de op elkaar in- en
versterkende ontwikkelingen, door dat gedrag te zorgen dat het gebeurt
Transitie is de overgang van de ene fase of toestand naar een volgende, waarvan geen terug schakeling mogelijk is.
- Transfer nastreven het proberen te bereiken van het overdagen of overzetten
Transfer is datgene wat je geleerd is moet toepasbaar zijn in een andere situatie.
Leereffect niet alleen afhankelijk van oefenomvang: ook de mate van de kwaliteit van de oefensessies
bepaalt het leerresultaat.
supercompensatie: vergelijkbare leercurve van spieren, uithoudingsvermogen, techniek en coördinatie
overtraining te veel trainen / oefenen fysiek of mentaal
Leerplateau:
- Periode van stabiliteit (geen vooruitgang) veilig en bekend
- Soms onzichtbaar bepaald gedrag- en neurologische
processen zorgen dat zichtbare verbetering niet mogelijk is.
-Transitie nodig (kost soms veel moeite)
overgang van oud naar nieuw gedrag
gewoontes ‘afleren’, patronen doorbreken
Gedrag heeft een bepaalde voorkeursstand, waarin we graag willen blijven. Bij iets ingrijpends
losgeschud uit die toestand ontstaat ander gedrag.
Pas bij een doorbraakfactor maakt iemand een transitie (gaat over) naar een volgend niveau. Of die
‘factor’ iemands gedrag blijvend veranderd kan je meten met een retentietest enige tijd nadat je gestopt
bent met oefenen.
Methodieken: ‘’ het geheel van de op theorieën gebaseerde wijzen dat wordt gebruikt om een bepaald
doel te bereiken’’
‘’de verzameling methodes, procedures en richtlijnen die gevolgd worden om tot een
bepaald resultaat te komen’’
TPC – DLTC: constraints – beperkingen/bepalingen
interactionisme: C en L beïnvloeden leerproces
Tuinman-analogie: omstandigheden creëren waarin de leerling kan leren (groeien)
‘Hands off’-methode: - zelf ontdekkend leren (gestuurd leren)
- constructivisme: betekenisvolle context waarin leerling zichzelf kan ontwikkelen
3
, Motorische ontwikkeling: dynamisch systeem DLTC werkmodel
1. Model is interactionistisch (Taak is wel uitgelicht)
2. Bepalende factoren = TPC factoren = constraints
1. Verklaren interindividuele verschillen, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van kinderen.
(Bijvoorbeeld: Context: wel of niet kruipen, first child syndrome, ‘stimulerende ouders’,
Persoon; gevormd door erfelijke factoren en ervaring
Taak: doel van de taak, materiaal, gooien vs smijten, kleine of grote bal).
Al deze factoren beïnvloeden de ontwikkeling. Factoren zijn voor elk kind verschillend.
1. Interactie van deze factoren bepaalt de ontwikkeling
1. Rol van doorbraakfactoren
2. Stabiliteit/instabiliteit systeem/regressie
Voorbeeld van een ratecontroller (doorbraakfactor): lichaamsgewicht/spiermassa bij wel stappen, niet
stappen, wel stappen
Interactie van deze constraints!!
Massed practice: geschikt in begin en bij meer gesloten situatie
Distributed practice: later in leerproces en bij meer open bewegingen
Fout-analyse de essentie van beweging
Doel: transitie uitlokken
- Geleidelijk afzwakken bestaand beweegpatroon
- Bestaand beweegpatroon verstoren
- Wat zorgt ervoor dat het bestaande patroon behouden blijft?
-Ingrijpen op het wezenlijk probleem
-Factoren identificeren en manipuleren zo inzetten dat het leerproces bevorderend werkt
4
Tentamen H1 19/20
De paarse blokken zijn wat je kunt leren, waarin je je kunt ontwikkelen als docent LO.
De blauwe blokken staan voor de manieren waarop je het leerproces van de leerlingen kunt
beïnvloeden. Welke keuzes kun je maken, en wat voor effect hebben die?
Propedeuse: leerproces, hoe leer je bewegen zien en handelen, communicatie, iets overbrengen
Hoofdfase 1: hoe ga je hiermee om als docent organiseren, passend onderwijs, baseren op kennis
Doel van dit vak:
- de complete les lessenserie - grote ‘gereedschapskist’ aan mogelijkheden (theorie)
- keuze voor oefeningen/spelvormen - keuzes verantwoorden (theorie)
- betekenisvol onderwijs (doelgroep, doel van de les)
- bijdragen aan optimale ontwikkeling van kind (in brede zin)
1
, College 1: leren en methodieken
In ‘Genesis of The Expert’ zien we
een beweger die zich geleidelijk
ontwikkelt tot expert steeds minder
hersencapaciteit nodig voor het
bewegen en dus nog vrij voor andere
taken.
Belangrijk om efficiënt en creatief een les te geven: docent moet een leeromgeving creëren waarin elke
leerling een stijgende persoonlijke ontwikkeling kan doormaken. Beperkte lestijd dus oneindig oefenen
kan niet, daarom de lessen efficiënt inrichten. Mensen leren sprongsgewijs en ervaren daarbij plateaus.
(Pauze momenten om nieuwe zaken te laten integreren in het systeem). Men moet een gevarieerd
aanbod krijgen, zodat in een bepaalde context een passende oplossing toegepast kan worden. Herhalen
zonder herhalen (differentieel leren) is daarbij het devies. Handig is dan om onderwerpen te kiezen;
beweeg en regelthema’s, die in meerdere bewegingsdomeinen en vooral takken van sport naar voren
komen. Zo kan bv het vrijlopen, dat wordt geoefend in een tienbalspel, transfereren naar diverse
doelspelen.
Leren: Niet lineair
Sprongsgewijze ontwikkeling afhankelijk
van factoren
Bij een bepaalde trigger men ander gedrag
gaan vertonen.
interactionisme omgeving- als
persoonseigenschappen beïnvloedt de
ontwikkeling.
DLTC model docent, leerling, taak en
docent beïnvloeden elkaar.
2
,-Docent is de facilitator persoon die de (rand) voorwaarden schept en onderhoudt waardoor de
processen op gang komen
- Plateau koesteren
- Transitie uitlokken structurele verandering die het resultaat is van de op elkaar in- en
versterkende ontwikkelingen, door dat gedrag te zorgen dat het gebeurt
Transitie is de overgang van de ene fase of toestand naar een volgende, waarvan geen terug schakeling mogelijk is.
- Transfer nastreven het proberen te bereiken van het overdagen of overzetten
Transfer is datgene wat je geleerd is moet toepasbaar zijn in een andere situatie.
Leereffect niet alleen afhankelijk van oefenomvang: ook de mate van de kwaliteit van de oefensessies
bepaalt het leerresultaat.
supercompensatie: vergelijkbare leercurve van spieren, uithoudingsvermogen, techniek en coördinatie
overtraining te veel trainen / oefenen fysiek of mentaal
Leerplateau:
- Periode van stabiliteit (geen vooruitgang) veilig en bekend
- Soms onzichtbaar bepaald gedrag- en neurologische
processen zorgen dat zichtbare verbetering niet mogelijk is.
-Transitie nodig (kost soms veel moeite)
overgang van oud naar nieuw gedrag
gewoontes ‘afleren’, patronen doorbreken
Gedrag heeft een bepaalde voorkeursstand, waarin we graag willen blijven. Bij iets ingrijpends
losgeschud uit die toestand ontstaat ander gedrag.
Pas bij een doorbraakfactor maakt iemand een transitie (gaat over) naar een volgend niveau. Of die
‘factor’ iemands gedrag blijvend veranderd kan je meten met een retentietest enige tijd nadat je gestopt
bent met oefenen.
Methodieken: ‘’ het geheel van de op theorieën gebaseerde wijzen dat wordt gebruikt om een bepaald
doel te bereiken’’
‘’de verzameling methodes, procedures en richtlijnen die gevolgd worden om tot een
bepaald resultaat te komen’’
TPC – DLTC: constraints – beperkingen/bepalingen
interactionisme: C en L beïnvloeden leerproces
Tuinman-analogie: omstandigheden creëren waarin de leerling kan leren (groeien)
‘Hands off’-methode: - zelf ontdekkend leren (gestuurd leren)
- constructivisme: betekenisvolle context waarin leerling zichzelf kan ontwikkelen
3
, Motorische ontwikkeling: dynamisch systeem DLTC werkmodel
1. Model is interactionistisch (Taak is wel uitgelicht)
2. Bepalende factoren = TPC factoren = constraints
1. Verklaren interindividuele verschillen, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van kinderen.
(Bijvoorbeeld: Context: wel of niet kruipen, first child syndrome, ‘stimulerende ouders’,
Persoon; gevormd door erfelijke factoren en ervaring
Taak: doel van de taak, materiaal, gooien vs smijten, kleine of grote bal).
Al deze factoren beïnvloeden de ontwikkeling. Factoren zijn voor elk kind verschillend.
1. Interactie van deze factoren bepaalt de ontwikkeling
1. Rol van doorbraakfactoren
2. Stabiliteit/instabiliteit systeem/regressie
Voorbeeld van een ratecontroller (doorbraakfactor): lichaamsgewicht/spiermassa bij wel stappen, niet
stappen, wel stappen
Interactie van deze constraints!!
Massed practice: geschikt in begin en bij meer gesloten situatie
Distributed practice: later in leerproces en bij meer open bewegingen
Fout-analyse de essentie van beweging
Doel: transitie uitlokken
- Geleidelijk afzwakken bestaand beweegpatroon
- Bestaand beweegpatroon verstoren
- Wat zorgt ervoor dat het bestaande patroon behouden blijft?
-Ingrijpen op het wezenlijk probleem
-Factoren identificeren en manipuleren zo inzetten dat het leerproces bevorderend werkt
4