Prak%sche psychofarmacologie
1. INLEIDING ................................................................................................................... 3
1.1 Anatomie en func/e van de hersenen ............................................................................................... 3
1.2 Neurotransmissie .............................................................................................................................. 7
1.3 Aangrijpingspunten voor psychofarmaca ........................................................................................... 9
1.4 Mechanismen van neuromodula/e ................................................................................................. 15
2. MONOAMINERGE NEUROTRANSMISSIE .................................................................... 16
2.1 Noradrenaline (NAD) ....................................................................................................................... 17
2.2 Dopamine ....................................................................................................................................... 20
2.3 Serotonine ...................................................................................................................................... 21
3. ANTIDEPRESSIVA ....................................................................................................... 22
3.1 Behandeling van een unipolaire majeure depressie met monoaminerge farmaca ............................ 27
3.1.1 Heropnameremmers van noradrenaline, serotonine en dopamine .................................................. 27
3.1.2 An7depressiva direct werkend op receptoren ................................................................................... 33
3.1.3 MAO-inhibitoren ................................................................................................................................ 37
3.2 Behandeling van een unipolaire majeure depressie met glutamaterge farmaca ............................... 38
3.3 Sint-Janskruid bij milde vormen van depressie ................................................................................ 40
4. ANTIPSYCHOTICA (MAJEURE TRANQUILLISERS)......................................................... 43
4.1 Conven/onele of typische an/psycho/ca ........................................................................................ 46
4.2 Nieuwere atypische an/psycho/ca.................................................................................................. 49
5. HYPNOTICA (MINEURE TRANQUILLISERS) ................................................................. 55
5.1 Benzodiazepines .............................................................................................................................. 58
5.2 Andere 𝑮𝑨𝑩𝑨𝑨 posi/eve allosterische modulatoren: Z drug........................................................... 62
5.3 Melatonine...................................................................................................................................... 63
5.4 Valeriaanextracten .......................................................................................................................... 64
6. ANXIOLYTICA ............................................................................................................. 65
7. STEMMINGSSTABILISATOREN (MOOD STABILISERS) .................................................. 68
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Ilse Smolders 1
,8. ANTI-EPILEPTICA ....................................................................................................... 71
8.1 An/-epilep/ca met een breder spectrum ........................................................................................ 76
8.2 An/-epilep/ca met een nauwer spectrum ....................................................................................... 80
8.3 Andere an/-epilep/ca ..................................................................................................................... 82
9. AAN MIDDELEN GEBONDEN STOORNISSEN EN HUN BEHANDELING ......................... 84
9.1 Opioïden en middelen bij opioïdverslaving ...................................................................................... 85
9.2 Alcohol en middelen bij alcoholmisbruik ......................................................................................... 88
9.3 Nico/ne en middelen bij tabakmisbruik .......................................................................................... 91
9.4 Cannabinoïden ................................................................................................................................ 92
9.5 Dissocia/eve anesthe/ca ................................................................................................................ 93
9.6 Centrale s/mulan/a ........................................................................................................................ 94
9.7 Hallucinogenen ............................................................................................................................... 96
10. MIDDELEN BIJ ADHD ............................................................................................. 97
11. PSYCHEDELICA ..................................................................................................... 102
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Ilse Smolders 2
, 1. Inleiding
1.1 Anatomie en func1e van de hersenen
Centraal zenuwstelsel
- Hersenen
o Cerebrum (telencephalon)
o Diencephalon
o Hersenstam (mesencephalon, pons, verlengde merg)
o Cerebellum
- Ruggenmerg
Cerebrum
- Dit zijn de grote hersenen
- 4 onderdelen:
o Frontaalkwab
o Pariëtaalkwab
o Temporaalkwab
o Occipitaalkwab
- Mensen hebben een grote totale oppervlakte van de grote hersenen
o Dit onderscheidt hen ovv intellectuele vermogens van andere diersoorten
o Sulci (instulpingen) en gyri (windingen) spelen hierbij een grote rol
Cortex cerebri = hersenschors
- Dit bestaat uit grijze stof
o Grijze stof = opeenhoping van cellichamen en dendrieten
- Func1onele schorsgebieden: in elke kwab van de cortex liggen gebieden met
gespecialiseerde func1es
o Primaire en secundaire motorische schors
o Primaire en secundaire sensorische schors
o Primaire en secundaire visuele schors
o Primaire en secundaire audi1eve schors
o Prefrontale schors
Prefrontale cortex
- Betrokken bij de vorming van:
o Persoonlijkheid, volharding, concentra1e en ini1a1ef
o Logisch redeneren, intelligen1e, planningsvaardigheden, beslissingen maken
en kri1sch denken
o Sociaal gedrag, rekening houden met anderen en geweten
- Sterke connec1es met het limbisch systeem zijn belangrijk voor:
o Emo1es en stemming
o Controle van impulsen en seksueel gedrag
- Ook van belang voor het integreren van de reukzin
Primaire motorische cortex
- Verzorgt de willekeurige bewegingen
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Ilse Smolders 3
, - Voor het uitvoeren van fijnere motoriek zijn meer zenuwcellen betrokken dan voor
het uitvoeren van grovere bewegingen
- Bepaalde lichaamsdelen nemen dus rela1ef grote delen in van de primaire
motorische cortex van de frontaalkwab
o Bv.: tong, lippen, duim
Secundaire motorische schors
- Regelt aangeleerde motorische vaardigheden met een repeterend karakter
o Bv.: typen, autorijden, veters knopen
- Bij uitval in dit gebied kunnen er nog bewegingen worden gemaakt, maar de
automa1smen zijn verdwenen
- Gebied van Broca = motorisch spraakcentrum (taalproduc1e)
Primaire sensorische cortex
- Deze regio van de pariëtaalkwab ontvangt signalen uit de omgeving in verband met
de tastzin (voelen)
o Signalen aYoms1g van receptoren in de huid voor warmte, koude, druk, tast
en pijn
- Deze regio is in staat de juiste loca1e van de prikkel vast te stellen
- Gevoeligste delen van het lichaam nemen representa1ef de grootste oppervlakte in
o Bv.: mond, genitaliën
Secundaire sensorische schors
- Dorsaal van de primaire sensorische schors
- Hier wordt alle info die de primaire sensorische schors binnenkomt geanalyseerd en
vergeleken
o Dit zorgt voor een begrip van wat men voelt
- Bv.: iets zoeken in het donker
- Gebied van Wernicke = sensorisch spraakcentrum (taalbegrip)
Visuele cortex
- Ter hoogte van de occipitaalkwab
- De primaire visuele cortex ontvangt de impulsen van het netvlies via de nervus
op1cus (hersenzenuw II)
- De secundaire visuele cortex = visuele databank
o Dit laat ons begrijpen wat we zien
o Alle beelden die we kennen worden bewaard, vergeleken en er wordt door
associa1e een betekenis aan gegeven
Audi1eve cortex
- De primaire audi1eve cortex bevindt zich thv de bovenste winding van de
temporaalkwab
o Het verwerkt rechtstreeks info van het gehoorszintuig
- De secundaire audi1eve cortex = audi1eve databank
o Dit laat ons begrijpen wat we horen door vergelijking en associa1e
Gnos1sch centrum
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Ilse Smolders 4
1. INLEIDING ................................................................................................................... 3
1.1 Anatomie en func/e van de hersenen ............................................................................................... 3
1.2 Neurotransmissie .............................................................................................................................. 7
1.3 Aangrijpingspunten voor psychofarmaca ........................................................................................... 9
1.4 Mechanismen van neuromodula/e ................................................................................................. 15
2. MONOAMINERGE NEUROTRANSMISSIE .................................................................... 16
2.1 Noradrenaline (NAD) ....................................................................................................................... 17
2.2 Dopamine ....................................................................................................................................... 20
2.3 Serotonine ...................................................................................................................................... 21
3. ANTIDEPRESSIVA ....................................................................................................... 22
3.1 Behandeling van een unipolaire majeure depressie met monoaminerge farmaca ............................ 27
3.1.1 Heropnameremmers van noradrenaline, serotonine en dopamine .................................................. 27
3.1.2 An7depressiva direct werkend op receptoren ................................................................................... 33
3.1.3 MAO-inhibitoren ................................................................................................................................ 37
3.2 Behandeling van een unipolaire majeure depressie met glutamaterge farmaca ............................... 38
3.3 Sint-Janskruid bij milde vormen van depressie ................................................................................ 40
4. ANTIPSYCHOTICA (MAJEURE TRANQUILLISERS)......................................................... 43
4.1 Conven/onele of typische an/psycho/ca ........................................................................................ 46
4.2 Nieuwere atypische an/psycho/ca.................................................................................................. 49
5. HYPNOTICA (MINEURE TRANQUILLISERS) ................................................................. 55
5.1 Benzodiazepines .............................................................................................................................. 58
5.2 Andere 𝑮𝑨𝑩𝑨𝑨 posi/eve allosterische modulatoren: Z drug........................................................... 62
5.3 Melatonine...................................................................................................................................... 63
5.4 Valeriaanextracten .......................................................................................................................... 64
6. ANXIOLYTICA ............................................................................................................. 65
7. STEMMINGSSTABILISATOREN (MOOD STABILISERS) .................................................. 68
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Ilse Smolders 1
,8. ANTI-EPILEPTICA ....................................................................................................... 71
8.1 An/-epilep/ca met een breder spectrum ........................................................................................ 76
8.2 An/-epilep/ca met een nauwer spectrum ....................................................................................... 80
8.3 Andere an/-epilep/ca ..................................................................................................................... 82
9. AAN MIDDELEN GEBONDEN STOORNISSEN EN HUN BEHANDELING ......................... 84
9.1 Opioïden en middelen bij opioïdverslaving ...................................................................................... 85
9.2 Alcohol en middelen bij alcoholmisbruik ......................................................................................... 88
9.3 Nico/ne en middelen bij tabakmisbruik .......................................................................................... 91
9.4 Cannabinoïden ................................................................................................................................ 92
9.5 Dissocia/eve anesthe/ca ................................................................................................................ 93
9.6 Centrale s/mulan/a ........................................................................................................................ 94
9.7 Hallucinogenen ............................................................................................................................... 96
10. MIDDELEN BIJ ADHD ............................................................................................. 97
11. PSYCHEDELICA ..................................................................................................... 102
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Ilse Smolders 2
, 1. Inleiding
1.1 Anatomie en func1e van de hersenen
Centraal zenuwstelsel
- Hersenen
o Cerebrum (telencephalon)
o Diencephalon
o Hersenstam (mesencephalon, pons, verlengde merg)
o Cerebellum
- Ruggenmerg
Cerebrum
- Dit zijn de grote hersenen
- 4 onderdelen:
o Frontaalkwab
o Pariëtaalkwab
o Temporaalkwab
o Occipitaalkwab
- Mensen hebben een grote totale oppervlakte van de grote hersenen
o Dit onderscheidt hen ovv intellectuele vermogens van andere diersoorten
o Sulci (instulpingen) en gyri (windingen) spelen hierbij een grote rol
Cortex cerebri = hersenschors
- Dit bestaat uit grijze stof
o Grijze stof = opeenhoping van cellichamen en dendrieten
- Func1onele schorsgebieden: in elke kwab van de cortex liggen gebieden met
gespecialiseerde func1es
o Primaire en secundaire motorische schors
o Primaire en secundaire sensorische schors
o Primaire en secundaire visuele schors
o Primaire en secundaire audi1eve schors
o Prefrontale schors
Prefrontale cortex
- Betrokken bij de vorming van:
o Persoonlijkheid, volharding, concentra1e en ini1a1ef
o Logisch redeneren, intelligen1e, planningsvaardigheden, beslissingen maken
en kri1sch denken
o Sociaal gedrag, rekening houden met anderen en geweten
- Sterke connec1es met het limbisch systeem zijn belangrijk voor:
o Emo1es en stemming
o Controle van impulsen en seksueel gedrag
- Ook van belang voor het integreren van de reukzin
Primaire motorische cortex
- Verzorgt de willekeurige bewegingen
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Ilse Smolders 3
, - Voor het uitvoeren van fijnere motoriek zijn meer zenuwcellen betrokken dan voor
het uitvoeren van grovere bewegingen
- Bepaalde lichaamsdelen nemen dus rela1ef grote delen in van de primaire
motorische cortex van de frontaalkwab
o Bv.: tong, lippen, duim
Secundaire motorische schors
- Regelt aangeleerde motorische vaardigheden met een repeterend karakter
o Bv.: typen, autorijden, veters knopen
- Bij uitval in dit gebied kunnen er nog bewegingen worden gemaakt, maar de
automa1smen zijn verdwenen
- Gebied van Broca = motorisch spraakcentrum (taalproduc1e)
Primaire sensorische cortex
- Deze regio van de pariëtaalkwab ontvangt signalen uit de omgeving in verband met
de tastzin (voelen)
o Signalen aYoms1g van receptoren in de huid voor warmte, koude, druk, tast
en pijn
- Deze regio is in staat de juiste loca1e van de prikkel vast te stellen
- Gevoeligste delen van het lichaam nemen representa1ef de grootste oppervlakte in
o Bv.: mond, genitaliën
Secundaire sensorische schors
- Dorsaal van de primaire sensorische schors
- Hier wordt alle info die de primaire sensorische schors binnenkomt geanalyseerd en
vergeleken
o Dit zorgt voor een begrip van wat men voelt
- Bv.: iets zoeken in het donker
- Gebied van Wernicke = sensorisch spraakcentrum (taalbegrip)
Visuele cortex
- Ter hoogte van de occipitaalkwab
- De primaire visuele cortex ontvangt de impulsen van het netvlies via de nervus
op1cus (hersenzenuw II)
- De secundaire visuele cortex = visuele databank
o Dit laat ons begrijpen wat we zien
o Alle beelden die we kennen worden bewaard, vergeleken en er wordt door
associa1e een betekenis aan gegeven
Audi1eve cortex
- De primaire audi1eve cortex bevindt zich thv de bovenste winding van de
temporaalkwab
o Het verwerkt rechtstreeks info van het gehoorszintuig
- De secundaire audi1eve cortex = audi1eve databank
o Dit laat ons begrijpen wat we horen door vergelijking en associa1e
Gnos1sch centrum
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Ilse Smolders 4