Inhoudsopgave
1 Inleiding .............................................................................................................................. 2
2 Soorten handelsbelemmeringen........................................................................................... 2
2.1 Tarifaire handelsbelemmeringen .......................................................................................... 2
2.2 Niet-tarifaire handelsbelemmeringen ................................................................................... 2
3 Kosten-baten analyse van een tarief (douanerecht) .............................................................. 3
3.1 Effect van een tarief in een klein importerend land ............................................................. 4
3.2 Effect van een tarief in een groot importerend land ............................................................ 7
4 Besluit ................................................................................................................................. 9
HOOFDSTUK 9: DE INSTRUMENTEN VAN EEN HANDELSBELEID 1 van 9
,HOOFDSTUK 9: De instrumenten van een handelsbeleid
1 Inleiding
- In de vorige hoofdstukken:
• Waarom voeren landen handel
Landen als geheel winnen bij het voeren van handel
• Waarom zijn ze soms toch geneigd om de handel te beperken
Bepaalde groepen binnen landen kunnen nadeel ondervinden van handel
(bv. arbeiders die werken in de importconcurrerende sectoren ondervinden nadeel bij handel)
- In dit hoofdstuk: Hoe moet een handelsbeleid er uitzien
Indien de handel toch deels belemmerd gaat worden, welke instrumenten gaat men dan
gebruiken voor dit handelsbeleid
2 Soorten handelsbelemmeringen
2.1 Tarifaire handelsbelemmeringen
- Tarief (douanerecht) is een belasting die geheven wordt op grensoverschrijdend handelsverkeer,
namelijk wanneer een goed wordt ingevoerd
De bedoeling is de kost te vergroten van het invoeren van een goed
- Twee soorten:
• Specifiek douanerecht: Een vast, forfaitair bedrag per eenheid ingevoerd product
(bv. 1 euro per kg vlees)
• Ad valorem douanerecht (waarde-recht): Een percentage van de ingevoerde waarde
(bv. 25 % tarief op de waarde van ingevoerde auto’s)
- Exportsubsidie wordt door de overheid gegeven aan een onderneming die een goed exporteert
(een typische exportsubsidie binnen Europa is de exportsubsidie op landbouwgoederen)
Kan ook weer specifiek of ad valorem zijn
2.2 Niet-tarifaire handelsbelemmeringen
- Invoerquota (contingent): Gedurende een bepaalde periode mag er maar een bepaalde
hoeveelheid van een goed ingevoerd worden
(bv. invoerquota op zalm om overbevissing tegen te gaan)
- Vrijwillige exportbeperking (VER): Gedurende een bepaalde periode mag er maar een bepaalde
hoeveelheid van een goed uitgevoerd worden
Deze komen er op vraag van het invoerende land
Het exporterende land voert die beperking in om andere handelsbeperkingen te vermijden
HOOFDSTUK 9: DE INSTRUMENTEN VAN EEN HANDELSBELEID 2 van 9
,3 Kosten-baten analyse van een tarief (douanerecht)
- Assumpties:
• Slechts twee landen (H en Fn)
• Eén goed
• Geen transportkosten
• Stel dat bij autarkie (= zonder handel) de prijs hoger is in H dan in Fn
𝑃𝐻 > 𝑃𝐹𝑛
- Als internationale handel kan, dan zal deze situatie ervoor zorgen dat het goed van Fn naar H
verscheept zal worden, zodat de prijs in H daalt en in Fn stijgt ‘totdat het verschil in prijs
geëlimineerd is’
De handelsprijs (‘wereldprijs’) gaat echter nooit volledig genivelleerd worden en gaat ergens
tussen beiden liggen
𝑃𝐻 > 𝑃𝑊 > 𝑃𝐹𝑛
Bij 𝑃𝑊 gaat het vraagtekort in het ene land ‘gelijk zijn’ aan het aanbodoverschot in het andere
land
- Ruilvoet (‘terms of trade’ (TOT)): De ruilvoet geeft weer welke hoeveelheid import kan gekocht worden
door de verkoop van een bepaalde hoeveelheid export
waarde van de export
= (waarde van de import) × 100
• Indien < 100: Er stroomt meer kapitaal weg (om import te kopen) dan dat er binnen komt
• Indien > 100: Er komt meer kapitaal het land binnen (door export) dan dat er buitengaat door import
Als de ruilvoet stijgt, hebben we een verbetering: Het land kan meer import kopen met een
gegeven hoeveelheid export
HOOFDSTUK 9: DE INSTRUMENTEN VAN EEN HANDELSBELEID 3 van 9
, - Wij veronderstellen nu dat twee landen handel drijven met elkaar en dat een specifiek tarief wordt
geheven van 𝑡 dollar
DOEL: De kost te vergroten van het ingevoerde goed (bv. goedkope kleding), anders wordt H
overspoeld met goedkope kleding, wat nadelig is voor de eigen producenten (bv. China = Fn)
De analyse zal verschillend zijn naargelang het over een klein of een groot thuisland H gaat
• Een ‘klein’ land (bv. België: 11 miljoen inwoners) kan de ruilvoet niet kan beïnvloeden
• Een ‘groot’ land (bv. VS: 325 miljoen inwoners) H dat genoeg importeert van een bepaald
goed zodat – wanneer het een tarief oplegt – zal het exporterende land Fn (= China) haar
prijs van het goed verlagen om haar aandeel in de grote markt in land H (= VS) te
behouden
Als de prijs voor kleding in H door een tarief te hoog wordt, loopt Fn immers het
risico dat de vraag in land H – en deze vraag zal groot zijn, want het is een groot
land met veel consumenten – naar kleding uit Fn enorm gaat dalen
3.1 Effect van een tarief in een klein importerend land
- De consumenten in land H kunnen de buitenlandse kleding nog steeds kopen, maar zij moeten
opdraaien voor de tax (𝑡) die bovenop de prijs (𝑃𝑤 ) betaald moet worden
De prijs voor de importeerders (= binnenlandse consumenten) wordt
𝑃𝑤 + 𝑡 = 𝑃𝑡
- Indien het thuisland een klein land is, kan het geen effect uitoefenen op de buitenlandse (wereld)prijs,
aangezien de vraag naar het goed in land H een klein en insignificant deel uitmaakt van de wereldvraag
Het land kan de prijsstijging niet afwentelen op het buitenland en bijgevolg zal de prijsstijging
voor de consumenten in het binnenland gelijk zijn aan het volledige tarief
- Deze stijging van de prijs in land H, heeft een effect op de binnenlandse consumptie, de
binnenlandse productie en de import van kleding en op het consumentensurplus en het
producentensurplus
Figuur: De effecten van een tarief in een klein land
• Effect op de binnenlandse consumptie van kleding:
Daalt van 𝑄2 tot 𝑄 ∗2
• Effect op de binnenlandse productie van kleding:
Stijgt van 𝑄1 tot 𝑄 ∗1 (Binnenlandse bedrijven kunnen een hogere prijs vragen voor hun eigen
kleding, terwijl ze toch competitief blijven ten opzichte van buitenlandse bedrijven)
• Effect op de import van kleding:
Daalt van 𝑄1 𝑄2 tot 𝑄 ∗1 𝑄 ∗2
HOOFDSTUK 9: DE INSTRUMENTEN VAN EEN HANDELSBELEID 4 van 9
1 Inleiding .............................................................................................................................. 2
2 Soorten handelsbelemmeringen........................................................................................... 2
2.1 Tarifaire handelsbelemmeringen .......................................................................................... 2
2.2 Niet-tarifaire handelsbelemmeringen ................................................................................... 2
3 Kosten-baten analyse van een tarief (douanerecht) .............................................................. 3
3.1 Effect van een tarief in een klein importerend land ............................................................. 4
3.2 Effect van een tarief in een groot importerend land ............................................................ 7
4 Besluit ................................................................................................................................. 9
HOOFDSTUK 9: DE INSTRUMENTEN VAN EEN HANDELSBELEID 1 van 9
,HOOFDSTUK 9: De instrumenten van een handelsbeleid
1 Inleiding
- In de vorige hoofdstukken:
• Waarom voeren landen handel
Landen als geheel winnen bij het voeren van handel
• Waarom zijn ze soms toch geneigd om de handel te beperken
Bepaalde groepen binnen landen kunnen nadeel ondervinden van handel
(bv. arbeiders die werken in de importconcurrerende sectoren ondervinden nadeel bij handel)
- In dit hoofdstuk: Hoe moet een handelsbeleid er uitzien
Indien de handel toch deels belemmerd gaat worden, welke instrumenten gaat men dan
gebruiken voor dit handelsbeleid
2 Soorten handelsbelemmeringen
2.1 Tarifaire handelsbelemmeringen
- Tarief (douanerecht) is een belasting die geheven wordt op grensoverschrijdend handelsverkeer,
namelijk wanneer een goed wordt ingevoerd
De bedoeling is de kost te vergroten van het invoeren van een goed
- Twee soorten:
• Specifiek douanerecht: Een vast, forfaitair bedrag per eenheid ingevoerd product
(bv. 1 euro per kg vlees)
• Ad valorem douanerecht (waarde-recht): Een percentage van de ingevoerde waarde
(bv. 25 % tarief op de waarde van ingevoerde auto’s)
- Exportsubsidie wordt door de overheid gegeven aan een onderneming die een goed exporteert
(een typische exportsubsidie binnen Europa is de exportsubsidie op landbouwgoederen)
Kan ook weer specifiek of ad valorem zijn
2.2 Niet-tarifaire handelsbelemmeringen
- Invoerquota (contingent): Gedurende een bepaalde periode mag er maar een bepaalde
hoeveelheid van een goed ingevoerd worden
(bv. invoerquota op zalm om overbevissing tegen te gaan)
- Vrijwillige exportbeperking (VER): Gedurende een bepaalde periode mag er maar een bepaalde
hoeveelheid van een goed uitgevoerd worden
Deze komen er op vraag van het invoerende land
Het exporterende land voert die beperking in om andere handelsbeperkingen te vermijden
HOOFDSTUK 9: DE INSTRUMENTEN VAN EEN HANDELSBELEID 2 van 9
,3 Kosten-baten analyse van een tarief (douanerecht)
- Assumpties:
• Slechts twee landen (H en Fn)
• Eén goed
• Geen transportkosten
• Stel dat bij autarkie (= zonder handel) de prijs hoger is in H dan in Fn
𝑃𝐻 > 𝑃𝐹𝑛
- Als internationale handel kan, dan zal deze situatie ervoor zorgen dat het goed van Fn naar H
verscheept zal worden, zodat de prijs in H daalt en in Fn stijgt ‘totdat het verschil in prijs
geëlimineerd is’
De handelsprijs (‘wereldprijs’) gaat echter nooit volledig genivelleerd worden en gaat ergens
tussen beiden liggen
𝑃𝐻 > 𝑃𝑊 > 𝑃𝐹𝑛
Bij 𝑃𝑊 gaat het vraagtekort in het ene land ‘gelijk zijn’ aan het aanbodoverschot in het andere
land
- Ruilvoet (‘terms of trade’ (TOT)): De ruilvoet geeft weer welke hoeveelheid import kan gekocht worden
door de verkoop van een bepaalde hoeveelheid export
waarde van de export
= (waarde van de import) × 100
• Indien < 100: Er stroomt meer kapitaal weg (om import te kopen) dan dat er binnen komt
• Indien > 100: Er komt meer kapitaal het land binnen (door export) dan dat er buitengaat door import
Als de ruilvoet stijgt, hebben we een verbetering: Het land kan meer import kopen met een
gegeven hoeveelheid export
HOOFDSTUK 9: DE INSTRUMENTEN VAN EEN HANDELSBELEID 3 van 9
, - Wij veronderstellen nu dat twee landen handel drijven met elkaar en dat een specifiek tarief wordt
geheven van 𝑡 dollar
DOEL: De kost te vergroten van het ingevoerde goed (bv. goedkope kleding), anders wordt H
overspoeld met goedkope kleding, wat nadelig is voor de eigen producenten (bv. China = Fn)
De analyse zal verschillend zijn naargelang het over een klein of een groot thuisland H gaat
• Een ‘klein’ land (bv. België: 11 miljoen inwoners) kan de ruilvoet niet kan beïnvloeden
• Een ‘groot’ land (bv. VS: 325 miljoen inwoners) H dat genoeg importeert van een bepaald
goed zodat – wanneer het een tarief oplegt – zal het exporterende land Fn (= China) haar
prijs van het goed verlagen om haar aandeel in de grote markt in land H (= VS) te
behouden
Als de prijs voor kleding in H door een tarief te hoog wordt, loopt Fn immers het
risico dat de vraag in land H – en deze vraag zal groot zijn, want het is een groot
land met veel consumenten – naar kleding uit Fn enorm gaat dalen
3.1 Effect van een tarief in een klein importerend land
- De consumenten in land H kunnen de buitenlandse kleding nog steeds kopen, maar zij moeten
opdraaien voor de tax (𝑡) die bovenop de prijs (𝑃𝑤 ) betaald moet worden
De prijs voor de importeerders (= binnenlandse consumenten) wordt
𝑃𝑤 + 𝑡 = 𝑃𝑡
- Indien het thuisland een klein land is, kan het geen effect uitoefenen op de buitenlandse (wereld)prijs,
aangezien de vraag naar het goed in land H een klein en insignificant deel uitmaakt van de wereldvraag
Het land kan de prijsstijging niet afwentelen op het buitenland en bijgevolg zal de prijsstijging
voor de consumenten in het binnenland gelijk zijn aan het volledige tarief
- Deze stijging van de prijs in land H, heeft een effect op de binnenlandse consumptie, de
binnenlandse productie en de import van kleding en op het consumentensurplus en het
producentensurplus
Figuur: De effecten van een tarief in een klein land
• Effect op de binnenlandse consumptie van kleding:
Daalt van 𝑄2 tot 𝑄 ∗2
• Effect op de binnenlandse productie van kleding:
Stijgt van 𝑄1 tot 𝑄 ∗1 (Binnenlandse bedrijven kunnen een hogere prijs vragen voor hun eigen
kleding, terwijl ze toch competitief blijven ten opzichte van buitenlandse bedrijven)
• Effect op de import van kleding:
Daalt van 𝑄1 𝑄2 tot 𝑄 ∗1 𝑄 ∗2
HOOFDSTUK 9: DE INSTRUMENTEN VAN EEN HANDELSBELEID 4 van 9