HOOFDSTUK 1
BIODIVERSITEIT : de verscheidenheid van het leven in al zijn vormen, combinaties en
organisatieniveaus → biological + diversity
MENSEN zetten de biodiversiteit onder druk = grote aantallen organismen verdwijnen
ONDERDELEN :
→ diversiteit van ecosystemen
→ diversiteit van soorten
→ diversiteit van interacties tussen soorten
→ diversiteit van interacties tussen soorten en hun omgeving
→ diversiteit van interacties binnen een soort
→ diversiteit van populatie
→ genetische diversiteit
=> rivier - bos - bergen : verschillende ecosystemen naast elkaar
ORGANISME : georganiseerd lichaam dat uit weefsels bestaat en een eigen metabolisme
(stofuitwisseling) bezit
= levend wezen
MAAR !
→ MYCELIUM : dunne draden van schimmel in de bodem
LEVENSGEMEENSCHAP : alle organismen die in een bepaald gebied voorkomen en elkaar
beïnvloeden ( → beïnvloeden elkaar zonder te willen/weten)
BIOTOOP : gebied met een uniform landschapstype waarin een levensgemeenschap zich kan
ontwikkelen en de organismen van deze levensgemeenschap zich kunnen voortplanten (vaak
redelijk groot)
HABITAT : specifieke leefomgeving van een bepaald organisme die alle vereisten bevat opdat
dat organisme kan overleven en voortplanten (trekvogels = habitat veranderd, biotoop niet)
BIODIVERSITEIT : de verscheidenheid van het leven in al zijn vormen, combinaties en
organisatieniveaus → biological + diversity
MENSEN zetten de biodiversiteit onder druk = grote aantallen organismen verdwijnen
ONDERDELEN :
→ diversiteit van ecosystemen
→ diversiteit van soorten
→ diversiteit van interacties tussen soorten
→ diversiteit van interacties tussen soorten en hun omgeving
→ diversiteit van interacties binnen een soort
→ diversiteit van populatie
→ genetische diversiteit
=> rivier - bos - bergen : verschillende ecosystemen naast elkaar
ORGANISME : georganiseerd lichaam dat uit weefsels bestaat en een eigen metabolisme
(stofuitwisseling) bezit
= levend wezen
MAAR !
→ MYCELIUM : dunne draden van schimmel in de bodem
LEVENSGEMEENSCHAP : alle organismen die in een bepaald gebied voorkomen en elkaar
beïnvloeden ( → beïnvloeden elkaar zonder te willen/weten)
BIOTOOP : gebied met een uniform landschapstype waarin een levensgemeenschap zich kan
ontwikkelen en de organismen van deze levensgemeenschap zich kunnen voortplanten (vaak
redelijk groot)
HABITAT : specifieke leefomgeving van een bepaald organisme die alle vereisten bevat opdat
dat organisme kan overleven en voortplanten (trekvogels = habitat veranderd, biotoop niet)