1 Grote veranderingen
Begin differentiatiefase: 2;6 jaar
Einde differentiatiefase: 5 jaar
explosief ritme
opvallendste kenmerken telegramstijl verdwijnen
taalproductie: kind gebruikt waaier van woordklassen, gebruikt functiewoorden, vervoegt
en verbuigt ww, gebruikt tijdsbegrippen en onomatopeeën worden echte woorden
Taalontwikkeling draait op volle toeren
fonologie: moet nog afgewerkt worden
semantiek/lexicale ontwikkeling: hoog in tempo verder: nieuwe
woorden/betekenissen/verbanden
syntaxis: explodeert doordat morfologie aan bod komt
pragmatische vaardigheden: verbreden de verbale communicatie
metalinguïstiek en verbaal spel
Periode van aarzelend spreken:
vele nieuwe zaken leren
metalinguïstisch bewustzijn: worden zich bewust van hun talig vermogen en vergelijken
met volwassenen, besef dat ze nog veel hiaten vertonen
Diverse meetmethoden mogelijk door toegenomen cognitieve en sociale vaardigheden
testen afnemen gaat makkelijker aangezien er iets meer maturiteit is
Identificatieproces: bezittelijke en persoonlijke voornaamwoorden worden begrepen en
gebruikt
, Tijdsbesef werkwoorden gaan gebruiken
Hoeveelheid en grootte meervoudsvorm, verkleinvormen en telwoorden gebruiken
4 Semantiek en woordenschat
welke woordjes leert het kind en welke betekenissen gaat het kind eraan koppelen?
Kwantitatieve groei
= het kind gaat meer en meer woorden gebruiken
WS uitbreiding actief én passief = meetbaar
2 jaar: 500 woorden
3 jaar: 1000 woorden = big jump
5 jaar: 3000 woorden
Big jump door:
Externe factoren: leefwereld breidt uit (school, contact lft 1 genoten, programma’s,…)
Interne factoren : sociaal-emotionele ontw2, denk ontw, fantasie- en spel ontw
Kwalitatieve groei
= het kind gaat meer variëren met zijn woorden, meer verschillende woorden
passieve WS is bij kinderen en volwassenen steeds groter dan het actieve gebruik ervan
kind maakt veel fouten op woordgrenzen (bv: ik heb een vuile slurf ipv een vuile neus)
3 stadia van woordverwerving: (Elbers & Van Loon-Vervoom)
Referentiële woordverwerving
Vroeg geleerde woorden: woorden koppelen aan een tastbaar object / persoon /
gebeurtenis uit de directe leefwereld
Laat geleerde woorden: directe ervaring minder van belang
Denotationele stadium
= het kind koppelt het geleerde woord aan gelijksoortige objecten / personen en
gebeurtenissen en ontwikkelt een groeiend concept
woorden groeien tot concepten en zijn niet langer gebonden aan concrete situaties
1
leeftijdsgenoten
2
ontwikkeling