Samenvoegen van alle Advanced Organizers
HC 1:
Informatie = gegevens in boeken, magazines of op internet
Kennis = de info begrijpen en kunnen toepassen. De info is verwerkt en opgeslagen
in LTG.
Informatie verwerking
Sensorisch geheugen:
Kan de info heel kort vasthouden. Selecteert relevante info naar werkgeheugen.
Werkgeheugen/KTG:
Hier vind het denken en leren plaats. 2-6 chunks (blokjes info) tegelijk onthouden.
Info wordt aan bestaande kennis gekoppeld.
LTG:
Onbeperkte capaciteit. Kennis wordt opgeslagen in netwerken.
Biologische primaire kennis Biologische secundaire kennis
Kennis die je al hebt. Erfelijk doorgegeven. Je hebt iemand nodig die het jou leert
Voorbeelden: kruipen, praten, drinken bij moeder Voorbeelden: fietsen, lezen
De expert moet veel kennis hebben.
Maar moet ook weten hoe hij dat moet
overbrengen
Wat doen effectieve leraren?
- Activeren van de voorkennis
Niet vragen naar stof wat nog niet is onderwezen.
Zorg dat alle kinderen actief meedoen (niet vragen naar vingers)
- Nieuwe stof in kleine stukjes overbrengen (behapbaar groetjes Fenno)
- Tussentijds controleren of de stof begrepen is
- Geef goede feedback
- Goede instructie met veel voorbeelden
, HC 2:
Leren kan op twee manieren. Associatief en nadoen
Associatief leren
Associatie: relaties maken tussen woorden, dingen, objecten etc.
Klassiek conditioneren
- De ene gebeurtenis wordt met een andere geassocieerd, omdat zij meerdere
keren gelijktijdig plaatsvinden. En vervolgens dezelfde reactie uitlokken.
Onbewuste respons op een stimuli.
Stimuli Respons (reactie)
Operant conditioneren
- Straffen en belonen met straffen en belonen als bedoeling
Correctieladder: gebruikt een leerkracht. Corrigeren en belonen tijdens de les.
Wet van effect:
- Positieve consequentie neemt het gedrag toe
- Negatieve consequentie gedrag neemt af.
Aanpassing van de respons: reïnforcement (bekrachtigen)
- Primaire reïnforcer: is een bekrachtiging die direct te gebruiken is en direct
het gedrag versterkt: seks, eten, warmte
- Secundaire reïnforcer: een bekrachtiging waarmee een primaire reïnforcer
verworven kan worden.
Voorbeeld: leerling in de klas heeft een vraag.
Secundaire reïnforcer: ‘’Ik heb je vraag gezien, ik kom er zo op terug.
Primaire reïnforcer: het daadwerkelijk beantwoorden van de vraag.
Intermittant reïnforcement (soms bekrachtigen): meest effectief. Toepassen als het
nodig is, niet structureel.
Soort beloningen
Iets fijns Iets niet fijns
Toedienen Positieve beloning Positieve straf
Wegnemen Negatieve straf Negatief belonen
Shaping: gedrag in kleine stapjes veranderen
Extinction: uitdoven. Niet toegeven. De respons verdwijnt omdat er geen
bekrachtiging meer op volgt. Negeren
Sociaal leren
Vormen van sociaal leren
- Observationeel leren
HC 1:
Informatie = gegevens in boeken, magazines of op internet
Kennis = de info begrijpen en kunnen toepassen. De info is verwerkt en opgeslagen
in LTG.
Informatie verwerking
Sensorisch geheugen:
Kan de info heel kort vasthouden. Selecteert relevante info naar werkgeheugen.
Werkgeheugen/KTG:
Hier vind het denken en leren plaats. 2-6 chunks (blokjes info) tegelijk onthouden.
Info wordt aan bestaande kennis gekoppeld.
LTG:
Onbeperkte capaciteit. Kennis wordt opgeslagen in netwerken.
Biologische primaire kennis Biologische secundaire kennis
Kennis die je al hebt. Erfelijk doorgegeven. Je hebt iemand nodig die het jou leert
Voorbeelden: kruipen, praten, drinken bij moeder Voorbeelden: fietsen, lezen
De expert moet veel kennis hebben.
Maar moet ook weten hoe hij dat moet
overbrengen
Wat doen effectieve leraren?
- Activeren van de voorkennis
Niet vragen naar stof wat nog niet is onderwezen.
Zorg dat alle kinderen actief meedoen (niet vragen naar vingers)
- Nieuwe stof in kleine stukjes overbrengen (behapbaar groetjes Fenno)
- Tussentijds controleren of de stof begrepen is
- Geef goede feedback
- Goede instructie met veel voorbeelden
, HC 2:
Leren kan op twee manieren. Associatief en nadoen
Associatief leren
Associatie: relaties maken tussen woorden, dingen, objecten etc.
Klassiek conditioneren
- De ene gebeurtenis wordt met een andere geassocieerd, omdat zij meerdere
keren gelijktijdig plaatsvinden. En vervolgens dezelfde reactie uitlokken.
Onbewuste respons op een stimuli.
Stimuli Respons (reactie)
Operant conditioneren
- Straffen en belonen met straffen en belonen als bedoeling
Correctieladder: gebruikt een leerkracht. Corrigeren en belonen tijdens de les.
Wet van effect:
- Positieve consequentie neemt het gedrag toe
- Negatieve consequentie gedrag neemt af.
Aanpassing van de respons: reïnforcement (bekrachtigen)
- Primaire reïnforcer: is een bekrachtiging die direct te gebruiken is en direct
het gedrag versterkt: seks, eten, warmte
- Secundaire reïnforcer: een bekrachtiging waarmee een primaire reïnforcer
verworven kan worden.
Voorbeeld: leerling in de klas heeft een vraag.
Secundaire reïnforcer: ‘’Ik heb je vraag gezien, ik kom er zo op terug.
Primaire reïnforcer: het daadwerkelijk beantwoorden van de vraag.
Intermittant reïnforcement (soms bekrachtigen): meest effectief. Toepassen als het
nodig is, niet structureel.
Soort beloningen
Iets fijns Iets niet fijns
Toedienen Positieve beloning Positieve straf
Wegnemen Negatieve straf Negatief belonen
Shaping: gedrag in kleine stapjes veranderen
Extinction: uitdoven. Niet toegeven. De respons verdwijnt omdat er geen
bekrachtiging meer op volgt. Negeren
Sociaal leren
Vormen van sociaal leren
- Observationeel leren