Examen opvoedkunde De Decker Fieke
Examen opvoedkunde
Thema: De peuter
De fysieke ontwikkeling
De lichamelijke ontwikkeling:
Groei = verloopt trager dan toen bij de baby, lichaam komt meer in verhouding (zie groeicurven)
Zindelijkheid1 =
→ Het is een maatschappelijk gegeven de definitie is tijd en cultuurgebonden.
3 voorwaarden om voor een peuter zindelijk kan worden:
1) De peuter moet lichamelijk rijp zijn
a) hij moet de blaas onder controle kunnen houden
2) De peuter moet zindelijk zijn begrijpen
a) hij moet bewust zijn van ontlasting wat dat juist is
3) De peuter moet zindelijk willen zijn
a) hij moet willen meewerken en interesse tonen in het potje
tips om zindelijk te worden:
- Laat het kind met het potje spelen
- praat over het potje
- Laat het kind mee naar het toilet gaan
- ….
De motorische ontwikkeling
De grove motoriek = de peuter krijgt meer zelfstandigheid, hij geeft aan dingen zelf te willen doen.
Fijne motoriek = tekenen is een bijzonder aspect bij de fijne motoriek van het kind.
1
kind kan zijn stoelgang ophouden tot een gepast moment
1
,Examen opvoedkunde De Decker Fieke
verschillende stadia van de tekenontwikkeling:
1) Het krabbel stadium
a) willekeurige lijnen op papier
2) Het vormstadium
a) verschillende vormen staan centraal (cirkels, vierkanten, kruisjes,...)
3) Het ontwerpstadium
a) verschillende vormen worden gecombineerd
4) Het pictorale stadium
a) bij kleuters
b) tekeningen beginnen op herkenbare objecten te lijken
Krabbel stadium Vormstadium Ontwerpstadium Pictorale stadium
De sensorische ontwikkeling
De motorische en sensorische ontwikkeling hangt nauw samen → sensomotoriek2
De cognitieve ontwikkeling
Denkontwikkeling
Piaget bedacht 4 stadia’s in de denkontwikkeling.
Hij ontdekte dat de mogelijkheid om te leren en zaken bewust te ervaren zich ontwikkelt en dat dat afhankelijk is
per leeftijd.
2
De samenwerking tussen zintuiglijke en motorische vaardigheden bij het uitvoeren van handelingen.
2
, Examen opvoedkunde De Decker Fieke
De peuter zit in het pre-operationeel stadium. Het kind verwerft tijdens dit stadium object- en
persoonspermanentie.
Objectpermanentie = Het in staat zijn om mentale voorstellingen te maken van voorwerpen uit de omgeving
Persoonspermaentie = Het in staat zijn om mentale voorstellingen te maken van personen uit de omgeving
Symbolisch denken/operationeel denken = Het maken van mentale voorstellingen. Belangrijk voor
verschillende activiteiten: tekenen, fantasiespellen, imitatie,...
→ het denken ontstaat nu maar met heel wat denkfouten
Denkfouten:
1. Egocentrisme
a. het niet beseffen dat anderen een ander perspectief hebben op iets zien
b. het niet beseffen dat anderen andere gedachten en gevoelens hebben
De 3 bergen experiment:
Het kind krijgt de vraag wat zij ziet, daarna wordt
de pop achter een berg geplaatst en wordt de
vraag gesteld: wat ziet de pop nu? De meeste
peuters antwoorden identiek hetzelfde als op de
eerste vraag.
2. Fantasie en werkelijkheid verwarren
a. Het onderscheid niet kunne meken tussen wat echt is en wat niet echt is
- magisch denken: de peuter fantaseert zelf de oorzaak van een gebeurtenis erbij
- animisme: levenloze dingen hebben een ziel (bv dora deed zich pijn aan de tafel en
zegt tafel is stout!)
- Artificialisme: het kind denkt dat alle natuurfenomenen door de mens gemaakt
worden (bv michael denkt als het sneeuwt dat de engeltjes hun kussens uitschudden)
3. Centratie
a. De peuter laat zich in zijn denken leiden door het meest opvallende kenmerk van een voorwerp
of persoon
- bv: het kind heeft gezien hoe een persoon zich schminkte tot een clown toch is ze
bang
- bv: de broer heeft gezegd dat sinterklaas de buurman is, toch gelooft de kleuter in
Sinterklaas
Geheugen en fantasie
Het geheugen is nog beperkt, een peuter vergeet dus snel, toch is een imitatiespel mogelijk. Ook is de peuter in
staat om voorwerpen te sorteren.
3
Examen opvoedkunde
Thema: De peuter
De fysieke ontwikkeling
De lichamelijke ontwikkeling:
Groei = verloopt trager dan toen bij de baby, lichaam komt meer in verhouding (zie groeicurven)
Zindelijkheid1 =
→ Het is een maatschappelijk gegeven de definitie is tijd en cultuurgebonden.
3 voorwaarden om voor een peuter zindelijk kan worden:
1) De peuter moet lichamelijk rijp zijn
a) hij moet de blaas onder controle kunnen houden
2) De peuter moet zindelijk zijn begrijpen
a) hij moet bewust zijn van ontlasting wat dat juist is
3) De peuter moet zindelijk willen zijn
a) hij moet willen meewerken en interesse tonen in het potje
tips om zindelijk te worden:
- Laat het kind met het potje spelen
- praat over het potje
- Laat het kind mee naar het toilet gaan
- ….
De motorische ontwikkeling
De grove motoriek = de peuter krijgt meer zelfstandigheid, hij geeft aan dingen zelf te willen doen.
Fijne motoriek = tekenen is een bijzonder aspect bij de fijne motoriek van het kind.
1
kind kan zijn stoelgang ophouden tot een gepast moment
1
,Examen opvoedkunde De Decker Fieke
verschillende stadia van de tekenontwikkeling:
1) Het krabbel stadium
a) willekeurige lijnen op papier
2) Het vormstadium
a) verschillende vormen staan centraal (cirkels, vierkanten, kruisjes,...)
3) Het ontwerpstadium
a) verschillende vormen worden gecombineerd
4) Het pictorale stadium
a) bij kleuters
b) tekeningen beginnen op herkenbare objecten te lijken
Krabbel stadium Vormstadium Ontwerpstadium Pictorale stadium
De sensorische ontwikkeling
De motorische en sensorische ontwikkeling hangt nauw samen → sensomotoriek2
De cognitieve ontwikkeling
Denkontwikkeling
Piaget bedacht 4 stadia’s in de denkontwikkeling.
Hij ontdekte dat de mogelijkheid om te leren en zaken bewust te ervaren zich ontwikkelt en dat dat afhankelijk is
per leeftijd.
2
De samenwerking tussen zintuiglijke en motorische vaardigheden bij het uitvoeren van handelingen.
2
, Examen opvoedkunde De Decker Fieke
De peuter zit in het pre-operationeel stadium. Het kind verwerft tijdens dit stadium object- en
persoonspermanentie.
Objectpermanentie = Het in staat zijn om mentale voorstellingen te maken van voorwerpen uit de omgeving
Persoonspermaentie = Het in staat zijn om mentale voorstellingen te maken van personen uit de omgeving
Symbolisch denken/operationeel denken = Het maken van mentale voorstellingen. Belangrijk voor
verschillende activiteiten: tekenen, fantasiespellen, imitatie,...
→ het denken ontstaat nu maar met heel wat denkfouten
Denkfouten:
1. Egocentrisme
a. het niet beseffen dat anderen een ander perspectief hebben op iets zien
b. het niet beseffen dat anderen andere gedachten en gevoelens hebben
De 3 bergen experiment:
Het kind krijgt de vraag wat zij ziet, daarna wordt
de pop achter een berg geplaatst en wordt de
vraag gesteld: wat ziet de pop nu? De meeste
peuters antwoorden identiek hetzelfde als op de
eerste vraag.
2. Fantasie en werkelijkheid verwarren
a. Het onderscheid niet kunne meken tussen wat echt is en wat niet echt is
- magisch denken: de peuter fantaseert zelf de oorzaak van een gebeurtenis erbij
- animisme: levenloze dingen hebben een ziel (bv dora deed zich pijn aan de tafel en
zegt tafel is stout!)
- Artificialisme: het kind denkt dat alle natuurfenomenen door de mens gemaakt
worden (bv michael denkt als het sneeuwt dat de engeltjes hun kussens uitschudden)
3. Centratie
a. De peuter laat zich in zijn denken leiden door het meest opvallende kenmerk van een voorwerp
of persoon
- bv: het kind heeft gezien hoe een persoon zich schminkte tot een clown toch is ze
bang
- bv: de broer heeft gezegd dat sinterklaas de buurman is, toch gelooft de kleuter in
Sinterklaas
Geheugen en fantasie
Het geheugen is nog beperkt, een peuter vergeet dus snel, toch is een imitatiespel mogelijk. Ook is de peuter in
staat om voorwerpen te sorteren.
3