Dwangstoornissen
Dwang = persoon wordt gedwongen iets te doen en zolang dit niet gebeurt is er angst. Als de handeling is
uitgevoerd, geeft dit een korte opluchting, waarna de spanning opnieuw opbouwt.
Drang = neiging om iets te doen. Er is weinig weerstand tegen te bieden en mensen krijgen achteraf spijt dat
het weer niet is gelukt om er iets tegen te doen.
Je onderscheidt de volgende obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen:
Obsessieve-compulsieve stoornis (OCS/OCD) = uitvoeren van compulsies als reactie op obsessies.
Obsessie = dwanggedachte die als intrusief, gedwongen, niet-eigen, egodystoom en ongewenst wordt ervaren
of die angst veroorzaakt. De patiënt probeert dit te neutraliseren, maar kan het niet van zich afzetten.
Compulsie = dwanghandeling waartoe iemand zich gedwongen voelt, in reactie op obsessies. Het doel is om
angst of een gevreesde situatie te voorkomen en niet te doen wat de gedachte zegt. Dit doen ze door te tikken,
te tellen, zinnetjes te herhalen etc.
Binnen de obsessieve-compulsieve stoornis worden onderscheiden: angst voor besmetting en wasdwang, angst
voor een gevaarlijke gebeurtenis en controledwang, agressieve, seksuele en religieuze obsessies en compulsies
& symmetrieobsessies en -compulsies, tellen, ordenen of verzameldwang. Bijkomende symptomen zijn
rumineren/herkauwen (wikken en wegen over reëel probleem zonder oplossing) en dwangmatig piekeren. De
levensprevalentie is 2-3%. Er is comorbiditeit met de depressieve stoornissen, angststoornissen, tic stoornissen
en cluster C-persoonlijkheidsstoornissen.
Het wordt behandeld met cognitieve gedragstherapie (exposure en responspreventie), cognitieve therapie
(interpretatie van dwangklachten uitdagen in socratisch dialoog), serotonerge antidepressiva (SSRI/TCA) of een
combinatie. Dit helpt bij 50% van de patiënten (< 1 uur per dag dwangklachten). De behandeling moet 10-12
weken toegepast worden voordat het effect kan worden bepaald.
Harming intrusies/agressieve obsessies = dat je iemand pijn moet doen of moet vermoorden.
Morfodysfore stoornis = patiënt denkt alleen maar aan imaginaire misvorming/onvolkomenheid in hun
uiterlijk. Tijdens de stoornis voert de patiënt handelingen (spiegel kijken) uit in reactie op de ongerustheid. Je
moet mensen niet doorverwijzen naar de plastisch chirurg, maar uitleggen dat het om een angst gaat en niet
om een feit/realiteit, maar dit kan heel lastig zijn.
Verzamelstoornis (hoarding disorder) = verzameldrang waardoor woonruimten niet of nauwelijks te gebruiken
zijn. Mensen hebben sterke behoefte om alles te bewaren. Wegdoen gaat samen met het gevoel van lijden.
Trichotillomanie (haaruittrekstoornis) = aandrang om haren uit te trekken. Dit kan kale plekken geven, wat
voor schaamte of frustratie kan zorgen. In bijzondere gevallen gaat de patiënt het haar ook opeten.
Excoriatiestoornis (huidpulkstoornis) = pulken aan de huid, wat resulteert in beschadiging van de huid. De
patiënt kan niet stoppen, ondanks de schade die hij aan zichzelf toebrengt.
Door middel/medicatie = repetitieve handelingen, die ontstaan na intoxicatie of onttrekking door een middel,
waarvan is bekend dat hij dit kan veroorzaken, zoals amfetamine en cocaïne.
Door een somatische aandoening = repetitieve handelingen, die ontstaan door een somatische aandoening,
met aanwijzingen dat het een direct pathofysiologisch gevolg hiervan is.
Obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen ontstaan vaak al in de vroege adolescentie. Omdat patiënten
zich schamen voor hun klachten, melden zij zich vaak pas na ±15 jaar bij de huisarts. Je ziet het bij 65% van de
mensen voor het 25e levensjaar en nog maar 15% na het 35e levensjaar. Het beloop is voor de meeste
patiënten episodisch, maar voor 30% wordt het chronisch.
Stressstoornissen en psychotrauma
Kenmerken van de psychotraumagerelateerde stoornissen zijn blootstelling aan psychotrauma, herbeleving,
vermijding van situaties die aan het psychotrauma doen denken, negatieve veranderingen in denkbeelden en
stemming & verhoogde prikkelbaarheid (dysfoor). Je onderscheidt de volgende:
, Acute stresstoornissen (ASS) = ontwikkelt zich tot maximaal 1 maand na blootstelling. Het betreft vaak een
angstrespons met herbelevingen, verhoogde reactiviteit, dissociatie en prikkelbaarheid. Het zorgt vaak voor
freezing, waardoor de persoon niks meer kan doen. Het zorgt voor ontbreken van emoties, het ervaren als een
film, als niet echt (derealisatie) of dat het een ander betreft (depersonalisatie).
Posttraumatische stressstoornis (PTSS) = persoon in verhoogde waakzaamheid terwijl het gevaar al langer dan
een maand verdwenen is. Mensen krijgen last van pijnlijke herinneringen, onaangename dromen, dissociatieve
reactie, lijdensdruk of fysiologische reacties bij prikkels die doen denken aan de psychotraumatische
gebeurtenis. Er is sprake van vermijding van deze herinneringen. Mensen hebben minstens 2 symptomen:
- dissociatieve amnesie (derealisatie en depersonalisatie)
- negatieve overtuiging of verwachtingen van zichzelf, anderen of de wereld
- vertekend beeld over oorzaak/gevolgen, waardoor de betrokkene zichzelf de schuld geeft
- negatieve gemoedstoestand
- minder belangstelling voor of minder deelname aan belangrijke activiteiten
- gevoelens van onthechting of van vervreemding van anderen
- onvermogen om positieve emoties te ervaren
Mensen hebben daarnaast last van reactiviteit, prikkelbaar gedrag, woede-uitbarstingen, hypervigilantie,
concentratieproblemen, roekeloos of zelfdestructief gedrag, overdreven schrikreacties en verstoring van slaap.
Bij PTSS zien we afwijkingen aan de hypothalamus-hypofyse-bijnieras (HPA-as), zoals een verlaagde
cortisolspiegel. Dit komt door uitputting van cortisol door continu activatie van stress. De overactieve amygdala
wordt daarnaast onvoldoende geïnhibeerd door de prefrontale cortex en er is vaak sprake van een verkleinde
hippocampus (leren en geheugen).
Door vermijding, schaamte en onbekendheid met de gevolgen van traumatisering leggen patiënten vaak geen
relatie tussen psychische klachten en trauma. De psychiater mist het soms omdat hij zich niet realiseert dat de
patiënt dit zelf niet ziet, doordat hij meegaat met de vermijding of omdat hij symptomen niet genoeg uitvraagt.
Of iemand PTSS ontwikkelt hangt af van risico- en beschermende factoren:
- pretraumatische = genetica, fysiologie, temperament, omgeving, hoog-risicoberoep, laag IQ, genetica,
psychische problemen, sociale steun en adequate coping stijlen.
- peritraumatische = freezing, fight, flight
- posttraumatische = negatieve gedachten, inadequate coping, acute stressstoornis of herhaalde blootstelling.
Psychotherapie is bij PTSS de behandeling van eerste keuze. Je gebruikt cognitieve gedragstherapie, beknopte
eclectische psychotherapie (BEPP) en eye movement desensitization reprocessing (EMDR). Dit zorgt in principe
voor exposure therapie (imaginaire exposure) en reliving. Als dit niet helpt, kan je een SSRI erbij nemen. Het
doel hiervan is om de patiënt meer toegankelijk te maken voor psychotherapie.
De levensprevalentie is 5% bij mannen en 10% bij vrouwen. Er is bij 30-40% comorbiditeit met andere angst- en
depressieve stoornissen. Alcohol wordt vaak door de patiënt gebruikt omdat het de vermijding versterkt en
symptomen van herbeleving en hyperactivatie vermindert. Bij 36-52% is er sprake van verslavingen.
Aanpassingsstoornissen
Uitingsvormen van aanpassingsstoornissen zijn emotionele en gedragsproblemen in reactie op een stressor
(overlijden, stress, ongeluk, werk). De coping mechanismen zijn ontoereikend om de klachten te voorkomen.
Dit hangt af van appraisal, coping, sociale steun, leerervaringen, cognitiepatronen en gedragsstijlen.
De klachten zijn geheugen- en concentratieproblemen, gespannenheid, depressie, slaapproblemen, angst en
een gemis aan controle. De klachten zijn minder erg dan bij een psychiatrische stoornis. De problemen sluipen
het leven binnen en cumuleren in weken tot maanden, waarin de patiënt steeds meer moeite krijgt met
hanteren en daar ook steeds bewuster van wordt. De ontwikkeling van emotionele en/of gedragsmatige
symptomen treden op binnen 3 maanden na het begin van een stressor. Zodra de stressor of de gevolgen
daarvan zijn verdwenen, persisteren de symptomen niet langer dan nog eens 6 maanden.
Dwang = persoon wordt gedwongen iets te doen en zolang dit niet gebeurt is er angst. Als de handeling is
uitgevoerd, geeft dit een korte opluchting, waarna de spanning opnieuw opbouwt.
Drang = neiging om iets te doen. Er is weinig weerstand tegen te bieden en mensen krijgen achteraf spijt dat
het weer niet is gelukt om er iets tegen te doen.
Je onderscheidt de volgende obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen:
Obsessieve-compulsieve stoornis (OCS/OCD) = uitvoeren van compulsies als reactie op obsessies.
Obsessie = dwanggedachte die als intrusief, gedwongen, niet-eigen, egodystoom en ongewenst wordt ervaren
of die angst veroorzaakt. De patiënt probeert dit te neutraliseren, maar kan het niet van zich afzetten.
Compulsie = dwanghandeling waartoe iemand zich gedwongen voelt, in reactie op obsessies. Het doel is om
angst of een gevreesde situatie te voorkomen en niet te doen wat de gedachte zegt. Dit doen ze door te tikken,
te tellen, zinnetjes te herhalen etc.
Binnen de obsessieve-compulsieve stoornis worden onderscheiden: angst voor besmetting en wasdwang, angst
voor een gevaarlijke gebeurtenis en controledwang, agressieve, seksuele en religieuze obsessies en compulsies
& symmetrieobsessies en -compulsies, tellen, ordenen of verzameldwang. Bijkomende symptomen zijn
rumineren/herkauwen (wikken en wegen over reëel probleem zonder oplossing) en dwangmatig piekeren. De
levensprevalentie is 2-3%. Er is comorbiditeit met de depressieve stoornissen, angststoornissen, tic stoornissen
en cluster C-persoonlijkheidsstoornissen.
Het wordt behandeld met cognitieve gedragstherapie (exposure en responspreventie), cognitieve therapie
(interpretatie van dwangklachten uitdagen in socratisch dialoog), serotonerge antidepressiva (SSRI/TCA) of een
combinatie. Dit helpt bij 50% van de patiënten (< 1 uur per dag dwangklachten). De behandeling moet 10-12
weken toegepast worden voordat het effect kan worden bepaald.
Harming intrusies/agressieve obsessies = dat je iemand pijn moet doen of moet vermoorden.
Morfodysfore stoornis = patiënt denkt alleen maar aan imaginaire misvorming/onvolkomenheid in hun
uiterlijk. Tijdens de stoornis voert de patiënt handelingen (spiegel kijken) uit in reactie op de ongerustheid. Je
moet mensen niet doorverwijzen naar de plastisch chirurg, maar uitleggen dat het om een angst gaat en niet
om een feit/realiteit, maar dit kan heel lastig zijn.
Verzamelstoornis (hoarding disorder) = verzameldrang waardoor woonruimten niet of nauwelijks te gebruiken
zijn. Mensen hebben sterke behoefte om alles te bewaren. Wegdoen gaat samen met het gevoel van lijden.
Trichotillomanie (haaruittrekstoornis) = aandrang om haren uit te trekken. Dit kan kale plekken geven, wat
voor schaamte of frustratie kan zorgen. In bijzondere gevallen gaat de patiënt het haar ook opeten.
Excoriatiestoornis (huidpulkstoornis) = pulken aan de huid, wat resulteert in beschadiging van de huid. De
patiënt kan niet stoppen, ondanks de schade die hij aan zichzelf toebrengt.
Door middel/medicatie = repetitieve handelingen, die ontstaan na intoxicatie of onttrekking door een middel,
waarvan is bekend dat hij dit kan veroorzaken, zoals amfetamine en cocaïne.
Door een somatische aandoening = repetitieve handelingen, die ontstaan door een somatische aandoening,
met aanwijzingen dat het een direct pathofysiologisch gevolg hiervan is.
Obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen ontstaan vaak al in de vroege adolescentie. Omdat patiënten
zich schamen voor hun klachten, melden zij zich vaak pas na ±15 jaar bij de huisarts. Je ziet het bij 65% van de
mensen voor het 25e levensjaar en nog maar 15% na het 35e levensjaar. Het beloop is voor de meeste
patiënten episodisch, maar voor 30% wordt het chronisch.
Stressstoornissen en psychotrauma
Kenmerken van de psychotraumagerelateerde stoornissen zijn blootstelling aan psychotrauma, herbeleving,
vermijding van situaties die aan het psychotrauma doen denken, negatieve veranderingen in denkbeelden en
stemming & verhoogde prikkelbaarheid (dysfoor). Je onderscheidt de volgende:
, Acute stresstoornissen (ASS) = ontwikkelt zich tot maximaal 1 maand na blootstelling. Het betreft vaak een
angstrespons met herbelevingen, verhoogde reactiviteit, dissociatie en prikkelbaarheid. Het zorgt vaak voor
freezing, waardoor de persoon niks meer kan doen. Het zorgt voor ontbreken van emoties, het ervaren als een
film, als niet echt (derealisatie) of dat het een ander betreft (depersonalisatie).
Posttraumatische stressstoornis (PTSS) = persoon in verhoogde waakzaamheid terwijl het gevaar al langer dan
een maand verdwenen is. Mensen krijgen last van pijnlijke herinneringen, onaangename dromen, dissociatieve
reactie, lijdensdruk of fysiologische reacties bij prikkels die doen denken aan de psychotraumatische
gebeurtenis. Er is sprake van vermijding van deze herinneringen. Mensen hebben minstens 2 symptomen:
- dissociatieve amnesie (derealisatie en depersonalisatie)
- negatieve overtuiging of verwachtingen van zichzelf, anderen of de wereld
- vertekend beeld over oorzaak/gevolgen, waardoor de betrokkene zichzelf de schuld geeft
- negatieve gemoedstoestand
- minder belangstelling voor of minder deelname aan belangrijke activiteiten
- gevoelens van onthechting of van vervreemding van anderen
- onvermogen om positieve emoties te ervaren
Mensen hebben daarnaast last van reactiviteit, prikkelbaar gedrag, woede-uitbarstingen, hypervigilantie,
concentratieproblemen, roekeloos of zelfdestructief gedrag, overdreven schrikreacties en verstoring van slaap.
Bij PTSS zien we afwijkingen aan de hypothalamus-hypofyse-bijnieras (HPA-as), zoals een verlaagde
cortisolspiegel. Dit komt door uitputting van cortisol door continu activatie van stress. De overactieve amygdala
wordt daarnaast onvoldoende geïnhibeerd door de prefrontale cortex en er is vaak sprake van een verkleinde
hippocampus (leren en geheugen).
Door vermijding, schaamte en onbekendheid met de gevolgen van traumatisering leggen patiënten vaak geen
relatie tussen psychische klachten en trauma. De psychiater mist het soms omdat hij zich niet realiseert dat de
patiënt dit zelf niet ziet, doordat hij meegaat met de vermijding of omdat hij symptomen niet genoeg uitvraagt.
Of iemand PTSS ontwikkelt hangt af van risico- en beschermende factoren:
- pretraumatische = genetica, fysiologie, temperament, omgeving, hoog-risicoberoep, laag IQ, genetica,
psychische problemen, sociale steun en adequate coping stijlen.
- peritraumatische = freezing, fight, flight
- posttraumatische = negatieve gedachten, inadequate coping, acute stressstoornis of herhaalde blootstelling.
Psychotherapie is bij PTSS de behandeling van eerste keuze. Je gebruikt cognitieve gedragstherapie, beknopte
eclectische psychotherapie (BEPP) en eye movement desensitization reprocessing (EMDR). Dit zorgt in principe
voor exposure therapie (imaginaire exposure) en reliving. Als dit niet helpt, kan je een SSRI erbij nemen. Het
doel hiervan is om de patiënt meer toegankelijk te maken voor psychotherapie.
De levensprevalentie is 5% bij mannen en 10% bij vrouwen. Er is bij 30-40% comorbiditeit met andere angst- en
depressieve stoornissen. Alcohol wordt vaak door de patiënt gebruikt omdat het de vermijding versterkt en
symptomen van herbeleving en hyperactivatie vermindert. Bij 36-52% is er sprake van verslavingen.
Aanpassingsstoornissen
Uitingsvormen van aanpassingsstoornissen zijn emotionele en gedragsproblemen in reactie op een stressor
(overlijden, stress, ongeluk, werk). De coping mechanismen zijn ontoereikend om de klachten te voorkomen.
Dit hangt af van appraisal, coping, sociale steun, leerervaringen, cognitiepatronen en gedragsstijlen.
De klachten zijn geheugen- en concentratieproblemen, gespannenheid, depressie, slaapproblemen, angst en
een gemis aan controle. De klachten zijn minder erg dan bij een psychiatrische stoornis. De problemen sluipen
het leven binnen en cumuleren in weken tot maanden, waarin de patiënt steeds meer moeite krijgt met
hanteren en daar ook steeds bewuster van wordt. De ontwikkeling van emotionele en/of gedragsmatige
symptomen treden op binnen 3 maanden na het begin van een stressor. Zodra de stressor of de gevolgen
daarvan zijn verdwenen, persisteren de symptomen niet langer dan nog eens 6 maanden.