EBD – metabool syndroom
1. prevalentie
- In de geïndustrialiseerde landen zien we een ware epidemie van metabool
syndroom
- Prevalentie stijgt met de jaren
- In België zijn er geen directe cijfers beschikbaar, in Europa heeft 12-26% van
de volwassenen metabool syndroom
- Maar er wordt geschat ongeveer 30% op middelbare leeftijd
2. definitie
Het gelijktijdig optreden van centrale obesitas* en twee van de volgende symptomen:
- Hoge triglyceridenspiegels
- Lage HDL-cholesterolspiegels
- Verhoogde bloeddruk
- Hoge nuchtere plasmaglucosewaarde
* Bij deze definitie is er sprake van centrale obesitas indien de MO groter is dan de
relevantie (en etnisch-specifieke grenswaarden)
Criteria volwassenen
Criterium NCEP-ATP III 2005 IDF 2005
Middelomtrek (MO) > 88 > 80
(cm) > 102 > 94
Bloeddruk (BD) > 130/85 > 130/85
(mmHg)
Nuchtere glycemie > 100 > 100
(mg/dl)
Triglyceriden (mg/dl) > 150 > 150
HDL-cholesterol < 50 < 50
(mg/dl) < 40 < 40
NCEP-ATP III 2005: er kan van metabool syndroom gesproken worden
wanneer er minstens 3 van de 5 risicofactoren aanwezig zijn
IDF 2005 (voorkeur in gebruik): bij de criteria van de IDF is de
aanwezigheid van buikzwaarlijvigheid een vereiste en daarnaast moet
de persoon nog 2 andere risicofactoren uit de lijst vertonen om te
kunnen spreken van metabool syndroom
Als de pt lipidenverlagende, BD-verlagende of suikerverlagende medicatie neemt,
wordt dit toch meegeteld als risicofactor (ook al heeft de pt nu een goede waarde)
Pagina 1 van 6
, Criteria kinderen
Lft < 16 jaar: MO vervangen door > 90ste percentiel LG naar lft of LG naar LL
Criteria volwassenen te hanteren van 16 jaar
3. gevolgen
Pt met metabool syndroom hebben een hoger risico op cardiovasculaire ziekten en
lopen meer kans op het ontwikkelen van metabole aandoeningen zoals diabetes type
2
- 3x hoger risico op cardiovasculaire ziekten (bv beroerte, hartinfarct)
- 5-7x meer kans op het ontwikkelen van metabole aandoeningen zoals diabetes
type 2
4. mechanismen
4.1 ontsteking
G-toename met toename visceraal vetweefsel (vetmassa)
1. Monocyten infiltreren in visceraal vetweefsel
2. Differentiëren in macrofagen/foamcellen
3. Macrofagen omringen zich met dode cellen
4. Ontstaan van chronische ontstekingsreactie
Pagina 2 van 6
1. prevalentie
- In de geïndustrialiseerde landen zien we een ware epidemie van metabool
syndroom
- Prevalentie stijgt met de jaren
- In België zijn er geen directe cijfers beschikbaar, in Europa heeft 12-26% van
de volwassenen metabool syndroom
- Maar er wordt geschat ongeveer 30% op middelbare leeftijd
2. definitie
Het gelijktijdig optreden van centrale obesitas* en twee van de volgende symptomen:
- Hoge triglyceridenspiegels
- Lage HDL-cholesterolspiegels
- Verhoogde bloeddruk
- Hoge nuchtere plasmaglucosewaarde
* Bij deze definitie is er sprake van centrale obesitas indien de MO groter is dan de
relevantie (en etnisch-specifieke grenswaarden)
Criteria volwassenen
Criterium NCEP-ATP III 2005 IDF 2005
Middelomtrek (MO) > 88 > 80
(cm) > 102 > 94
Bloeddruk (BD) > 130/85 > 130/85
(mmHg)
Nuchtere glycemie > 100 > 100
(mg/dl)
Triglyceriden (mg/dl) > 150 > 150
HDL-cholesterol < 50 < 50
(mg/dl) < 40 < 40
NCEP-ATP III 2005: er kan van metabool syndroom gesproken worden
wanneer er minstens 3 van de 5 risicofactoren aanwezig zijn
IDF 2005 (voorkeur in gebruik): bij de criteria van de IDF is de
aanwezigheid van buikzwaarlijvigheid een vereiste en daarnaast moet
de persoon nog 2 andere risicofactoren uit de lijst vertonen om te
kunnen spreken van metabool syndroom
Als de pt lipidenverlagende, BD-verlagende of suikerverlagende medicatie neemt,
wordt dit toch meegeteld als risicofactor (ook al heeft de pt nu een goede waarde)
Pagina 1 van 6
, Criteria kinderen
Lft < 16 jaar: MO vervangen door > 90ste percentiel LG naar lft of LG naar LL
Criteria volwassenen te hanteren van 16 jaar
3. gevolgen
Pt met metabool syndroom hebben een hoger risico op cardiovasculaire ziekten en
lopen meer kans op het ontwikkelen van metabole aandoeningen zoals diabetes type
2
- 3x hoger risico op cardiovasculaire ziekten (bv beroerte, hartinfarct)
- 5-7x meer kans op het ontwikkelen van metabole aandoeningen zoals diabetes
type 2
4. mechanismen
4.1 ontsteking
G-toename met toename visceraal vetweefsel (vetmassa)
1. Monocyten infiltreren in visceraal vetweefsel
2. Differentiëren in macrofagen/foamcellen
3. Macrofagen omringen zich met dode cellen
4. Ontstaan van chronische ontstekingsreactie
Pagina 2 van 6