Hoofdstuk 1: Introductie veterinaire pathologie
Pathologie = de studie die zich bezig houdt met het bestuderen van ziektes en oorzaken, hoe die zich
ontwikkelen en de effecten ervan op het lichaam.
- Algemene pathologie = de studie van processen in ziektes zonder te richten op één specifiek orgaan
of weefsel
- Systematische pathologie = de studie van de effecten van een ziekte specifiek op een weefsel of
lichaamssysteem
Verschillende niveaus: hele lichaam, organen of weefsels, cellen en subcellulaire
1. Anatomische pathologie = de studie die ziektes bestudeert in de tissues en organen via
lijkschouwingen (necropsie) of biopsie (stuk weefsel onderzoeken).
2. Klinische pathologie = de studie die ziektes bestudeert via lichaamsvloeistoffen
Hematologie = de studie van celtypen in het bloed (leukocyten, erytrocyten)
3. Microbiologie = de studie die infectieuze organismen bestudeert die mogelijk te maken hebben
met ziektes
4. Parasitologie = de studie die parasieten (inwendig en uitwendig) bestudeert
5. Immunologie = de studie die antilichamen in het lichaam bestudeert
Antilichamen worden geproduceerd door B-cellen om een ziekteverwekkers te verwijderen
immuunrespons. Dit doen ze d.m.v. antigenen (eiwitten).
6. Toxicologie = de studie die toxinen en giftige stoffen bestudeert.
Hoofdstuk 8: Tumoren
Cellulaire aanpassing = omkeerbare veranderingen in cellen als reactie op een fysiologische of
schadelijke stimulus (bv. Degeneratie en veranderingen in grote of maat)
1. Atrofie = het krimpen van cellen als reactie op een stimulus
Oorzaken:
- Niet gebruiken (spiercellen)
- Verliezen van zenuwvoorziening
- Verminderde bloedtoevoer (bloedprop)
- Ontoereikende voeding (hangt samen met ontoereikend bloedtoevoer)
- Verminderde hormoonstimulatie (melkklieren na sterilisatie)
- Ouder worden
- Druk (hangt samen met niet gebruiken, verliezen zenuwvoorziening en verminderde bloedtoevoer)
2. Hypertrofie = het toenemen van cellen als reactie op een stimulus
Normaal: Kweken van spieren (fysiologisch)
Abnormaal (pathologisch)
- Komt voor bij cellen die niet gemakkelijk mitose ondergaan
3. Hyperplasie = het toenemen van het aantal cellen
Oorzaken: lacterende borstklieren, beenmerg (rode bloedcellen), langdurige bloedarmoede, in de
lever na schade
- Komt ook voor bij labiele cellen
4. Metaplasie = het veranderen van een volwassen type weefsel in een andere type
Neoplasie = een ongecontroleerde, snelle toename van abnormale cellen die gezwellen vormen
Niet omkeerbaar!
Pathologie = de studie die zich bezig houdt met het bestuderen van ziektes en oorzaken, hoe die zich
ontwikkelen en de effecten ervan op het lichaam.
- Algemene pathologie = de studie van processen in ziektes zonder te richten op één specifiek orgaan
of weefsel
- Systematische pathologie = de studie van de effecten van een ziekte specifiek op een weefsel of
lichaamssysteem
Verschillende niveaus: hele lichaam, organen of weefsels, cellen en subcellulaire
1. Anatomische pathologie = de studie die ziektes bestudeert in de tissues en organen via
lijkschouwingen (necropsie) of biopsie (stuk weefsel onderzoeken).
2. Klinische pathologie = de studie die ziektes bestudeert via lichaamsvloeistoffen
Hematologie = de studie van celtypen in het bloed (leukocyten, erytrocyten)
3. Microbiologie = de studie die infectieuze organismen bestudeert die mogelijk te maken hebben
met ziektes
4. Parasitologie = de studie die parasieten (inwendig en uitwendig) bestudeert
5. Immunologie = de studie die antilichamen in het lichaam bestudeert
Antilichamen worden geproduceerd door B-cellen om een ziekteverwekkers te verwijderen
immuunrespons. Dit doen ze d.m.v. antigenen (eiwitten).
6. Toxicologie = de studie die toxinen en giftige stoffen bestudeert.
Hoofdstuk 8: Tumoren
Cellulaire aanpassing = omkeerbare veranderingen in cellen als reactie op een fysiologische of
schadelijke stimulus (bv. Degeneratie en veranderingen in grote of maat)
1. Atrofie = het krimpen van cellen als reactie op een stimulus
Oorzaken:
- Niet gebruiken (spiercellen)
- Verliezen van zenuwvoorziening
- Verminderde bloedtoevoer (bloedprop)
- Ontoereikende voeding (hangt samen met ontoereikend bloedtoevoer)
- Verminderde hormoonstimulatie (melkklieren na sterilisatie)
- Ouder worden
- Druk (hangt samen met niet gebruiken, verliezen zenuwvoorziening en verminderde bloedtoevoer)
2. Hypertrofie = het toenemen van cellen als reactie op een stimulus
Normaal: Kweken van spieren (fysiologisch)
Abnormaal (pathologisch)
- Komt voor bij cellen die niet gemakkelijk mitose ondergaan
3. Hyperplasie = het toenemen van het aantal cellen
Oorzaken: lacterende borstklieren, beenmerg (rode bloedcellen), langdurige bloedarmoede, in de
lever na schade
- Komt ook voor bij labiele cellen
4. Metaplasie = het veranderen van een volwassen type weefsel in een andere type
Neoplasie = een ongecontroleerde, snelle toename van abnormale cellen die gezwellen vormen
Niet omkeerbaar!