DEEL 1 : GRAMMATICA
1. WOORDSOORTEN
1.1
1. (onderschikkend) voegwoord
2. substantief
3. koppelwerkwoord
4. (betrekkelijk) voornaamwoord
5. (wederkerend) voornaamwoord
6. (persoonlijk) voornaamwoord – bijwoord
7. voorzetsel – zelfstandig werkwoord
8. voorzetsel – adjectief
9. lidwoord – (betrekkelijk) voornaamwoord
10. (onderschikkend) voegwoord – bijwoord
11. (voornaamwoordelijk) bijwoord
12. (vragend) voornaamwoord – (bezittelijk) voornaamwoord
13. koppelwerkwoord – substantief
14. koppelwerkwoord – adjectief – (nevenschikkend) voegwoord
15. bijwoord – telwoord
16. (nevenschikkend) voegwoord – (onbepaald) voornaamwoord – adjectief – voorzetsel
17. adjectief – adjectief
18. (persoonlijk) voornaamwoord – voorzetsel – hulpwerkwoord
19. voorzetsel – telwoord
20. koppelwerkwoord – adjectief - adjectief
1.2
1. a
2. c
3. b
4. b
5. a
6. d
7. d
8. b
9. b
10. a
1.3
1. nevenschikkend voegwoord
2. voorzetsel
3. voorzetsel
1
,4. aanwijzend voornaamwoord
5. hulpwerkwoord
6. persoonlijk voornaamwoord
7. koppelwerkwoord
8. onderschikkend voegwoord
9. zelfstandig naamwoord (eigennaam)
10. persoonlijk voornaamwoord
1.4.1
1. vragend voornaamwoord
2. hulpwerkwoord
3. persoonlijk voornaamwoord
4. wederkerend voornaamwoord
5. voorzetsel
6. bezittelijk voornaamwoord
7. zelfstandig naamwoord (soortnaam)
8. zelfstandig werkwoord
1.4.2
1. zelfstandig naamwoord (eigennaam)
2. koppelwerkwoord
3. adjectief
4. onderschikkend voegwoord
5. bepaald lidwoord
6. zelfstandig naamwoord (soortnaam)
7. voorzetsel
8. bepaald lidwoord
9. zelfstandig naamwoord (soortnaam)
10. bijwoord (van graad)
11. adjectief
12. koppelwerkwoord
1.4.3
1. aanwijzend voornaamwoord
2. zelfstandig naamwoord (soortnaam)
3. voorzetsel
4. persoonlijk voornaamwoord
5. zelfstandig werkwoord
6. onderschikkend voegwoord
7. bezittelijk voornaamwoord
8. zelfstandig naamwoord (soortnaam)
9. bezittelijk voornaamwoord
10. bepaald rangtelwoord
11. zelfstandig naamwoord (soortnaam)
12. koppelwerkwoord
2
,2. ZINSDELEN
2.1
1. b
2. a
3. a
4. d
5. c
2.2
1. bijwoordelijke bepaling van ontkenning
2. naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde
3. lijdend voorwerp
4. voorzetselvoorwerp
5. handelend voorwerp
2.3
1. c (meewerkend voorwerp)
2. d (naamwoordelijk deel)
3. c (werkwoordelijk gezegde)
4. a (voorzetselvoorwerp)
5. a (onderwerp)
2.4
1. - meewerkend voorwerp
- werkwoordelijk gezegde
- bijwoordelijke bepaling van tijd
- onderwerp
2. - naamwoordelijk gezegde
- naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde
- onderwerp
3. - onderwerp
- werkwoordelijk gezegde
- voorzetselvoorwerp
- bijwoordelijke bepaling van causaliteit
4. - bijwoordelijke bepaling van gevolg
- werkwoordelijk gezegde
- onderwerp
- lijdend voorwerp
5. - bijwoordelijke bepaling van tijd
- persoonsvorm
3
, - onderwerp
- naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde
- voorzetselvoorwerp
6. - bijwoordelijke bepaling van plaats
- persoonsvorm
- onderwerp
- lijdend voorwerp
- werkwoordelijk deel van het werkwoordelijk gezegde
- 2de deel lijdend voorwerp (hoort bij: een kaartje)
7. - onderwerp
- persoonsvorm
- lijdend voorwerp
- bijwoordelijke bepaling van plaats
- werkwoordelijk deel van het werkwoordelijk gezegde
8. - onderwerp
- persoonsvorm
- bijwoordelijke bepaling van plaats
- lijdend voorwerp
9. - bijwoordelijke bepaling van tijd
- persoonsvorm (werkwoordelijk gezegde)
- onderwerp
10. - meewerkend voorwerp
- werkwoordelijk gezegde
- onderwerp
DEEL 2 : SPELLING
1. WERKWOORDEN
1.1
1. prees / hieven
2. benijdde / pestte
3. begrote / rezen
4. Vindt / verspreidt
5. gedubd / ondertiteld
6. Bereid / studeer / vermijd
7. bonsde / schrok
8. ontvreemde
4