A) Introduction
Onder de Derde Republiek (1870-1940) was Frankrijk redelijk stabiel. Door de
grote verliezen van de Eerste Wereldoorlog wordt het verzwakt en uiteindelijk
sneuvelt de Derde Republiek aan het begin van de Tweede Wereldoorlog.
De periode van 1875 tot 1914 wordt ‘La Belle Epoque’ genoemd, oftewel ‘het
mooie tijdperk’. In deze periode bloeien de industrie, techniek en cultuur op. De
Eerste Wereldoorlog (La Première Guerre mondiale 1914-1918) maakte een einde
aan het optimisme. Deze oorlog staat in Frankrijk bekend als ‘la Grande Guerre’.
De centralen (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Turkije) vechten tegen de
geallieerden (Frankrijk, Engeland en Rusland). De centralen verliezen de oorlog
na vier jaar. De oorlog staat ook wel bekend als loopgravenoorlog en er vielen
veel slachtofers door moderne wapens. Veel kunstenaars vluchtten naar
Zwitserland. Er ontstaat en enorme afkeer tegen de burgerlijke maatschappij en
de cultuur. Ze willen de kunst niet meer maken zoals het voor de oorlog was.
In ‘l’entre-deux-guerres’ (1918-1939), oftewel het interbellum, ontstaat een
gevoel van desillusie. Mensen zien in dat de technologie ook kan leiden tot
vernietiging, niet alleen vooruitgang. Dood, lijden en rouw zijn veel voorkomende
thema’s in de kunst. Dan zijn er ‘les années folles’, de tijden om de oorlog te
vergeten.
Tijdens de Derde Republiek verzetten de symbolisten zich tegen de regels en
gewoonten van de burgermaatschappij. Zij introduceren het ‘vers libre’ (vrije
vers) en maken de poëzie los van allerlei regels. Aan het begin van de 20 e eeuw
ontstaat het idee van de avant-garde. De belangrijkste avant-gardebewegingen
zijn dada en het surrealisme.
B) Le Symbolisme
Het symbolisme is een stroming in de schilderkunst en de literatuur. De dichters
gebruikten veel symbolen. De dichter moet de werkelijkheid niet nabootsen,
maar juist ‘het onzegbare’ uitdrukken door middel van metaforen. De
symbolisten gebruikten niet de traditionele symbolen, maar bedachten hun eigen
symbolen die vaak verwijzen naar ‘het hogere’.
Symbolisten noemen zich ‘poètes maudits’ (vervloekte dichters) omdat ze zich
niet aan de maatschappij kunnen aanpassen en ze zich niet door het publiek
begrepen voelen. Charles Baudelaire (1821-1867) is het grootste voorbeeld van
de symbolisten, voornamelijk vanwege zijn vernieuwende poëzie en zijn
antiburgerlijke levensstijl. Baudelaire denkt dat ieder mens het goede maar ook
het kwaad in zich heeft, dat laatste laat hij vooral zien in zijn bundel ‘les feurs du
mal’ uit 1857. Deze bundel wordt veroordeeld wegens immoraliteit en pas in
1949 wordt dit verbod opgeheven.
Paul Verlaine (1844-1896) en Arthur Rimbaud (1854-1891) zijn de belangrijkste
symbolistische dichters. Zij tonen zich echt als poètes maudits. Rimbaud en
Verlaine kregen een relatie, maar op een gegeven moment heeft Verlaine
Rimbaud beschoten in een dronken bui en moet hij naar de gevangenis. Rimbaud
schrijft geen enkel gedicht meer en gaat rondzwerven en sterft in 1891.
C) Dada