___________________________________________________________________________
Auteur: Nelleke Stegeman
ISBN: 9789001823498
Contents
Hoofdstuk 1 Voedingspatronen (1.1 t/m 1.4).........................................................................................2
Hoofdstuk 3 Voedselvoorlichting (3.1 t/m 3.5).......................................................................................6
Hoofdstuk 5 Koolhydraten, voedingsvezels en alcohol (5.1 t/m 5.5)......................................................9
Hoofdstuk 6 Vetten (6.1 t/m 6.6)..........................................................................................................14
Hoofdstuk 7 Aminozuren en eiwitten (7.1 t/m 7.6).............................................................................19
Hoofdstuk 8 Energie en stofwisseling (8.1 t/m 8.3)..............................................................................23
Hoofdstuk 9 Vitamines (9.1 t/m 9.3)....................................................................................................27
,Hoofdstuk 1 Voedingspatronen (1.1 t/m 1.4)
1.1 Voedingspatronen en voedingsgedrag
Voedingspatroon: de wijze waarop een individu, een groep of een volk zich gewoonlijk
voedt. (wie eet wanneer wat in welke hoeveelheid, waar en hoe?)
Hulpverleners in de gezondheidszorg dienen inzicht te hebben in bestaande
voedingspatronen en in de factoren die leiden tot een bepaald voedingsgedrag om:
Gezondheidsrisico’s bij bepaalde individuen en groepen te kunnen signaleren
Voedselvoorlichting te kunnen geven
Dieetpatiënten te kunnen begeleiden bij problemen die ontstaan door veranderingen
in de voeding.
1.2 Factoren die een rol spelen bij het ontstaan van een voedingspatroon en voedingsgedrag
Het ontstaan van een voedingspatroon/voedingsgedrag wordt bepaald door een aantal
factoren:
Omgevingsfactoren: geografische, klimatologische, technologische, economische en
politieke factoren die bepalen welk voedsel beschikbaar is.
Sociaal-culturele factoren: factoren die bepalen welk voedsel als eetbaar wordt
beschouwd en welke betekenis voedsel heeft in de omgang met elkaar.
Persoonsgebonden factoren: fysiologische en psychologische factoren die bepalen
wat de voedselbehoefte is en wat voeding voor iemand betekent.
De geografische en klimatologische factoren: bepalen welke voedingsmiddelen van nature
beschikbaar zijn.
Door de technologische ontwikkelingen op het gebied van productie, bewerking, transport
en opslag is het voedselaanbod enorm uitgebreid.
Economische en politieke factoren hangen nauw samen, omdat de prijs van
voedingsmiddelen wordt beïnvloed door het overheidsbeleid. Dit betreft beleid op nationaal
en internationaal niveau.
Internationaal niveau: hier zijn de EU-maatregelen ten aanzien van landbouw en veeteelt en
im- en export van belang.
Nationaal niveau: hier is de overheid gericht op de zorg voor een veilig voedselpakket en op
de bevordering van goede voedingsgewoonten door onderwijs en voorlichting.
Culturele factoren: wat en hoe iemand eet is sterk cultureel bepaald.
Culturele verschillen komen ook tot uiting in de bereiding van voedsel en de combinatie van
voedingsmiddelen.
Bij de joodse religie moet al het eten koosjer zijn. (Vlees en melk mogen niet gemengd
worden)
Katholieken: eten vis op vrijdag, en vasten voor de Pasen.
2
, Sociale factoren:
- Het aanbieden van eten en drinken is een vorm van gastvrijheid, maar kan ook een
statusfunctie hebben.
- Voedingsgedrag is een manier om je eigen identiteit uit te drukken.
- Voedsel kan ook als een machtsmiddel worden gebruikt.
Fysiologische factoren: honger en dorst zijn fysiologische prikkels die de mens aanzetten
tot eten en drinken.
Psychologische factoren: bv. Een aangename smaak, mensen hebben een voorkeur aan
zoet en een afkeer aan bitter. Voedsel wordt verbonden met liefde, troost en veiligheid.
1.3 Het ontstaan van het huidige voedingspatroon (1850-1980)
De basis voor ons huidige voedingspatroon werd na de industriële revolutie gelegd. (Deze
revolutie begon in Nederland omstreeks 1870)
Tot in de 19e eeuw werd op primitieve wijze landbouw bedreven. De opbrengsten waren
laag, doordat de oogst vaak mislukte en er nog nauwelijks sprake was van voedselopslag of -
import.
Het voedingspatroon in de pre-industriële samenleving werd gekenmerkt door schaarste en
gebrek aan variatie.
De industriële revolutie bracht grote veranderingen in het voedingspatroon. Belangrijke
factoren hierbij waren:
- De groeiende welvaart
- De gewijzigde woon- en werkomstandigheden
- De vernieuwingen in landbouw en veeteelt
- Het ontstaan van een voedingsindustrie
- De opkomst van de moderne voedseldistributie
- De kwaliteitscontrole door de overheid
De periode na 1950 at men steeds meer luxere voedingsmiddelen. Het verbruik van
aardappelen, brood en melk daalde en de consumptie van vlees, kaas, groenten en fruit
steeg.
De tweede helft van de 19e eeuw trokken veel mensen van het platteland naar de stad om in
de fabrieken te gaan werken. Arbeiders woonden in grote gezinnen, onder slechte
werkomstandigheden, met slechte voeding en krappe behuizing. De zuigelingensterfte was
hoog, omdat de vrouwen in de fabrieken moesten werken en grootmoeders de zuigelingen
voedden met een onhygiënisch bereide waterpap.
Eind negentiende, begin twintigste eeuw verbeterde de woonsituatie van de arbeiders en
kregen ze op het werk ruimte en tijd om de lunch te gebruiken. Toen de hygiënische
omstandigheden in de huizen verbeterden en er melk beschikbaar kwam, daalde de
zuigelingensterfte.
3