Garantie de satisfaction à 100% Disponible immédiatement après paiement En ligne et en PDF Tu n'es attaché à rien 4,6 TrustPilot
logo-home
Resume

Samenvatting Immunologie course 10 leerjaar 3 C. elegans part

Vendu
3
Pages
34
Publié le
26-06-2018
Écrit en
2017/2018

Complete samenvatting van de immunologie lessen in course 10, studie jaar 3. De samenvatting is per week geschreven en is dus gebaseerd op de stof die behandeld is per les. De samenvatting is volledig en bevat alle stof die men dient de leren voor het immunologie gedeelte in de kennistoets. Tevens wordt de samenvatting ondersteunt door handige figuren die meer verduidelijking geven bij de tekst. In de samenvatting komen de volgende onderwerpen aan bod: - Immunologische processen stap voor stap uitgelegd: Wat gebeurt er stap voor stap als een bacterie of virus het lichaam binnen komt (immuunrespons stap voor stap). - Tolerantie. - Vaccinatie. - Kanker immuniteit. - Migratie. - Allergie. - Auto-immuniteit. - Immuundeficiënties.

Montrer plus Lire moins
Établissement
Cours











Oups ! Impossible de charger votre document. Réessayez ou contactez le support.

Livre connecté

École, étude et sujet

Établissement
Cours
Cours

Infos sur le Document

Livre entier ?
Non
Quels chapitres sont résumés ?
H8, h9.5, h9.6, h11, h13, h14, h15, h16
Publié le
26 juin 2018
Nombre de pages
34
Écrit en
2017/2018
Type
Resume

Sujets

Aperçu du contenu

Immunologie course 10
Aantekeningen les week 1
Opfris les. De klas wordt onderverdeeld in acht groepen en er per groep wordt er een
onderwerp opgefrist. Iedere groep vertelt vervolgens wat hij weet van het onderwerp. De
onderwerpen zijn fagocytose, antigeenpresentatie, complement systeem, natural killercellen
(NK cellen), antilichamen, B-cel ontwikkeling en activatie, T-cel ontwikkeling en activatie en
lymfoïde organen.
Fagocytose. Fagocytose wordt gedaan door macrofagen, dendritische cellen, monocyten
neutrofielen, B-cellen herken het pathogeen via PAMP (pathogeen geassocieerde
moleculaire patronen), met zijn patroonherkenningsreceptor (PRR). Neemt de
ziekteverwekker op. Het fagosoom versmelt met de lysosoom. Monocyten bevinden zich in
het bloed.
1. Ademhalingsburst (respiratory burst). Waterstofperoxidase, H2O2.
2. Enzymen. Lysosomen, ze splitsen de β (1,4) verbinding tussen NAM-NAG (suikers) in
glycanen die de celwand vormen van bijvoorbeeld een bacterie.
3. NETosis. Dit wordt gedaan door neutrofielen. Neutrofielen zijn kort levende cellen.
Antigeenpresentatie. MHC I wordt herkend door CD8 + T-cellen. Presenteert het
intracellulair antigeen (eigen of viraal eiwit). MHC I bevindt zich op alle cellen behalve op
rode bloedcellen, spermacellen of eicellen. De degradatie vindt plaats in het proteasoom.
MHC II wordt herkend door CD4 + T-cellen. Presenteert het extracellulair antigeen. MHC II
bevindt zich alleen op APC (antigeen presenterende cellen). Onder antigeen presenterende
cellen vallen monocyten, dendritische cellen, macrofagen en B-cellen. Degradatie vindt
plaats in het fagolysosoom. Cross presentatie, even opzoeken wat dat ook alweer was.
Complement systeem. Er zijn vier pathways, namelijk de klassieke route, de lectine route,
de alternatieve route en de terminale route. Wat is het meest belangrijke complement eiwit?
Dit is de C3. De lectine, de klassieke en de alternatieve route leiden allemaal tot C3, dit hoef
je alleen te weten. Tevens moet je de effecten weten, de drie effecten zijn opsonisatie,
chemotaxis en lysis. Tevens is er dan nog een terminale route.
NK cellen = natural killer cellen. Type lymfocyten, hoort bij het aangeboren
immuunsysteem; ze zijn de eerste reactie tegen dingen die het lichaam binnendringen. Het
herkenning van; stress, DAMP (gevaar-geassocieerde moleculaire patronen) zoals Mic A en
Mic B. Tevens herkennen ze de afwezigheid van MHCI. DAMP bindt aan PRR (dit hoort bij
het aangeboren immuunsysteem). Ze doden via;
1. Perforin + granzymes. Perforin zorgt ervoor dat de gaten in de cel komen en granzyme de
cel binnen kan komen.
2. TNFα bindt aan de TNFR.
3. ADCC = antibody dependent cell-mediated cytotoxicity.
Antilichamen. Deze bestaan uit de zware en lichte ketens (zwavelbruggen houden ze bij
elkaar; DTT / β-mercapto-ethanol breekt de bruggen naar beneden  op een gel zijn twee
banden zichtbaar). Beide bevatten een constant onderdeel en een variabel deel (dit is de
antigeenbindingsplaats). Zeer specifiek vanwege VDJ-recombinatie (dit is op DNA-niveau 
er zijn meerdere V-, D- en J-genen en deze kunnen op veel verschillende manieren
gecombineerd worden waardoor elk antilichaam specifiek is, hierdoor heeft elk antilichaam
zijn eigen DNA). Als eerst wordt IgM uitgescheden, vervolgens vindt er isotype switching
plaats. 75% van de antilichamen is IgG. Het paratoop gedeelte bevindt zich boven aan het
antilichaam en het paratoop bindt aan het epitoop. Je hebt monoklonale en polyklonale
antilichamen.
Isotypen. IgG = monomeer. Verkregen na isotype switching (van IgM).
IgM = pentamer. Primaire respons; het eerste antilichaam dat wordt uitgescheiden.
IgD = monomeer. Niet uitgescheiden; op het oppervlak van de naïeve B-cel.
IgA = dimeer. Verkregen na isotype switching (van IgM)
IgE = monomeer. Verkregen na isotype switching (van IgM). Is voor allergieën, in het lab; er
worden poly- of monoklonale antilichamen geproduceerd. Gebruikt voor veel verschillende

,technieken zoals immunokleuring en ELISA.
De belangrijkste functies van antilichamen zijn; neutralisatie, agglutination, aanpassing,
complement systeem activatie (klassieke route), opsonisatie en ADCC.
B cel ontwikkeling en rijping. V(D)J recombinatie, ze worden gemaakt in het beenmerg en
rijpen hier ook uit. Er vindt negatieve selectie plaats. Ze verplaatsen zich naar de lymfoïde
organen (naïve B cellen). Er zijn drie signalen nodig. De eerste is pathogeen en antigeen
herkenning door de BCR. De tweede is de co-stimulatie door Tfh-cellen. De derde zijn de
cytokines. Uiteindelijk zijn het plasmacellen en deze scheiden antilichamen uit. Je moet de
isotopen kennen. IgM is de eerste die wordt uitgescheden.
T cellen, ontwikkeling en activatie. De ontwikkeling vindt plaats in het beenmerg, de
uitrijping in de thymus. Twee dingen voor de selectie, positieve selectie en negatieve
selectie. De positieve selectie is voor CD8 of CD4 (MHCI of MHCII), dit is afhankelijk van
welke T-cel het is. De negatieve selectie is voor zelf herkenning. Dit is onderdeel van het
verworven immuunsysteem. T cellen migreren naar lymfeklieren bijvoorbeeld, waar het kan
worden geactiveerd bij 3 signalen;
1. Een deel van het antigeen, in MHC waar de T-cel specifiek voor is, bindt aan TCR (T-
celreceptor).
2. Co-stimulatie, dendritische cellen brengen CD80/CD86 (=CD7) tot expressie op hun
oppervlak om te binden aan CD28.
3. Cytokines (je moet de hele lijst onthouden).
 Er zijn meerdere T-cellen, CD4 + worden T-helpercellen (en mogelijk geheugen T-cellen);
Treg, TH1, TH2, TH17, TFH. CD8 + worden cytotoxische T-cellen. Je moet dus alle verschillende T
cellen en hun cytokinen kennen. De foliculaire T cel die helpt B-cellen.
Lymfoïde organen. Je hebt de primaire en de secundaire lymfoïde organen. Onder de
primaire lymfoïde organen zijn het beenmerg en de thymus. In het beenmerg vindt de
oorsprong van alle bloedcellen inclusief B- en T-cellen plaats, B-cellen rijpen hier (+
negatieve selectie B-cellen). In de thymus rijpen de T-cellen (+ positieve en negatieve
selectie T-cellen). Onder de secundaire lymfoïde organen vallen de milt, de MALT, de
lymfeknopen. In de secundaire lymfoïde organen vindt de activatie van B- en T cellen plaats.
Het antigeen eindigt in de milt, dan komt hij van het bloed. Als het antigeen via MALT
(mucosa-associated lymfoïde tissue), binnenkomt, dan komt het van buitenaf via het
epitheelweefsel binnen. Als het antigeen via de lymfoknopen binnen komt, dan komt hij van
het weefsel.
De structuur van de lymfoïde organen is dan je een T-celzone = paracortex, een B-celzone =
follikels. Tevens heb je efferente lymfevaten (uit), afferente lymfevaten (in) en HEV (hoge
endotheliale venule). De milt filtert dus het bloed en de lymfeknopen filteren de lymfe.

Aantekeningen les week 2
Verdediging tegen bacteriën. De hoornlaag van de huid beschermt je tegen de bacteriën. Als
de bacterie toch binnenkomt dan komt de neutrofiel van pas. De neutrofiel is heel belangrijk
bij bacteriën. Neutrofielen doden door middel van neutrofiel extracellulair taps (NETs).
Neutrofielen bevinden zich in het bloed. Als je een bacteriële infectie hebt dan is dat meestal
niet in het bloed, dus de neutrofiel moet daar eerst heen gaan. Er zijn echt heel veel
neutrofielen. In de NETosis zitten eiwitten, onder andere myeloperoxidase en defensines. De
myeloperoxidase is dat groene spul wat eruit komt (is tevens betrokken bij de respiratory
burst). Defensines zijn positief geladen en de celwand van de bacterie is negatief geladen,
nu ontstaan er gaten in de celwand en gaat de bacterie dood. Tevens zijn fagocyten
belangrijk bij een bacteriële infecties. Je hebt niet zomaar een bacteriële infectie, eerst heb je
fysieke en chemische barrières. Bacteriële infectie stap voor stap.

Fysieke barrières. Epitheelcellen bevinden zich aan de buitenkant van het lichaam en
worden bij elkaar gehouden door tight junktions. De huid bestaat uit meerdere lagen en
vetzuren. Er is bij het verteringsstelsel krijg je diarree en dan scheid je dus je bacteriën uit. In
de maag heb je de zure pH. In de longen is het de beweging van de mucus door middel van
cillia (denk ook aan niezen en je neus snuiten). Bij de ogen denk aan tranen. Bij het examen

,let vooral op waar de bacterie binnenkomt en ga dan pas praten over de fysieke barrières.
Dus als hij bij de huid binnenkomt dan niet praten over diarree.

Chemische barrières. Antimicrobiële eiwitten (lysozym; breekt peptidoglycaanlaag af van
bacterie) en het complement systeem. Bij de chemische barrières kan je altijd praten over
defensines want die zit bij elk deel erbij. Als de bacterie binnen 24 uur weg is dan is hij
opgeruimd door de fysieke en chemische barrières. Dan stopt het dus na die twee. Je krijgt
pas koorts als de fysieke en chemische barrières het pathogeen niet hebben kunnen
opruimen.




Een laatste chemische barrières is het complement systeem. De klassieke route heeft een
antilichaam nodig. Als de bacterie dus na 24 uur opgeruimd is dan kan het dus nooit zijn
opgeruimd door de klassieke route (behalve als je door de tweede keer besmet wordt). De
lectine pathway begint met een suiker met een manose groep. De alternatieve route begint
door de spontane hydrolyse van C3. De functies van het complement systeem zijn de
lytische complex (C5-C9, maakt de poriën), chemotaxis (C5a/C3a trekken immuuncellen
aan; trekken neutrofielen, macrofagen, monocyten en dendritische cellen) en opsonisatie C3
door breakdown product (C3b), hierdoor kunnen fagocyten; namelijk neutrofielen,
macrofagen, monocyten en dendritische cellen, makkelijker de bacterie opeten.




Aangeboren immuunsysteem. De neutrofielen, macrofagen, monocyten en dendritische
cellen behoren hiertoe (worden dus aangetrokken door het complement systeem). De
fagocyten die herkennen de bacterie door PAMPs te herkennen. Ze herkennen deze met de
patern recognition receptors (PRRs). Naast de fagocyten hebben we de Innate lymphoid
cells (ILC). Deze zijn aanwezig het barrière weefsel (mucosa). Ze zenden bacteriën. We
hebben groep 1 ILC (deze zijn voor intracelluaire bacteriën, deze sectreteren IFNy (IFNy
verbeteren de macrofaag functie). Ook hebben we de groep 3 ILC (deze secreteren IL17 en
IL22). IL17 induceren stromal cellen om cytokinen uit te scheiden welke neutrofielen
aantrekken (en monocyten). IL22 induceren epitheelcellen om antimicrobiële peptiden uit te

, scheiden. Dus als je denkt aan bacteriën dan denk je aan de fysieke barrières waar de
bacterie binnenkomt, aan het complement systeem en uiteindelijk aan de fagocyten (dit zijn
de hoofd doders).
Macrofagen. Leven in het weefsel en zijn langlevend (ongeveer een maand). Ze zijn als
eerste bij de infectie aanwezig.
Monocyten. Leven in het bloed en zijn tevens langlevend. We hebben de klassieke (kan
differentiëren in een macrofaag) en de patrolling (deze gaat naar bacterie in het bloed).
Neutrofielen. Leven in het bloed en zijn kort levend (3 dagen). Ze worden aantrokken naar de
infectie. Als er een bacteriële infectie hebt dan heb je er meer van nodig en er worden er dan
ook heel veel aangemaakt (10 tot 100 keer verdubbeld). Je kan dus in het bloed zien als je
een bacteriële infectie hebt.
Immature dendritische cellen (DC). We hebben conventionele DCs (belangrijk bij bacteriële
infecties) en de plasmacytoid DCs (belangrijk bij virale infecties). Deze cellen zijn langlevend.

 Bacteriën hebben f-Met-Leu-Phe (zit op de bacterie). Tevens zijn de complement
producten aanwezig (C3a + C5a). Lokaal worden chemokines en cytokines uitgescheden.
PRRs bestaan uit verschillende groepen (je moet ze herkennen). Toll-like receptors,
scavenger receptors, mannose receptors, dectin-1. Zonder PRR kan de fagocyt de bacterie
niet opnemen. De C-type lectine familie en de Scavenger-receptoren zijn voor extracellulaire
infecties. Tol-like receptoren zijn voor zowel extra- en intracellulaire infecties (externe
receptoren zoals TLR4 en intracellulaire receptoren (in de endosomen) zoals TLR9 (virus)).
NOD-like receptoren en RIG-I-like receptoren zijn voor intracellulaire infecties. Signaal
vanwege herkenning waardoor de opname begint, is dus absoluut noodzakelijk voor
fagocytose. Eén belangrijke PRRs die je moet kennen, Toll like receptor TLR4, deze herkent
LPS in de bacterie. Daarna hebben we de opsonisatie, dit maakt het makkelijker om bacterie
op te nemen, dus dit is een verschil (is niet persé noodzakelijk). Opsonisatie via complement
receptoren, antilichamen (IgG ↔ FcƴR) en fibronectin (intergrines). Dient alleen de bacterie
en de fagocyt dichterbij elkaar te brengen; betekent niet dat er fagocytose zal zijn; hiervoor is
de PAMP-erkenning essentieel. Opsonisatie maakt fagocytose dus gemakkelijker.
 Dus je hebt eerste de herkenning van de PAMP door de PRRs. Het lysosoom fuseert met
het fagosoom en dan vindt de degradatie plaats in het fagolysosoom. Nadat de bacterie is
afgebroken dan vindt er exocytose plaats. Het antigeen gaat dan dus terug extracellulair
(anders kunnen er geen antilichamen worden gemaakt). Mechanismen van doden.
Degranulatie van lysosomen. Het fagosoom fuseert met het lysosoom. De granules van het
lysosoom bevatten proteolytische enzymen en antimicrobiële eiwitten. Tevens bevatten deze
lysozym, defensines en hydrolytische enzymen. Hierbij is sprake van zuurstof onafhankelijke
doding van bacteriën.
Nitric oxide pathway (alleen door macrofagen). Dit wordt geïnduceerd door IFNy (ILC groep
1), IL-1 en TNF-alfa. Inductie van inducible nitric oxide synthase (iNOS), iNOS wordt dus
gemaakt. De productie van nitric-oxide (NO) vindt vervolgens plaats. Doodt micro-
organismen en is veel toxischer dan het bleekmiddel voor micro-organismen. Dit
mechanisme van doden komt dus alleen voor bij macrofagen.
NETosis. Neutrofiel extracellulair taps. De neutrofielen gaan dood. Het nucleaire chromatine
wordt uitgescheden en dit vormt een net. De bacteriën worden gevangen in het net. Na
NETosis worden de bacteriën efficiënter gefagocyteerd door fagocyten.
Respiratory burst. Deze is zuurstof afhankelijk. We hebben NADPH oxidase, deze reduceert
zuurtsof tot zuurtsof redicalen (O2  O2-). Nu krijg je OH en H2O2. Deze worden reactive
oxygen species genoemd (ROS). Vervolgens is er de fusie met het lysosoom en deze geeft
dat myeloperoxidase H2O2 + 2 Cl- omzet naar 2 HClO (HClO is een soort bleekmiddel).
Hiermee kan je bactiëren doden door de reactie met amines.

Verworven immuunsysteem. De dendritische cellen vormen de verbinding tussen het
aangeboren en het verworven immuunsysteem. Dendritische cellen zijn speciale fagocyten.
Ze herkennen PAMP en presenteren het antigeen. Het antigeen wordt afgebroken en
gepresenteerd op de MHC van de dendritische cel. Je hebt als eerst een onrijpe dendritische
€4,94
Accéder à l'intégralité du document:
Acheté par 3 étudiants

Garantie de satisfaction à 100%
Disponible immédiatement après paiement
En ligne et en PDF
Tu n'es attaché à rien

Reviews from verified buyers

Affichage de tous les 5 avis
5 année de cela

5 année de cela

6 année de cela

6 année de cela

6 année de cela

3,8

5 revues

5
0
4
4
3
1
2
0
1
0
Avis fiables sur Stuvia

Tous les avis sont réalisés par de vrais utilisateurs de Stuvia après des achats vérifiés.

Faites connaissance avec le vendeur

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
DorianvanKuijk Hogeschool Arnhem en Nijmegen
S'abonner Vous devez être connecté afin de suivre les étudiants ou les cours
Vendu
221
Membre depuis
11 année
Nombre de followers
63
Documents
59
Dernière vente
5 mois de cela

3,6

96 revues

5
20
4
40
3
25
2
1
1
10

Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions