Samenvatting grammatica
1.7
-samengestelde zin
Bestaat uit twee of meer enkelvoudige zinnen. Elke van deze enkelvoudige zinnen heeft een eigen
persoonsvorm.
Enkelvoudige zin is een zin met een persoonsvorm.
Bijvoorbeeld:
De poes miauwt + ze heeft honger= de poes miauwt, want ze heeft honger.
Bij zinsontleding zet je een dubbele zinsdeelstreep tussen de twee zinnen van een samengestelde zin.
Bijvoorbeeld:
Gisteren | miauwde | de poes | van de honger || en | vandaag | is | ze | op
muizenjacht | gegaan
1.7
-hoofd en bijzin
Hoofdzin:
Een hoofdzin zier er net zo uit als een enkelvoudige zin:
Het onderwerp en de persoonsvorm staan naast elkaar.
De persoonsvorm staat op de eerste of tweede plaats in de zin.
In de bijzin verandert de volgorde:
Het onderwerp en de persoonsvorm staan uit elkaar (of je kunt ze uit elkaar halen).
De persoonsvorm staat op de laatste of een na laatste plaats in de zin.
Bijvoorbeeld:
De poes heeft honger + de kater van de buren heeft haar bakje leeggegeten.
= de poes heeft honger, omdat de kater van de buren haar bakje heeft leeggegeten.
1.7
-voegwoorden
De zinnen van een samengestelde zin plak je meestal aan elkaar door voegwoorden.
Voorbeelden voegwoorden:
En Maar Want
Dat Of Omdat
Als Toen Hoewel
, 2.7
-hoe vindt je de zinsdelen?
Zinsdeel Hoe
Persoonsvorm Maak de zin vragend
Werkwoordelijk gezegde Alle werkwoorden in een zin
Onderwerp Wie of wat+gezegde?
Lijdend voorwerp Wie of wat+gezegde+onderwerp?
Meewerkend voorwerp Aan wie of wat+gezegde+onderwerp+lijdend
voorwerp?
Bijwoordelijke bepaling Alle overgebleven woorden in een zin
3.7
1.7
-samengestelde zin
Bestaat uit twee of meer enkelvoudige zinnen. Elke van deze enkelvoudige zinnen heeft een eigen
persoonsvorm.
Enkelvoudige zin is een zin met een persoonsvorm.
Bijvoorbeeld:
De poes miauwt + ze heeft honger= de poes miauwt, want ze heeft honger.
Bij zinsontleding zet je een dubbele zinsdeelstreep tussen de twee zinnen van een samengestelde zin.
Bijvoorbeeld:
Gisteren | miauwde | de poes | van de honger || en | vandaag | is | ze | op
muizenjacht | gegaan
1.7
-hoofd en bijzin
Hoofdzin:
Een hoofdzin zier er net zo uit als een enkelvoudige zin:
Het onderwerp en de persoonsvorm staan naast elkaar.
De persoonsvorm staat op de eerste of tweede plaats in de zin.
In de bijzin verandert de volgorde:
Het onderwerp en de persoonsvorm staan uit elkaar (of je kunt ze uit elkaar halen).
De persoonsvorm staat op de laatste of een na laatste plaats in de zin.
Bijvoorbeeld:
De poes heeft honger + de kater van de buren heeft haar bakje leeggegeten.
= de poes heeft honger, omdat de kater van de buren haar bakje heeft leeggegeten.
1.7
-voegwoorden
De zinnen van een samengestelde zin plak je meestal aan elkaar door voegwoorden.
Voorbeelden voegwoorden:
En Maar Want
Dat Of Omdat
Als Toen Hoewel
, 2.7
-hoe vindt je de zinsdelen?
Zinsdeel Hoe
Persoonsvorm Maak de zin vragend
Werkwoordelijk gezegde Alle werkwoorden in een zin
Onderwerp Wie of wat+gezegde?
Lijdend voorwerp Wie of wat+gezegde+onderwerp?
Meewerkend voorwerp Aan wie of wat+gezegde+onderwerp+lijdend
voorwerp?
Bijwoordelijke bepaling Alle overgebleven woorden in een zin
3.7